Allereerst de ex-farizeeër Paulus aan het woord

Tel Aviv – Israël

Wie zich in de toekomst van Israël wil verdiepen zal zich niet alleen op de profetieën uit het Oude testament of de Openbaring van Johannes moeten werpen, maar eerst een gedegen studie van de Paulinische opvattingen over dit onderwerp moeten maken. Paulus, de ex-farizeeër, was immers een uitverkoren werktuig en apostel van de Heer Jezus (Hand.9:15). Waarom specifiek Paulus? Omdat hij doorkneed was in de schriften en deze kon transponeren naar de geestelijke werkelijkheid van vandaag en de toekomst. Met zijn ‘gezichten en openbaringen van de Heer’ zal men pas in staat zijn al de profetieën zinvol te interpreteren. Dit laatste willen we nu maar eens doen. Ook is het zinvol voor diegene die alles uit het oude testament letterlijk lezen en dit voor werkelijkheid alleen op aarde aannemen, de Galatenbrief van Paulus te lezen. Daarin wordt de allereerste strijd beschreven tussen de Israëlaanhangers naar het vlees en hen die naar Gods Geest willen leven. We laten Paulus meteen aan het woord:

Het nationale Israël

  • ‘Bij het zien van de mensenmenigte werden de Joodse leiders jaloers en begonnen ze de woorden van Paulus op godslasterlijke wijze verdacht te maken. Maar Paulus en Barnabas zeiden onomwonden: De boodschap van God moest het eerst onder u worden bekendgemaakt, maar aangezien u die afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig acht, zullen we ons tot de heidenen wenden’ (Hand.13:45,46).
  • ‘Want niet alle Israëlieten horen werkelijk bij Israël, niet alle nakomelingen van Abraham zijn ook werkelijk zijn kinderen. Er staat immers geschreven: ‘Alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht.’ Dat wil zeggen: ze zijn niet door hun natuurlijke afstamming kinderen van God, maar gelden als nageslacht van Abraham op grond van Gods belofte’ (Rom.9:6-8).
  • ‘Het is u vergaan, broeders en zusters, als Gods gemeenten in Judéa die Christus Jezus toebehoren. U hebt even zwaar onder uw stadsgenoten geleden als zij onder de Joden. Die hebben de Heer Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd. Ze doen God verdriet en zijn alle mensen vijandig gezind, omdat ze ons beletten andere volken bekend te maken hoe ze kunnen worden gered. De maat van hun zonden raakt nu vol, en Gods veroordeling is ten volle over hen gekomen’ (1 Thess.2:14-16).
  • ‘Pas op voor die honden met hun kwalijke praktijken, pas op voor die versnijdenis van ze! Wij zijn het die besneden zijn, wij verrichten onze dienst door de Geest van God en laten ons voorstaan op Christus Jezus, niet op onszelf’ (Fil.3:2,3).
  • ‘Jood is men niet door zijn uiterlijk en de besnijdenis is geen lichamelijke besnijdenis. Jood is men door zijn innerlijk en de besnijdenis is een innerlijke besnijdenis. Het is het werk van de Geest, niet een voorschrift uit de wet, dus wie innerlijk een Jood is, ontvangt geen lof van mensen maar van God’ (Romeinen 2:28,29a).

Het geestelijke Israël

  • ‘Jood is men door zijn innerlijk en de besnijdenis is een innerlijke besnijdenis. Het is het werk van de Geest, niet een voorschrift uit de wet’ (Rom.2:29).
  • ‘Bedenk daarom dat u – u die eigenlijk door uw afkomst heidenen bent en onbesnedenen genoemd wordt door hen die door mensenhanden besneden zijn – bedenk dat u destijds niet verbonden was met Christus, geen deel had aan het burgerschap van Israël en niet betrokken was bij de verbondssluitingen en de beloften die daarbij hoorden. U leefde in een wereld zonder hoop en zonder God. Maar nu bent u, die eens ver weg was, in Christus Jezus dichtbij gekomen, door zijn bloed. Want Hij is onze vrede, Hij die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap ertussen heeft afgebroken en de wet met zijn geboden en voorschriften buiten werking heeft gesteld, om uit die twee in zichzelf één nieuwe mens te scheppen. Zo bracht Hij vrede en verzoende hij door het kruis beide in één lichaam met God, door in zijn lichaam de vijandschap te doden’ (Ef.2:11-16).
  • ‘de heidenen delen door Christus Jezus ook in de erfenis, maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan de belofte, op grond van het evangelie’ (Ef.3:6).
  • ‘U ziet dus dat zij die geloven kinderen van Abraham zijn. Nu heeft de Schrift voorzien dat God ook andere volken door geloof zou aannemen en daarom aan Abraham verkondigd: ‘In jou zullen alle volken gezegend worden.’ En dus wordt iedereen die gelooft samen met Abraham, de gelovige, gezegend’ (Gal.3:7-9) ‘en voor het Israël van God’ (Gal.6:16).

