5. De betekenis van bergen

(Zacharia 14:4,7)

‘Zijn voeten zullen op die dag staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde’ (Zacharia 14:4a).

In deze tekst is sprake van de Olijfberg. In het nieuwe verbond hebben de namen van bergen geen geografische betekenis meer, maar een geestelijke zin. Zie ook de verklaring bij Jesaja 54:11,12, waar zij beelden zijn van onzienlijke demonen. In verband met het uitdrijven van duivelen zei onze Heer: ‘Ik zeg u, als u een geloof hebt als een mosterdzaad, zult u tot deze berg zeggen: Verplaats u van hier daarheen en hij zal zich verplaatsen en niets zal u onmogelijk zijn’ (Matth.17:20). Wij hebben dus de opdracht om demonische geesten te sommeren de mens te verlaten en zich in de geestelijke wereld naar elders te begeven. Vaak zingt men nog: ‘’k Sla de ogen naar ‘t gebergte heen, vanwaar ik dag en nacht des Hoogsten bijstand wacht’. Wij willen echter niet onafgebroken de ogen op deze bergen richten, want zij zijn beelden van de verschrikkende demonen. Daarom lezen wij liever met de Herz. Stat. Vert.: 

  • ‘Ik sla mijn ogen op naar de bergen. Vanwaar zal mijn hulp komen? Mijn hulp is van de Heer, Die hemel en aarde gemaakt heeft’ (Psalm 121:1,2).

Bij de beschrijving van het oordeel dat over de valse kerk voltrokken wordt, zijn bergen ook beelden van boze geesten. Zo staat in Openbaring 16:20: ‘En alle eilanden (bergen in zee) vluchtten weg en bergen werden niet meer gevonden’. In de eindtijd roepen de mensen in hun grote angst de demonen aan op wie zij hun vertrouwen gesteld hadden. Tevergeefs smeken zij echter de bergen: ‘Val op ons’, of roepen zij in paniek tot de heuvelen: ‘Bedek ons’ (Lucas 23:30). De ontrouwe kerk rust op zeven bergen of grootmachten uit de afgrond (Op.17:9). Wij verstaan nu ook de geestelijke betekenis van wat de dichter zegt in Psalm 97:5: ‘De bergen versmelten als was voor het aangezicht van de Heer’ of in Psalm 46:3: ‘Al wankelden de bergen in het hart van de zee’. Wanneer Jona in de vis meegesleurd wordt tot de zeebodem of afgrond – beeld van het dodenrijk – getuigt hij: ‘Tot de grondvesten van de bergen zonk ik neer’ (Jona 2:6).

In het Nieuwe Testament is echter de berg Sion het beeld van Gods Geest, namelijk de berg waar de stad van God met het geestelijk Israël op rust. Daarom wordt gezegd: ‘Maar u bent genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem’ (Hebr.12:22). De grote macht van de Heilige Geest wordt uitgedrukt door de hoogte van de berg Sion, zoals er staat: ‘En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad Jeruzalem’ (Op.21:10). Is het een wonder dat Jesaja profeteerde: ‘En het zal gebeuren in de laatste dagen: dan zal de berg van het huis van de Heer vaststaan als de hoogste berg en hij zal verheven zijn boven de heuvels’ (Jes.2:2)? De gemeente van Jezus Christus rust op de kracht van de Heilige Geest, want er staat: ‘En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met Hem 144.000′ (Op.14:1). Wie voorgaande beelden letterlijk in de natuurlijke wereld wil opvatten, moet wel komen tot dwaze voorstellingen die in strijd zijn met nuchterheid en gezond verstand. Wij concluderen nu, dat de Olijfberg waar de Heer zijn voeten op zet, ook het beeld is van een speciale macht van de duisternis die Hij tot onderwerping brengt: Dood hemzelf met zijn cipiers, de gevangenisbewaarders.

De Olijfberg gespleten

‘Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de ene helft van de berg naar het noorden zal wijken en de andere helft ervan naar het zuiden’ (Zacharia 14:4b).

