- ‘En wat mijzelf betreft, broers en zusters, als ik nog altijd de besnijdenis zou brengen, waarom word ik dan vervolgd? Dan is immers de ergernis van het kruis vernietigd. Lieten zij die u opruien, zich maar afsnijden!’ (Galaten 5:11,12; verg. 1 Cor.1:23).
Er zijn twee religieuze kenmerken die in het Nieuwe Testament het orthodoxe, Joodse leven beheersten – en nog steeds heersen: het houden van de sabbat en het voorschrift van de besnijdenis. Jezus deed veel goede werken, maar Hij kon niet voldoen aan de eisen van de fanatieke rechtzinnigen, want hun oordeel luidde: ‘Deze mens komt niet van God, want Hij houdt de sabbat niet’ (Joh.9:16). In Johannes 7:14-24 wijst Jezus tijdens een felle discussie de Joden erop, dat ook zij de sabbat schonden, omdat zij graag bij jongetjes de voorhuid onverdoofd afsneden. Wanneer een kind op sabbat geboren was, voltrok men het afsnijden van de voorhuid naar het voorschrift op de achtste dag, dus ook op de sabbat.
Wanneer een vader vroeger zijn zoon besneed, was dit een opgave voor hem. Tegenwoordig laat men dit werk over aan een arts of aan een ‘moheel’, een jood die daarvoor een speciale opleiding heeft ontvangen. Met de besnijdenis werd een kind opgenomen in het verbond. Op dat moment traden voor hem de talloze wetten en voorschriften in werking die het Joodse leven accentueren. In dit verband schreef de apostel: ‘En wat mijzelf betreft, broers en zusters, als ik nog altijd de besnijdenis zou brengen, waarom word ik dan vervolgd?’ (Gal.5:11). De besnijdenis was de samenvattende uitdrukking geworden van het hele wettische stelsel in leer- en levenspraktijk.
Voor Mozes was de besnijdenis niet relevant
Gezien de waarde die de Joden aan de besnijdenis hechten (en vandaag ook de kerken met hun verzonnen doopformulier!) is het opmerkelijk dat Mozes maar eenmaal de natuurlijke besnijdenis in de wet noemt en wel in Leviticus 12:3. Jezus wees hierop, toen Hij in de discussie opmerkte:
- ‘Mozes heeft u de besnijdenis gegeven – niet dat zij van Mozes komt, maar van de voorvaders – en u besnijdt een mens op sabbat’ (Joh.7:22).
Codex Hammurabi
De voorvaders, onder wie Abraham, ontvingen een ‘goddelijke opdracht’ (mogelijk via de wetten van Hammurabi) om hun zonen op de achtste dag te besnijden, maar zij bezaten geen wet die hun verbood op sabbat enig werk te doen (Gen.17:12). Ook voor Mozes was het probleem van een besnijdenis op sabbat niet relevant, want ‘al het volk dat geboren was in de woestijn onderweg na de uittocht uit Egypte, had men niet besneden’ (Joz.5:5).
Het is verder merkwaardig dat op die ene plaats in Leviticus 12:1-8 de besnijdenis slechts terloops wordt genoemd. Het gaat daar over de reiniging van de vrouw na de geboorte van een kind. Er staat:
- ‘Wanneer een vrouw moeder wordt en een kind van het mannelijk geslacht baart, zal zij zeven dagen onrein zijn, als in de tijd van haar maandelijkse afzondering zal zij onrein zijn. En op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden. Drie en dertig dagen zal zij blijven in het reinigingsbloed’.
De moeder is dus veertig dagen, ongeveer zes weken, kraamvrouw. In de eerste zeven dagen werd echter ieder die haar aanraakte ‘cultisch onrein’ (sic). De baby was dit uiteraard ook en mocht dus in die tijd niet besneden worden. Op de achtste dag was het jongetje niet meer ‘onrein’ en kon de voorhuid afgesneden worden. De overige drie en dertig dagen mocht de vrouw nog niet het heiligdom binnengaan, maar wie haar aanraakte, werd niet onrein verklaard. Mozes heeft in zijn wet de besnijdenis slechts eenmaal genoemd. In Exodus 4:24-26 lezen we zelfs dat hij in eigen gezin, zijn zonen niet besneed. Blijkbaar met tegenzin heeft toen zijn vrouw deze handeling gedaan….