Israël genoot bepaalde voorrechten

  • En u die uzelf een Jood noemt, op de wet vertrouwt en u op God laat voorstaan; u die zijn wil kent en zo uitstekend weet waar het op aankomt, omdat u wordt onderwezen door de wet’ (Rom.2:17,18).
  • ‘Wat hebben de Joden dan nog voor op anderen? Heeft het enig nut dat men besneden is? Zeer zeker en in ieder opzicht. In de eerste plaats zijn het de Joden aan wie God zijn woord heeft toevertrouwd’ (Rom.3:1,2).
  • ‘Omwille van hen, de Israëlieten, die God als zijn kinderen heeft aangenomen en aan wie hij zijn nabijheid, de verbonden, de wet, de tempeldienst en de beloften heeft geschonken; omwille van het volk dat van de aartsvaders afstamt en waaruit Christus is voortgekomen. God, die boven alles verheven is, zij geprezen tot in eeuwigheid! Amen’ (Rom.9:4,5).

Maar Israël verbrak het verbond

  • ‘Maar Israël, dat ernaar streefde door de wet rechtvaardig te worden, heeft dat niet bereikt. Wat is daarvan de oorzaak? Ze handelden alsof het van hun daden afhing en niet van geloof. Ze zijn over de steen gestruikeld waarover geschreven staat: ‘In Sion leg ik een steen neer waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot. Maar wie in Hem gelooft, komt niet bedrogen uit’ (Rom.9:31-33).
  • ‘Omdat ze Gods gerechtigheid niet kennen, proberen ze hun eigen gerechtigheid te laten gelden en verlaten ze zich niet op Gods vrijspraak. De wet vindt zijn doel in Christus, zodat iedereen die gelooft rechtvaardig zal worden verklaard’ (Rom.10:3,4).

Golgotha haalde de scheidsmuur tussen Jood en heiden neer

  • ‘Nu heeft de Schrift voorzien dat God ook andere volken door geloof zou aannemen en daarom aan Abraham verkondigd: ‘In jou zullen alle volken gezegend worden.’ En dus wordt iedereen die gelooft samen met Abraham, de gelovige, gezegend’ (Gal.3:8,9).
  • ‘want door het geloof en in Christus Jezus bent u allen kinderen van God. U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed. Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus. En omdat u Christus toebehoort, bent u nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte’ (Gal.3:26-29).
  • ‘Maar nu bent u, die eens ver weg was, in Christus Jezus dichtbij gekomen, door zijn bloed. Want hij is onze vrede, hij die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap ertussen heeft afgebroken en de wet met zijn geboden en voorschriften buiten werking heeft gesteld, om uit die twee in zichzelf één nieuwe mens te scheppen’ (Ef.2:13-15).
  • ‘Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen en huisgenoten van God’ (Ef.2:19).
  • ‘Nu gaf God zijn beloften aan Abraham en zijn nakomeling. Let wel, er staat niet ‘nakomelingen’, alsof het velen betreft, maar het gaat om één: ‘je nakomeling’ en die nakomeling is Christus’ (Gal.3:16).
  • ‘Dan is er geen sprake meer van Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skythen, slaven of vrijen, maar dan is Christus alles in allen’ (Col.3:11).