Na het laatste avondmaal verliet Jezus Jeruzalem en ging met zijn leerlingen naar de Olijfberg. Gethsémane (oliepers) ligt aan de voet van deze berg en is er dus een deel van. Hier voerde Jezus de grootste en zwaarste strijd van zijn leven. Alle boze geesten had Hij overwonnen, maar nu stond de Heer tegenover een vijand – Dood hemzelf – die Hem overmeesteren zou. In deze hof begon de strijd tegen de occulte demonen uit de afgrond en hier zou Hij zijn als Jona in de buik van de vis. In zijn treffen met de laatste vijand zou Jezus onder komen te liggen en Hij zei: ‘Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe’. Hier werd Hij ook erg bang en zijn zweet werd als bloeddruppels. In Gethsemané moest Hij naar de geest de doodsbeker drinken en kreeg Hij deel aan het lijden van de dood (Hebr.2:9,14). Wat op Golgotha in de zichtbare wereld gebeurde, doorleefde de Heer naar de inwendige mens al in de onzienlijke wereld aan de voet van de Olijfberg. Daar kon van Hem gezegd worden: ‘Ik ben een worm en geen man’. Maar na drie dagen in de macht van Dood en zijn rijk (gevangenis) te zijn geweest, verrees de Heer op de Paasdag en Hij zei: ‘Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk’ (Op.1:18).

Na zijn opstanding zien wij onze Heer met zijn leerlingen niet onderaan de Olijfberg, maar erbovenop. Hij is nu niet meer de geslagen herder, die gedood zou worden door het zwaard van de vijand (13:7), maar de Hoogste Koning die zei: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’. Ook de laatste vijand was door Hem onttroond (1 Cor.15:26). De berg aan welks voet onze Heer na zware strijd zijn leven aflegde en op wiens top zijn voeten stonden na de overwinning op de dood, is voortaan het beeld van de hoofdcipier van het dodenrijk, de gevallen seraf, Dood hemzelf die het geweld van de dood heeft samen met zijn medegevangenisbewaarders. Opmerkelijk is ook dat Jezus tijdens zijn rede over de laatste dingen, dus die gebeuren zouden na zijn overwinning op de dood, ‘op de Olijfberg zat’ (Matth.24:3). Daar ontvouwde Hij in een profetische rede het lijden en de strijd van zijn gemeente die Hij door zijn dood had vrijgekocht, maar ook de heerlijkheid die voor zijn volk was weggelegd.

In vers 4 zien wij dat na de openbaring van Gods zonen en na de verdrukking in die dagen, de voeten van onze Heer opnieuw op de Olijfberg staan. De tijd van de schaduwen is nu echter geheel voorbij en de Olijfberg die aardrijkskundig gezien ligt vóór Jeruzalem aan de oostkant, heeft net zo min betekenis meer in de verlossingsgeschiedenis als de berg Sinaï. De Olijfberg symboliseert nu alleen nog maar de dood en zijn cipiers, de doodsengelen. ‘Op die dag’ zien wij immers dat Christus met ‘al zijn heiligen’ over de dood triomfeert. Wanneer Hij terugkomt, worden degenen die in Hem ontsliepen, opgewekt. Hun geestelijk lichaam ontvangt dan het vermogen in de natuurlijke wereld te functioneren. Bij hun sterven hadden zij bij de Heer hun intrek genomen en zij blijven steeds daar waar Hij is. Jezus had immers gebeden: ‘Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te zien die U Mij gegeven hebt’ (2 Cor.5:8; Joh.17:24).

Zolang Hij alleen in de geestelijke wereld is, zijn de gestorven heiligen ook bij Hem. Wanneer Hij verschijnt, zullen zij met Hem verschijnen, omdat zij het lichaam van Christus vormen. Dan is ook het ogenblik aangebroken dat de gelovigen, die levend overgebleven zijn bij de komst van de Heer, in een ondeelbaar ogenblik veranderd zullen worden en de Heer tegemoet gaan in de lucht, dat is met Hem verenigd worden als volkomen geestelijk mens naar geest, ziel en lichaam (1 Cor.15:52; 1 Thess.4:17). Zij voegen zich dan bij de wolk van getuigen die Jezus vergezellen bij zijn terugkomst.

