Metamorfose van de mens

Gedaanteverwisseling en metamorfose

In het wonderlijke levensproces van mens en dier is het een normaal verschijnsel dat er scherpe verschillen worden gezien tussen jonge en volwassen exemplaren. Een jongen heeft nog geen baard en het meisje mist de lichaamsvormen van de volwassen vrouw. De jonge leeuw heeft een zachte, wollige haarvacht met streeppatronen als die van een tijger. Toch heeft de jongen, ondanks deze veranderingen, de lichaamsbouw die vergelijkbaar is met die van een man en de welp met die van de leeuw. Deze verhouding mist men bijvoorbeeld bij de kikvors. De vorspop is een visje zonder poten en met een staart en heeft kieuwen om onder water adem te halen. Denk ook aan de insecten: de larve lijkt niet op het eigenlijke insect, de engerling die jaren onder de grond leeft, niet op een meikever en de rups niet op een vlinder.

Het Griekse woord metamorfose wijst op zo’n revolutionaire vormverandering. Een gedaanteverwisseling is dus nog niet altijd een metamorfose. Bij zijn lichamelijke ontwikkeling ondergaat de mens wel een gedaanteverandering van zuigeling naar kind, verder naar jongen, man en bejaarde, maar men spreekt daarbij niet van een metamorfose. Nu wordt in de Bijbel de aandacht van Gods volk gevestigd op een proces van een totale verandering, die de mens moet meemaken om zijn voltooiing te bereiken. In 2 Corinthe 5:17 staat immers de bekende tekst:

  • ‘Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen’.

De apostel gebruikt dan in dezelfde brief in hoofdstuk 3:18 het grondwoord metamorfose:

  • ‘Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer zien, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd’.

Hier is sprake van omzetting van morphe of vorm, die nog niet voltooid is. Zij wordt veroorzaakt door een verandering van geestelijke gesteldheid of van denken. In Romeinen 12:2 gebruikt Paulus dan ook het woord metamorfose:

  • ‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen’.

De derde keer dat dit woord in het Nieuwe Testament voorkomt, is in Mattheüs 17:2 en in Marcus 9:2, waar beschreven wordt dat onze Heer voor de ogen van zijn drie leerlingen van ‘gedaante veranderde’. Daar doelt dit woord op een omzetting van zijn aardse gestalte in een bovenaardse of hemelse. Het blinkende gewaad was hiervoor het kenmerkende.

De metamorfose van de christen

De mens is een wonderlijke schepping en in hem zijn ongekende mogelijkheden. Hij ondergaat een metamorfose van natuurlijk naar een geestelijk wezen. Zijn geest is de drager van het leven en zijn ziel heeft die eigenschappen die hem tot mens maakt. Geest en ziel vormen samen zijn geestelijk, onzichtbaar lichaam. De geest heeft twee opdrachten: het vormen en tot ontwikkeling brengen van de natuurlijke mens, want het natuurlijke is eerst en daarna komt het geestelijke aan de beurt (1 Cor.15:46).

Wij merken hierbij op dat de zienlijke of uiterlijke mens geen metamorfose kent, maar wel de onzichtbare innerlijke mens met zijn geestelijk, onsterfelijk lichaam. De uiterlijke mens heeft een natuurlijk, sterfelijk lichaam. Wij hebben dus twee lichamen:

  • ‘Want is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam’ (1 Cor.15:44).

In 2 Corinthe 5:1 zegt de apostel, dat de christen bij zijn sterven het sterfelijke lichaam, de tijdelijke tent, achterlaat. Hij bezit dan alleen nog zijn onsterfelijk lichaam, zijn eeuwig, geestelijk huis. Het natuurlijke lichaam is stoffelijk en het geestelijk lichaam van ziel en geest is onstoffelijk. Het eerste is tijdelijk en vergankelijk en het andere is eeuwig en onvergankelijk. Opgemerkt wordt, dat wij deze schat in een stenen pot hebben (2 Cor.4:7). In de eerste levensfase ontwikkelt zich het geestelijk lichaam parallel met het natuurlijk lichaam.

Hoe ouder een mens wordt, hoe meer verantwoordelijkheid hij kan hebben, hoe meer incasseringsvermogen er is, hoe meer kennis en wijsheid hij bezit en hoe meer creatief vermogen voor kunst en techniek zich ontwikkelt. Dit zijn aardse zaken waarbij het geestelijk lichaam betrokken is. Op deze manier groeit de mens ‘onder de zon’. Dit gebeurt echter niet altijd gaaf en harmonisch, want niemand ontkomt aan de beïnvloeding van de overste van deze wereld; de satan met zijn demonen. Alle mensen krijgen te maken met de macht van satan en met de geest die werkt in de ongehoorzame, weerspannige kinderen. Samen zijn zij daardoor nutteloos geworden om een nieuwe levensfase in te gaan. Om een innerlijke metamorfose mee te maken waardoor zij zich zouden kunnen verheffen in de dimensie van het Koninkrijk van God.

Massa’s verleugende én bewust weerspannige mensen

Ook ligt er over allen een bedekking (2 Cor.3:16-18). Door die bedekking zijn veel mensen verleugend. Zij zijn innerlijk met blindheid en doofheid geslagen door de god van deze eeuw. Zij zien daardoor de heerlijkheid van God niet en kennen geen innerlijke metamorfose. Die bedekking kan alleen worden weggenomen als zij zich tot de Heer bekeren(!), waardoor zij toegroeien naar een volwassen geestelijk mens.