Het vieren van het Pascha, dat een gezinsfeest was, werd bij de uittocht in verband gebracht met de besnijdenis. Een onbesnedene mocht er niet van eten. In de woestijn kon echter het Pascha niet op de goede manier worden gevierd, omdat men daar veertig jaar op het manna aangewezen was en er geen sprake was van een oud zuurdeeg of van ongezuurd brood. Tijdens de woestijnreis was dus het volk Israël veertig jaar verstoken van de besnijdenis en van het Paasfeest. Een geestelijk mens ziet hier de nutteloosheid al van in. Het afsnijden van een lichaamsdeel als aangepraat ritueel en cultus. In wiens opdracht dan wel? De vraag stellen is hem beantwoorden!
De besnijdenis van het hart
Heel duidelijk wees Mozes echter op de geestelijke besnijdenis, die van het hart. In Deuteronomium 10:16 en 30:6 zei hij tot het volk: ‘Besnijdt dan de voorhuid van uw hart en wees niet meer hardnekkig’. Het volk moet ‘gerechtigheid en recht doen’, ‘weduwen en wezen recht doen en de vreemdeling niet afwijzen’ door hem brood en kleding te geven. Zij waren immers zelf ook vreemdelingen geweest in Egypte.
- ‘De Heer, uw God, zal uw hart en het hart van uw nakomelingen besnijden, zodat u de Heer, uw God, liefhebt met heel uw hart en met heel uw ziel, zodat u leeft’. Mozes voegt er nog aan toe: ‘De Heer is uw lof’.
De volwassendoop IN water (en geen druppeltjes op een baby) als beeld van de besnijdenis van het hart
De betekenis van de besnijdenis van het hart komt overeen met die van het vasten. Jesaja zei hiervan:
- ‘Is dit niet het vasten dat ik verkies: misdadige ketens losmaken, de banden van het juk ontbinden, de verdrukten bevrijden en ieder juk breken?’ (Jes.58:6).
Als christenen zijn wij navolgers van Jezus in diens gedachten en woorden. Van Hem had Mozes geprofeteerd:
- ‘Een profeet uit uw midden, uit uw broers zoals ik ben, zal de Heer, uw God, u verwekken; naar Hem zult u luisteren’ (Deut.18:15).
Jezus wees de Joden op hun inconsequente houding ten opzichte van de sabbat. Het sabbatsgebod staat immers in de decaloog (tien geboden) en er was niets dat bij de joden de heiligheid van deze wet evenaarde. Zij was immers door engelen in de handen van de bemiddelaar Mozes gegeven? Toch lieten de joden het gebod aan Abraham die zonder wet leefde, prevaleren en sneden zij op sabbat een kind zijn voorhuid af. Waarom viel men dan over het feit dat Jezus op een sabbat ‘een heel mens gezond gemaakt had’? Men keurde het sterk af, ook omdat Hij op het vorige feest een man, die in Bethesda acht en dertig jaar verlamd had gelegen, op sabbat volledig zowel naar zijn natuurlijk als zijn geestelijk lichaam had genezen. Jezus had hem bevrijd van ziekte- en zondemachten. Daarom kon Hij tot hem zeggen:
- ‘Zondig niet meer, zodat u niet iets ergers overkomt’ en de boze geest, vergezeld van veel sterkere geesten, terugkeert (Joh.5:14; Matth.12:45).
Men heeft wel eens gemeend, dat de vleselijke besnijdenis een hygiënisch nut zou hebben, maar dan zou de mens niet ‘zeer goed’ zijn geschapen en zou dan al vroeg een ingreep nodig zijn. Alleen de besnijdenis van het hart waarvan Mozes sprak, maakt daarom een mens gezond.