Wanneer de levend overgeblevenen in een ondeelbaar ogenblik veranderd worden, is het duidelijk dat zij aan de macht van de dood onttrokken zijn. Zij behalen met Jezus de overwinning en zij zetten met Hem de voet op de Olijfberg als overwinnaars op de dood. Deze wordt krachteloos gemaakt en het beeld hiervan is het splijten van de Olijfberg, waardoor voor de zonen van God op aarde een weg ter ontkoming ontstaat. Het begrip ‘splijten’ wijst op het onmachtig maken van de gevangenisbewaarders van het dodenrijk voor de kinderen van God. Zo werd de Rode Zee die het volk Israël eenmaal met de dood bedreigde, gespleten en machteloos gemaakt; er ontstond ook een pad ter ontkoming en tot overwinning. De tijd moet echter dan nog komen, waarin de Dood met zijn doodsengelen totaal verdwijnen gaat. Dit gebeurt, wanneer ‘de dood en het dodenrijk in de vuurpoel geworpen worden’ (Op.20:14). Dan zou het nieuwtestamentische beeld gebruikt kunnen worden, dat de Olijfberg opgenomen en in de zee wordt geworpen, dat is de vuurpoel of de tweede dood.

Overwinning op de dood

‘Dan zult u vluchten door het dal van Mijn bergen, want het dal tussen de bergen zal reiken tot Azal. Ja, u zult vluchten, zoals u gevlucht bent voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dan zal de Heer, mijn God, komen: al de heiligen met U!’ (Zacharia 14:5).

Wanneer in de geestelijke wereld de Olijfberg splijt, dit wil zeggen: de dood machteloos gemaakt wordt, wordt dit gevolgd door een ontzaglijk en indrukwekkend gebeuren, want zij die levend overbleven tot de komst van hun Heer, ontvangen dan in een ondeelbaar ogenblik een onsterfelijk, verheerlijkt lichaam. De aardse tent waarin zij woonden, wordt getransformeerd in een geestelijk huis, dat de uitdrukking is van de inwendige mens die de volmaaktheid bereikte. Zij zijn dan ook naar hun geestelijk lichaam het beeld van de verhoogde Zoon van God gelijkvormig. Zij vormen dan als zijn lichaam het parlement, waarmee Hij in het duizendjarige rijk de wereld regeert.

Alle eeuwen door hebben de kinderen van God voor de dood moeten zwichten, maar de geopenbaarde zonen van God die net als de Zoon van God de zonde- en ziekte demonen bestreden en overwonnen, zullen tenslotte over hun laatste vijand zegevieren. Van Jezus staat dat de Vader Hem uit de dood gewekt heeft. Zijn lichaam, dat Hij nooit in dienst van de zonde gesteld had en dat ook na zijn sterven niet tot ontbinding kwam, werd veranderd in een verheerlijkt lichaam, dat zowel in de onzichtbare als in de zichtbare wereld kan functioneren. Ook in de transformatie was Jezus de eerste van veel broers en zusters, want van de zonen en dochters van God is geprofeteerd dat Christus hun lichaam in een ondeelbaar ogenblik zal veranderen ten tijde van de laatste bazuin, want dit vergankelijke, zichtbare, stoffelijke lichaam, moet onsterfelijkheid aandoen. Zodra dit gebeurd is, zal de godsspraak gerealiseerd zijn: ‘De dood is verzwolgen in de overwinning’ (1 Cor.15:53,54).

Wanneer de doodsberg scheurt, ontstaat er een onmetelijk dal met een weg die door de Heer vanuit de verdrukking op aarde naar de hemelse heerlijkheid gebaand is. Het is de dag dat de Heer zijn voeten zet op de Olijfberg, dit wil zeggen dat ook de laatste vijand, de dood, onder zijn voeten komt; de macht en de kracht van de dood zijn dan voor het volk van God geheel gebroken. De dood is voor hen onttroond (1 Cor.15:25-27). De profeet zegt dat de gebaande weg zal reiken tot Azal, een voor ons onbekend plaatsje. Letterlijk betekent Azal: voet van de berg. De doodsberg wordt dus geheel, tot aan zijn voet, gespleten! Wanneer een kind van God ‘in Jezus ontslaapt’ is de dood nog niet geheel overwonnen, hoewel zijn innerlijke mens aan diens greep ontkomt.

