Rondom sterven en opstanding

Tijdens de Paasdagen wordt men bepaald bij het sterven en de opstanding van de Heer Jezus. Velen verdiepen zich dan alleen in datgene wat in de zichtbare wereld gebeurde. Zij blijven staan op het niveau van de leerlingen aan wie de Meester in het uur van de duisternis slechts kon zeggen, dat Hij door een mens zou worden verraden, die Hem zou overleveren aan mensen. Hij zou dan veel lijden, gekruisigd worden en op de derde dag worden opgewekt. Deze mededeling was voor de leerlingen haast onoverkomelijk om te verwerken. Geen wonder dat Jezus tot hen sprak: ‘Ik heb jullie nog veel meer te zeggen, maar jullie kunnen het nog niet verdragen. De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid’.

Wat op aarde gebeurde, was waar, maar de vólle waarheid speelde zich af in het verborgene, in de onzichtbare wereld. De leerlingen hadden nog geen inzicht genoeg in de geestelijke wereld en in het plan van God; om het mysterie van het lijden en van de opstanding te kunnen verwerken. Zij konden dit geheim van het Koninkrijk van de hemel niet dragen. Het was teveel voor hen. Wat begrepen zij trouwens van het recht van de volmaakte Mensenzoon op een plaats in de troon van God? Net als de Emmaüsgangers leefden zij in de hoop dat Jezus het volk Israël zou verlossen uit de hand van zijn natuurlijke vijanden. Wat begrepen zij van de gedachten van een rechtvaardige God, die de mensheid wilde vrijkopen uit de slavernij van de overste van deze wereld?

Om zijn volgelingen tot een woonplaats van God te maken in de hemelse sferen, sprak Jezus daarom: ‘Het is beter voor u, dat Ik ga. Want als Ik niet ga, kan de Trooster niet tot u komen’. Zij hadden van al deze dingen zo weinig begrip, dat de Heer na zijn opstanding hun ogen nog moest openen en hen veertig dagen lang moest onderwijzen in de geheimenissen van het Koninkrijk van God. Pas op de Pinksterdag begonnen zij, geïnspireerd door de Heilige Geest, de vólle waarheid rond het sterven en de opstanding van Jezus te ontvouwen. Zij toonden toen aan van welk ontzaglijk belang beide waren voor de hele mensheid.

Het belangrijkste van de verlossingsfeiten is onttrokken aan de waarneming van de natuurlijke mens. Alleen de geestelijke christen kan door zijn geloof de opstanding verstaan. Hij alleen kan de volle rijkdom ervan beleven. Voor hem gelden immers de woorden van Jezus: ‘Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal léven, ook al is hij gestorven’. Het leven van de christen is een geheimenis van het Koninkrijk van de hemelen. De werkelijkheid van zijn redding, verlossing, doop met de Heilige Geest, herstel en ontplooiing is niet waarneembaar in de zichtbare wereld. Wel ervaart hij de gevolgen van zijn nieuwe geboorte en vernieuwing vanwege zijn totaal andere opstelling in het aardse bestaan. Hij is immers ‘geheel anders’. Daarom heeft ook het sterven voor hem alle verschrikking verloren. Hij weet dat hij de dood niet zal zien en dat het dodenrijk geen macht over hem heeft. Naar de innerlijke mens leeft hij na zijn heengaan voort in vertrouwen op het woord van Christus.

Het geloof waardoor hij hier op aarde als rechtvaardige leefde, verzekert hem ook dan het eeuwige leven. Zijn geloof blijft hem eeuwig vergezellen. Wanneer bij het sterven zijn inwendige mens het lichaam verlaat, keert dit tot de aarde terug en wordt in het graf ontbonden. Daarom zullen ware christenen in een graf nooit een levende zoeken en vanuit een graf nooit iets verwachten. De ontslapene neemt in het geloof zijn intrek bij zijn Heer. Bij diens terugkomst ‘zal God ook zó hen die ontslapen zijn, door Jezus verenigen met Hem’.

Wanneer het Hoofd van de gemeente zich op aarde manifesteert, zullen ook de ontslapenen zichtbaar worden door de kracht van God. Dat een zuiver geestelijk mens zich kan openbaren ‘met vlees en beenderen’ is óók een geheimenis van het Koninkrijk van de hemelen! Nooit hoeft een christen iets op een kerkhof te zoeken, zelfs niet op de dag van de terugkomst van de Heer. De dodenakker wordt nooit een werkplaats van de Heilige Geest.

De geestelijke mens is nu bezig zich geestelijke schatten te verzamelen tot de bouw van een geestelijk huis. Door zijn goede werken weeft hij aan zijn kleed van de gerechtigheid. Bij de opstanding wordt dit gewaad zichtbaar in de natuurlijke wereld en drukt het tegelijkertijd zijn positie uit in het Koninkrijk van de hemel. In de hemelse gewesten legde de Heer Jezus in zijn sterven en opstanding het fundament van een geestelijk huis. Hij formeerde een nieuwe mensheid die naar Gods beeld en naar zijn gelijkenis herschapen is.