Graftuin en Golgotha

‘Heilige’ plaatsen?

Het is tegenwoordig mode om bij een bezoek aan Jeruzalem ook de zogenaamde graftuin te bezichtigen. Deze bevindt zich ten noorden van de Damascuspoort tussen de Jerichostraat en de Nabloesstraat in. De sfeer van deze tuin is liefelijk en schoon, terwijl de eenvoud van het daarin gelegen graf zich aanpast bij het vrome kerkvolk dat wars is van het pompeuze en van de overdaad, die zo stuitend zijn bij alle andere ‘heilige’ plaatsen. Te midden van de chaotische verscheidenheid van kapellen, graftomben, basilieken en moskeeën, is de graftuin een ideale plaats van rust voor de vermoeide, Bijbelgetrouwe toerist. De vriendelijke gids die ik daar destijds ontmoette, was een lid van de vergadering van gelovigen. Hij paste met zijn visie heel goed in deze rustieke omgeving. Bij zijn orgeltje zingt men dan enige bekende Sankeyliederen die volkomen harmonieerden met de stille tuin en met de voorstellingen die wij als kind hadden van de hof van Jozef van Arimathéa. De bekende Engelse schrijver Rider Haggard getuigde van dit vredige oord:

  • ‘Wanneer ik hier sta, wordt mijn hart week. De verbeelding wordt geprikkeld en men kan zeggen: in zo’n plaats en bij zo’n graf moest de duisternis wel voor het licht wijken en kan men een gedaante verwachten ‘als een bliksem’ en met een kleding ‘wit als sneeuw’.

Hoofdschedelplaats

Op de achtergrond van de graftuin ligt de heuvel die men houdt voor Golgotha. Deze vertoont, als gevolg van de aanwezigheid van enkele steengroeven en van in het oog lopende grotten, bij wat fantasie enige gelijkenis met een doodskop, een ‘hoofd’-schedel’. Generaal Gordon, wiens naam door zijn onderzoekingen met de graf tuin en met ‘Golgotha’ verbonden is, zag in het oude Jeruzalem de vorm van een skelet, dat op zijn zij ligt, met als voeten de vijver van Siloa en met de islamitische rotskoepel, dus vroeger de tempel, als zitvlak, terwijl het hoofd dan precies op een van de heuvels van Bezétha, buiten de muur, reikte. Deze beroemde Engelse bevelhebber van Jeruzalem had verder niets meer nodig om tot de veronderstelling te komen dat daar de Calvarieberg lag. Hij kwam tot de uitspraak dat in de onmiddellijke omgeving ervan het graf van Jezus en de kerk, die tot zijn gedachtenis door keizer Constantijn was gebouwd, te vinden zou zijn. Vertelde de Joodse traditie niet dat Adam op deze heuvel gestorven was? Een goed aanknopingspunt om te aanvaarden dat hier ook de laatste Adam de geest op aarde had gegeven. Als basis van deze gedachte beriep men zich dan als christen op de uitspraken van Paulus in 1 Corinthiërs 15:21 en 45 zoals:

  • ‘Zoals de dood er is gekomen door een mens, zo is ook de opstanding uit de dood er gekomen door een mens. Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend worden gemaakt. De eerste mens, Adam, werd een levende ziel, maar de laatste Adam werd een levendmakende geest.’ ‘De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel.’

Deze heuvel was de plaats waar in oudtestamentische dagen de godslasteraars werden gestenigd en men noemt haar nu nog ‘de plaats van de steniging’. Men beweert dat ook Stéfanus hier gedood werd en men oppert dan de gedachte dat Jezus wegens godslasteringen ter dood veroordeeld werd, maar dat men de methode van executie door steniging veranderde in die door kruisiging.

Wat zeggen de archeologen?

Het is echter jammer voor de deelnemers aan ‘profetische reizen’ en voor de pinksterpelgrims, dat geen enkele oudheidkundige de historische betrouwbaarheid van deze graftuin en dit Golgotha accepteert. De wereldberoemde Franse archeoloog, Prof. André Parrot schrijft in delen van zijn serie ‘Bijbel en archeologie’ over ‘Golgotha en het heilige graf’ onder meer:

  • ‘Wat echter wel, zonder enige aarzeling, moet worden afgewezen, dat is ‘Gordon Calvary’ en de ‘Garden Tomb’ die met deze in verband wordt gebracht.’

Omdat velen zich aan deze waanvoorstelling hebben overgegeven, is het niet overbodig om hier met de grootste nadruk te verklaren, dat de bewijzen die wel zijn aangevoerd om deze nieuwe heilige plaats te sanctioneren – of dit te pogen – slechts op drijfzand rusten en dat ze in de archeologie niet de geringste steun vinden. Door de archeologie worden zij juist genadeloos veroordeeld:

  • ‘Zelfs de anglicaanse geestelijkheid heeft er een ogenblik achter gestaan en zo werd het terrein van Gordon’s Tomb aangekocht. Het heette voortaan Garden’s Tomb (graftuin), maar tot hun eer moet gezegd worden dat de vertegenwoordigers van de Engelse Kerk in Jeruzalem zich dadelijk en voor goed uit deze onverkwikkelijke zaak terugtrokken, toen zij merkten het slachtoffer van bedrog en oplichting te zijn geworden. Het ‘tuingraf’ hield op heilige plaats te zijn en was alleen nog maar een bezienswaardigheid geworden.’

André Parrot merkt dan nog op:

  • ‘Wie moeten wij geloven? De archeologen of deze lieden van goede wil, die de graftuin onderhouden en exploiteren? Deze laatsten leek het heilige graf (dat officieel erkend wordt en waarboven een kerk gebouwd werd) dikwijls een onmogelijkheid, niet zozeer omdat dit midden in de stad zou zijn, dàn wel vanwege de ongebreidelde wedijver tussen de verschillende godsdienstige richtingen (die elk een stuk van deze kerk bezitten). Het valt te begrijpen dat dit eeuwige gedrang rond de altaren voor fijnbesnaarde zielen tenslotte ondraaglijk is geworden en dat oprechte mensen zich in dit bedevaartsoord, uit deze kwalijke sfeer hebben willen losmaken en een stukje van de hemel, wat zuivere lucht hebben willen terugvinden (in de graftuin). Maar daar gaat het niet om. Het is zaak om een Bijbels topografisch probleem op te lossen en een nauwkeurige plaatsbepaling te geven. Dit moet zonder enig dwingend vooroordeel gebeuren en men moet er zich voor hoeden de meest strikte objectiviteit te verlaten.’

Bij al deze verwarring houd ik mij liever aan de woorden, die de twee mannen in blinkend gewaad tot de vrouwen spraken: ‘Waarom zoekt u de levende bij de doden? Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt’. Hij is bovendien naar de hemel gevaren en wij zoeken Hem nu niet meer in een stal van Bethlehem, of in de straten van Jeruzalem, of op de landwegen buiten deze stad, of in het graf, maar:

  • ‘Wij zien Jezus met eer en heerlijkheid gekroond aan de rechterhand van de Vader op de troon van zijn heerlijkheid’ (Hebr.2:9).