De kanttekenaars van de Statenvertaling merken op dat gelezen kan worden: Want deze vallei van de bergen zal reiken tot de berg, die Hij afgezonderd heeft of verkoren, te weten de berg Sion. Dit zou dan betekenen dat Gods volk redding zal vinden op de berg Sion, zoals er staat in Joël 2:32: ‘Want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn’. De berg Sion is het beeld van de Heilige Geest en deze garandeert voor het Israël van God het eeuwige en onvergankelijke leven. De Canisiusvertaling heeft: ‘Dan zult gij vluchten door het dal van mijn bergen; want het dal van de bergen loopt uit op de plaats, waar ik red’. Het geestelijke Israël, dat vanwege de ontbonden demonen in de tijd van de grote verdrukking leeft, ziet dan plotseling een weg tot ontkoming. Het neemt een massale vlucht, zoals het volk Israël dit deed toen het uit Egypte trok langs de weg die de Heer te midden van de opgezweepte golven, baande.

Om de kracht van dit uiteensplijten van de dood uit te beelden, herinnert Zacharia aan een aardbeving die twee eeuwen tevoren, in de dagen van Uzzia plaatsvond. Omdat in Palestina aardbevingen zo zeldzaam zijn, sprak men er nog over in de tijd van de profeet Zacharia. Voor het Israël van God is deze voorspelling echter zuiver geestelijk: het is een uitbeelding hoe bij de zevende bazuin de totale mens ontkomt, doordat ook het vernederde en sterfelijke lichaam van Gods zonen heerlijkheid en onsterfelijkheid aandoet. In Jesaja 35:8-10 wordt gesproken over een gebaande weg die het ware volk van God zou bewandelen. Hiermee wordt geen letterlijke weg bedoeld van de israëlaanbidders, maar een figuurlijke, want er is sprake van ‘de heilige weg’. Zij die verlost zijn uit de macht van het rijk van de duisternis bevinden zich erop. Het einde van deze baan gaat door ‘het dal van de bergen’ en zo wordt vervuld: ‘Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken, Mijn gebaande wegen zullen verhoogd worden’( Jes.49:11). Op de vraag in Jesaja 60:8: ‘ Wie zijn dezen, die daar komen aangevlogen als een wolk, als duiven naar hun til?’ is het antwoord in onze tekst: ‘Dan zal de Heer, mijn God, komen, alle heiligen met Hem’. De apostel Johannes schreef: ‘Zie, Hij komt met de wolken’ (Op.1:7).

De wolkenformaties zijn beeld van de gemeente in haar hoge en verheven positie, van de heiligen met wie Jezus onafscheidelijk verbonden is en die Hem bij zijn terugkomst vergezellen, zoals er staat in Colossenzen 3:4: ‘Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid’. Er zijn kerkmensen die geloven dat Jezus in letterlijke en natuurlijke zin bij zijn terug komst de voeten zal zetten op de Olijfberg. Zij proberen deze gedachte te staven met Handelingen 1:11, waar meegedeeld wordt dat Jezus op dezelfde wijze zal terugkomen als de leerlingen Hem naar de hemel zagen opvaren. Wij merken op, dat in dit hoofdstuk van de Handelingen allereerst gesproken wordt over de doop in Heilige Geest, dus een ‘komst’ van Jezus door zijn Geest in de innerlijke mens. Er zal echter ook een zichtbare komst zijn en hier wezen de twee mannen in witte kleren op, die bij de leerlingen stonden op het ogenblik van de hemelvaart van onze Heer. Jezus, die Zich volledig teruggetrokken had in de geestelijke wereld, zal opnieuw in de zichtbare wereld gezien worden, wanneer de oogst van de aarde rijp is, dat wil zeggen wanneer de gemeente tot onberispelijkheid zal zijn gekomen. Bij zijn verschijning op aarde wordt de Heer vergezeld door ‘een menigte die niet te tellen was‘. Allen hebben dan een verschijningslichaam, dat hen geschikt maakt ook op aarde te functioneren. In het hemelse Jeruzalem vormen zij als geestelijke tempel een onverbrekelijke eenheid en hier beneden vertegenwoordigen zij hun Koning onder alle volken, natiën en talen. Hun eerste taak is om in het duizendjarige vrederijk de volken over de hele aarde onder zijn heerschappij te brengen, zodat vrede en gerechtigheid gegarandeerd zullen zijn.