Niet alle nakomelingen van Abraham worden gered, maar alleen zij die net als Abraham in Gods beloften geloven

  • ‘God heeft zijn belofte niet gebroken. Want niet alle Israëlieten behoren werkelijk tot Israël, niet alle nakomelingen van Abraham zijn ook werkelijk zijn kinderen. Er staat immers geschreven: ‘Alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als uw nageslacht.’ Dat wil zeggen: ze zijn niet door hun natuurlijke afstamming kinderen van God, maar gelden als nageslacht van Abraham op grond van Gods belofte’ (Rom.9:6-8).
  • ‘Van Abraham wordt gezegd: ‘Hij vertrouwde op God en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend … U ziet dus dat zij die geloven, kinderen van Abraham zijn’ (Gal.3:6,7).
  • ‘Vertelt u eens, u wilt u onderwerpen aan de wet, maar luistert u wel naar de wet? Er staat geschreven dat Abraham twee zonen had: een van zijn slavin en een van zijn vrijgeboren vrouw. De zoon van de slavin dankte zijn geboorte aan de loop van de natuur, maar die van de vrijgeboren vrouw aan de belofte. Dit is een beeld: de vrouwen staan voor twee verbonden. Hagar staat voor het verbond van de berg Sinaï in Arabië, dat slaven baart. Als beeld van dat verbond belichaamt Hagar het huidige Jeruzalem, dat met zijn kinderen in slavernij leeft. Maar het hemelse Jeruzalem is vrij, en dat is onze moeder’ (Gal.4:21-26).
  • ‘En u, broeders en zusters, bent net als Izaäk, kinderen van de belofte. Maar zoals de zoon die krachtens de natuur geboren werd de zoon vervolgde die krachtens de Geest geboren werd, zo worden nu ook wij vervolgd. Maar wat zegt de Schrift? ‘Jaag de slavin en haar zoon weg, want de zoon van de vrijgeboren vrouw mag niet de erfenis delen met de zoon van de slavin.’ Daarom dus, broeders en zusters, zijn wij geen kinderen van de slavin, maar van de vrijgeboren vrouw’ (Gal.4:28-31).

De heidenen waren volgens de profeten in Gods oorspronkelijke plan opgenomen

  • ‘Maar de belofte had alles te maken met vertrouwen omdat ze een gave van God moest zijn, want alleen zo kon ze voor heel het nageslacht blijven gelden. Niet alleen voor wie de wet heeft, maar ook voor wie op God vertrouwt zoals Abraham, die de vader van ons allen is. Er staat immers geschreven: ‘Ik heb je een vader van veel volken gemaakt’ (Rom.4:16,17).
  • ‘De besnijdenis ontving hij later als een bezegeling en teken dat hij als onbesnedene rechtvaardig was omdat hij op God vertrouwde. Zo werd hij de vader van alle onbesnedenen die geloven, zodat ook zij als rechtvaardigen konden worden aangenomen. En hij werd ook de vader van hen die besneden zijn, althans van hen die zich niet alleen hebben laten besnijden maar ook onze vader Abraham volgen in het geloof dat hij als onbesnedene bezat’ (Rom.4:11,12).
  • ‘Hen heeft hij ook geroepen: ons, die niet alleen uit het Joodse volk afkomstig zijn, maar uit alle volken, zoals ook bij Hoséa staat geschreven: ‘Wat mijn volk niet was, zal ik mijn volk noemen; wie mijn geliefde niet was, zal ik mijn geliefde noemen’ (Rom.9:24,25).
  • ‘Zo zouden door hem alle volken delen in de zegen van Abraham en zouden wij, zoals ons is beloofd, door het geloof de Geest ontvangen’ (Gal.3:14).
  • ‘Gods gerechtigheid, waarvan de Wet en de Profeten al getuigen, wordt nu ook buiten de wet zichtbaar: God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven. En er is geen onderscheid. Iedereen (bedoeld: Joden en heidenen), heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God’ (Rom.3:21-23).

Gods beloften worden niet aan het Joodse volk in zijn totaliteit, maar aan het gelovige overblijfsel vervuld

  • ‘Wanneer sommigen van hen God ontrouw zijn geworden, zal dat dan geen einde maken aan Gods trouw? Natuurlijk niet. Ieder mens is onbetrouwbaar, maar God is betrouwbaar’ (Rom.3:3,4).
  • ‘En Jesaja roept over Israël uit: ‘Al zou het volk van Israël zo talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, slechts een klein deel zal worden gered. Want de Heer zal zijn woord op aarde gestand doen, onvoorwaardelijk en onverkort.’ En zoals Jesaja al heeft gezegd: ‘Had de Heer van de hemelse machten ons geen nageslacht gelaten, het zou ons zijn vergaan als Sodom en Gomorra’ (Rom.9:27-29).
  • ‘Zo is ook nu een klein deel over dat God uit genade uitgekozen heeft’ (Rom.11:5).