De ‘ware besnijdenis’
De totale genezing van de chronische zieke in Bethesda was een gevolg van een geestelijke besnijdenis, van een handeling in de onzienlijke wereld. Bij de invalide man hadden demonen van zonde en ziekte, met hun onzichtbaar lichaam, zich aan zijn geestelijk lichaam gehecht. Deze geesten hadden hun eigen zonde en ellende op hem gelegd. Jezus had het mes van de Woorden van God gebruikt, zoals er staat: ‘Hij zond zijn woord en genas hen’ (Ps.107:20). ‘Hij dreef de demonen uit met de Woorden van God’ (Matth.8:16). Het Woord van God was als een levend, krachtig en scherp zwaard of mes geweest. Hij had het lichaam van de demonen gescheiden van de inwendige mens. Dit was ‘de ware besnijdenis’, waarbij iemand in het nieuwe verbond als opnieuw geboren mens zou kunnen functioneren. De apostel schreef later:
- ‘Besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is’ (Gal.6:15).
De mens ervaart zijn bevrijding als een opluchting. Hij voelt zich een ander mens. Hiervan profeteerde Zacharias:
- ‘Dat Hij ons zou geven, zonder vrees, uit de hand van de vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen’ (Lucas 1:74,75).
Wie bevrijd is, kan God loven en prijzen. Hij kan opspringen van vreugde net als de verlamde bij de tempelpoort, van wie staat dat hij, na zijn wonderbare genezing, ‘met hen de tempel binnenging, lopend en springend en God lovend’ (Hand.3:8). Springen en huppelen beelden uit dat de mens zich in de geestelijke wereld wil verheffen. Satans demonen remmen het vermogen om God te loven en te prijzen af en beletten de mens zijn hart te verheffen tot God. Op de hoge weg zijn echter de verlosten of besnedenen van hart, die vreugdevol voort wandelen.
Doop en besnijdenis
Paulus had een scherpe kijk op de woorden die Jezus tot de Joden over de besnijdenis sprak. In Colossenzen 2:11 schreef hij aan de gelovigen:
- ‘In Hem bent u ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus, omdat u met Hem begraven bent in de doop (IN water)’.
De besnijdenis van Christus is niet de handeling die Hijzelf op de achtste dag onderging, maar zij ziet op zijn verlossend en bevrijdend werk bij het verwijderen van het onzichtbare lichaam van de demonen, die zich aan de innerlijke mens hebben gehecht. De apostel spreekt hierover het lichaam van het vlees, dat is het lichaam met de demon die begeert in en door het vlees van de mens te leven, dat is functioneren en zich ontwikkelen, met als doel, de mens verder in de dood te brengen.
Is de doop nu in de plaats van de besnijdenis gekomen, zoals de Catechismus (zondag 27 vraag 74) en de Geloofsbelijdenis (art.34) leren? Het antwoord is, dat de natuurlijke besnijdenis een beeld is van de geestelijke. Een jongetje werd niet tijdens zijn geboorte besneden, maar later, op de achtste dag. De doop is het bad van de nieuwe geboorte. Deze geboorte wordt later ook gevolgd door de geestelijke besnijdenis van het hart. De doop is ‘een gebed van een goed geweten tot God’, want de volwassen (en geen baby) dopeling weet zich gereinigd van zijn zondeschuld (1 Petr.3:21). Dit sluit een babybesprenkeling uit. Het gebed richt zich op het ontvangen van de verdere beloften: de volheid van Gods Geest en de verlossing uit de hand van al de vijanden, de boze geesten. Doop en besnijdenis zijn voor kinderen van God dus twee verschillende zaken.