De heerlijkheid daarna

‘Op die dag zal het gebeuren dat het kostbare licht er niet zal zijn, evenmin de dikke duisternis. Maar er zal één dag zijn, die de Heer bekend zal zijn, geen dag en geen nacht. Het zal gebeuren ten tijde van de avond dat het licht blijft’ (Zacharia 14:6,7).

Wanneer volgens Jesaja 2:2 de berg van het huis van de Heer vast zal staan als de hoogste berg, wanneer dus het werk van Gods Geest tot volledige ontplooiing gekomen is, breekt een tijd van geluk aan. Dan is er geen afwisseling meer tussen dag en nacht, tussen licht en duisternis, maar er is alleen dag. Dan is er geen verstijving of winter meer, maar er heerst een heerlijk klimaat. Het is duidelijk dat ook deze beschrijving niet letterlijk kan worden verstaan, want God heeft gezegd dat ‘zolang de aarde bestaat, zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht, niet ophouden’ (Gen.8:22). Het spreekt dan vanzelf dat wij hier met beelden te maken hebben. Licht is het beeld van het leven. Johannes zegt: ‘Het leven was het licht van de mensen’ (Joh.1:4). De nacht is het beeld van levenloosheid, van dood. Daarom wordt er in Openbaring 21:25 gezegd: ‘Daar zal geen nacht zijn’.

Zacharia voorspelt dus een tijd dat het leven zal triomferen, dat er alleen dag zal zijn voor het volk van God. Er zal geen afwisseling meer zijn tussen dagen van ongestoord leven en dagen van verdrukking en benauwdheid, zoals ook in Jesaja 60:20 staat: ‘Uw zon zal niet meer ondergaan en uw maan zal zijn licht niet intrekken, want de Heer zal voor u tot een eeuwig licht zijn en aan de dagen van uw rouw zal een einde komen’. Ook zal er geen afwisseling meer zijn van ‘kostelijk licht’ en ‘verstijving’, dus bij het Israël van God zullen de perioden van leven en dorheid niet meer elkaar opvolgen. Door de overwinnende kracht van de Heilige Geest zullen voor het geestelijke Israël alle dagen zijn als één dag: vol leven en licht. De tijd waarin dit alles geopenbaard zal worden, is in de hand van God. Jezus sprak over ‘de tijden en gelegenheden, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft’ (Hand.1:7). Maar zeker is dat deze lichtperiode valt in de avond van de wereldgeschiedenis: ‘Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken en donkere wolken de volken, maar over u zal de Heer opgaan en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden’ (Jes.60:2).

Wanneer de overwinnende legermachten van het Woord van God de antichrist en zijn gemeente vernietigd hebben, kan het vrederijk ingaan waarover de volgende verzen van de profeet Zacharia spreken. Wij merken op dat alleen de gemeente van Jezus Christus de draagster is van alle zegeningen die over de aarde komen. De zuchtende schepping waarvan Romeinen 8:19 spreekt, ziet niet uit naar een herstel van het natuurlijke volk Israël als verlossingsorgaan, maar zij verlangt naar het openbaar worden van Gods zonen. Alleen de gemeente heeft de opdracht van haar Heer ontvangen om het evangelie te verkondigen aan de hele schepping (Marc.16:15). Zij is en blijft het middel in Gods hand om aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten en dus ook op aarde, de veelkleurige wijsheid van God bekend te maken (Ef.3:10).