Paulus’ conclusies:

Voor God heeft het natuurlijke zaad van Abraham, voor zover het Jezus verwerpt, afgedaan. Het gaat Hem om ‘de besnijdenis van het hart en niet die van het vlees’. Wet, besnijdenis en nationaal Israël waren slechts schaduwen. De werkelijkheid is Christus en zijn gemeente (vergelijk Efeziërs 1:22,23). Bij God is geen voor-aanneming van personen. Sinds Golgotha worden Joden en heidenen als gelijken behandeld. Allen zijn zondaars en kunnen in Christus behouden worden. God eist daartoe zowel van Jood als van heiden geloof. Vergelijk Romeinen 3:9-11; 3:29,30 en 10:12,13. Dit is altijd Gods plan geweest. Er bestaat geen bijzonder plan met het natuurlijke Israël dat God voorlopig opgegeven zou hebben, om na het tijdperk van de gemeente de draad weer op te nemen. God heeft vanaf het begin met slechts één zaad van Abraham gerekend: de ware gelovigen. Gods plan met de gelovige heidenen is niet iets volkomen nieuws, maar een verdere uitwerking van zijn oorspronkelijke voornemens.’

Een veel omstreden Paulinische uitspraak:

  • ‘Er is, broeders en zusters, een goddelijk geheim dat ik u niet wil onthouden, omdat ik wil voorkomen dat u op uw eigen inzicht afgaat. Slechts een deel van Israël werd onbuigzaam en dat alleen tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden. Dan zal heel Israël worden gered’ (Rom.11:25,26).

Een juiste interpretatie van dit vers is slechts mogelijk in het licht van het geheel van Paulus’ opvattingen zoals we die hierboven noemden. Dit ligt voor de hand. Waar Paulus ondubbelzinnige uitspraken gedaan heeft over de verhouding tussen Israël en de gemeente, zullen we deze als uitgangspunt voor de uitlegging van dit vers moeten nemen. We zullen Schrift met Schrift moeten vergelijken en wel zo, dat we onduidelijke teksten aan de hand van duidelijke verklaren. En niet andersom. Paulus blijkt dan dit te bedoelen: het overgrote deel van de Joden heeft Christus verworpen. Zij zijn daarop als onvruchtbare takken van de olijfboom van het ware Israël weggekapt. Gelukkig is dit niet met alle Joden het geval. Er is een gedeeltelijke verharding over Israël gekomen; sommigen zijn ongehoorzaam geweest aan het evangelie, anderen zijn tot geloof gekomen. Dit nu zal altijd zo blijven. Tot het einde toe, tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden. Ter wille van de beloften aan de vaders gedaan, schrijft God Israël niet in zijn totaliteit af, maar geeft Hij iedere Jood individueel de mogelijkheid zich te bekeren. Er is een gelovig, Joods overblijfsel en dit zal er altijd zijn. God zal het nooit ter wille van de zonde van anderen verstoten. En zo – op deze wijze en geen andere – zal heel Israël behouden worden. Meer kunnen we van dit vers niet maken.

We willen er nog op wijzen dat deze tekst niet spreekt over een terugkeer naar Palestina, een herbouw van de tempel of over een herinvoering van Joodse rituelen. Hij spreekt er ook niet over dat de Joden na de opname in hun totaliteit tot geloof zullen komen. Tot al deze bizarre interpretaties komt men, omdat men voor ‘aldus’, dat wil zeggen: langs deze weg, eenvoudig leest: en dan (na dit tijdstip, dus nadat alle heidenen zijn toegetreden) zal heel Israël (welk?, de Joden die op dat tijdstip in leven zijn? of alle Joden van alle tijden?) behouden worden.

De verharding van Israël altijd gedeeltelijk en nooit totaal

Paulus rept er echter helemaal niet over wat er na de opname gebeuren zal. Hij spreekt slechts over wat tot aan de opname gelden zal, namelijk, dat de verharding van Israël altijd gedeeltelijk en nooit totaal zal zijn. Altijd zal er een gelovig overblijfsel zijn, waaraan God de beloften vervult, zoals dit ook voor Japanners, Brazilianen, Eskimo’s en de hele wereld geldt.