Besnijdenis betekent verlossing
Bij de besnijdenis van Christus is het onzichtbare lichaam van satans demonen weggedaan. In Romeinen 7 vertelt de apostel over zijn leven onder de wet aan hen ‘die de wet kennen’, dus die zijn strijd konden begrijpen. Hij toont daar aan dat de wet hem niet tot een vrij mens had kunnen maken, hoewel hij het goede wilde doen. Hij eindigt zijn betoog dan met de uitroep: ‘Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen ‘uit’ het lichaam van deze dood?’ De ‘King James bijbel’ heeft ‘van’ het lichaam van deze dood’ en de kanttekenaars van de Statenvertaling wijzen erop, dat ook vertaald kan worden ‘het lichaam ‘van’ de dood’. Wij lezen dan: ‘wie zal mij verlossen van het lichaam van de dood.’
Wanneer demonen van zonde en ziekte zich met de mens verbinden, voeren zij deze naar de dood. De boze geesten vormen de last, die de mens besmet, deformeert en naar de dood voert. Dood hemzelf (directeur dodengevangenis) wacht als heerser af, totdat de mens zijn gevangenis binnenkomt. Er is dan een bovennatuurlijke besnijdenis nodig om hem te scheiden van lichaam van de dood en hem te verlossen. Het blijde antwoord op de trieste exclamatie van ex-farizeeër Saulus van Tarsus luidt:
- ‘Ik dank God door Jezus Christus, onze Heer’ en wel door diens besnijdenis. De wet van de Geest van het leven had Paulus vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood (Rom.8:2).
Had Mozes niet gezegd: ‘Zodat u leeft’? Paulus hoefde niet meer te zondigen. Hij kon als ‘meer dan overwinnaar’ zeggen: ‘Wat ik wens, het goede, dat doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik niet. Ik gelukkig mens!’ Toch beweerde de apostel niet dat bij hem alles volkomen rond lag. Hij jaagde er immers naar, of hij het grijpen mocht (Fil.3:12). Hij schreef ook:
- ‘Maar ook wijzelf, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij ons zelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam’ (Rom.8:23).
Op de pinksterdag was het spreken in andere talen de eerste uiting van Gods Geest en zo is het nu nog bij veel opnieuw geboren christenen die Gods Geest ontvangen zoals in het begin. De verlossing kan pas volledig gerealiseerd worden na de doop met Gods Geest. De verlossing van ons lichaam wijst op de bevrijding van ons geestelijk lichaam door de besnijdenis van Christus. Op de vraag hoe wij het zoonschap kunnen bereiken, is het antwoord:
- ‘De Geest helpt ons in onze zwakheid; wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen, maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten. God, die ons doorgrondt, weet wat de Geest wil zeggen. Hij weet dat de Geest volgens zijn wil pleit voor allen die hem toebehoren’ (Rom.8:26,27).
Vertrouw op de hulp en de kracht van Gods Geest. Laat Gods Geest op deze manier voor je optreden met onuitsprekelijke verzuchtingen, die jezelf niet in staat bent te verwoorden. De Geest drukt zijn verlangen in je uit om in een gave, vrije christen, in een zoon van God de grote werken van God te openbaren.
De rechtzinnige Joden waren boos op Jezus omdat Hij op sabbat een heel mens gezond had gemaakt. Onze Heer is nu in de hemel en Hij is dezelfde als toen. Worden wij geïrriteerd als Hij ook nu ons geheel gezond wil maken? Waarom wijzen dan zoveel christelijke letterknechten deze boodschap van een algeheel herstel door Jezus Christus, van de hand? Zij zeggen toch dat ze de hele Bijbel van kaft tot kaft geloven? Zelfs de kaft!
Waar wij in onze tijd de late regen ontvangen en kennis kregen in de leer van het Koninkrijk van de hemelen, bereiden wij ons voor op het tijdperk van de terugkomst van de Heer. De ware besnijdenis voegt ons bij het geestelijk Israël en maakt ons tot een apart volk in de hemelse gewesten. Aan ons wordt vervuld:
- ‘Mag de God van vrede zelf u heiligen heel en al; dat uw geest, uw ziel en uw lichaam ongerept bewaard en onberispelijk blijven tot de komst van Jezus Christus, onze Heer. Hij die u roept, is ook trouw; Hij zal het ook ten uitvoer brengen’ (1 Thess.5:23,24 Can. Vert.).