De val van Adam

God heeft door onderwijs geprobeerd Adam tot geestelijk mens te doen opgroeien, zodat tenslotte zijn natuurlijk lichaam in een ‘ondeelbaar ogenblik’, door zijn geestelijk lichaam zou zijn verzwolgen of opgenomen, net zo als dit in de eindtijd met de zonen van God, die de volmaaktheid bereikt hebben, gaat gebeuren (1 Cor.15:51-54). Dit ontwikkelingsproces van Adam hield echter bij zijn val op: hij werd nutteloos. Ook in het oude verbond was niemand een geestelijk mens en het geestelijk lichaam kon niet tot ontplooiing komen, om zo het Koninkrijk van God binnen te gaan. In het nieuwe verbond is er een mogelijkheid dat het geestelijk lichaam metamorfoseert, waardoor de mens net als een rups, die in een vlinder verandert, in staat wordt gesteld in een nieuwe dimensie te leven.

De onsterfelijke ‘worm’ – Dimensies in het dodenrijk

De Bijbel noemt de eerste periode van het geestelijk lichaam een ‘worm’ toestand. De worm sterft niet omdat ze bij de geestelijke wereld hoort: ‘Waar hun worm niet sterft’ (Marcus 9:48). De worm houdt dus niet op te bestaan. Hier wordt geen regenworm mee bedoeld, maar het Griekse woord betekent ‘made’ of ‘larve’, dat zijn levensvormen die nog een metamorfose moeten ondergaan. Zo spreekt het Oude Testament in Jesaja 41:14 over een wormpje Jakobs. In Job 25:6 (st.vert.) noemt Bildad de mens een made en het mensenkind een worm.

In het oude verbond werden de uitverkorenen geen geestelijke wezens. De allerbeste waren natuurlijke, gave mensen. De rechtvaardigen kregen weliswaar in het dodenrijk een aparte plaats, maar de innerlijke mens was niet overgeplaatst in het Koninkrijk van God. Ze konden niet tot volmaaktheid komen, omdat ze onder een bedekking leefden, ook al bezaten zij de goddelijke wet. Telkens wanneer de wet van Mozes voorgelezen wordt, ligt een bedekking over hun hart (2 Cor.3:15). Ze hadden dus geen kennis van de onzienlijke wereld. De besten onder hen zagen er slechts een glimp van. Deze gelovigen ontvingen dan een getuigenis, omdat ze iets hadden gezien van de onzienlijke God, zoals Mozes toen zijn gezicht straalde (Ex.34:30). Niemand leefde toen echter in de hemelse gewesten. Niemand was burger van een rijk in de hemelen. Ze hadden het beloofde slechts vanaf een afstand gezien en omhelsd. Abraham zag vanuit de verte de dag van de toekomst van zijn geestelijke Zoon en hij werd blij. Zo werd Jezus eenmaal aan het kruis ook weer een worm. Hij was daar geen geestelijk volwassen man (Ps.22:7). Hij had zijn heerlijkheid als geestelijk mens afgelegd en was gelijk geworden aan de natuurlijke mens, die met zonde en schuld is beladen.

De boeken geopend – De vuurpoel

In het laatste vers van Jesaja wordt van de afvalligen en goddelozen gezegd, dat hun worm niet zal sterven en hun vuur niet zal uitdoven. Jezus citeerde dit vers in Marcus 9:43-48. Het gaat hier over mensen die de duisternis liever hebben dan het licht, over onrechtvaardigen en goddelozen. De ‘larve’ van hun niet gemetamorfoseerd geestelijk lichaam wordt bij de tweede opstanding geworpen in de vuurpoel, dat is de concentratie van demonen en in de algehele samenbundeling van de demonen. In Openbaring 20:15 staat:

  • ‘Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd (als de larve van een geestelijk lichaam) in de vuurpoel gegooid’.
  • In Mattheüs 10:28 waarschuwt Jezus: ‘Wees niet bang voor hen (mensen) die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden. Wees liever bang voor hem (de duivel) die in staat is én ziel én lichaam om te laten komen in de hel’.

Houd je dus ver van de satan, die je lichaam kan laten omkomen bij het sterven, dus overgeven aan de wetteloze, occulte demonen, waardoor het lichaam tot dode stof terugkeert. Maar deze vijand kan ook je innerlijke mens, je onveranderd geestelijk lichaam, de rups of de larve, door gemeenschap met hem, in het vuur brengen, dat is in de macht van de duisternis. Je moet immers met je geestelijk lichaam verbonden zijn met Gods Geest en niet met de onreine geesten. Er is dus een mogelijkheid dat de larve een metamorfose ondergaat. De Bijbel spreekt van het sterven van de oude mens en het opstaan tot een nieuw leven. Het woord metamorfose heeft te maken met de scheppingsorde van God.

De herschepping en verzoening

Een ander beeld is dat van de nieuwe geboorte. Bij de geboorte is het kind al aanwezig, maar het komt in een andere levensfase: uit de duisternis van de moederschoot tot het licht. Zo is bij de nieuwe geboorte wel de innerlijke mens aanwezig, maar hij komt in een totaal andere levenssfeer. De woorden: metamorfose, opstanding en nieuwe geboorte wijzen op een nieuw levensproces. In Jesaja 41 richt God zich tot het ‘wormpje Jakob, het volkje Israël’, dat op het punt staat een grote verandering te ondergaan. Dan zegt Hij:

  • ‘U, die Ik heb weggehaald van de einden van de aarde, die Ik van haar verste uithoeken terugriep – U zeg Ik: U bent mijn dienaar, U heb Ik gekozen, Ik heb U niet afgewezen. Wees niet bang, want Ik ben bij U, vrees niet, want Ik ben Uw God. Ik zal U sterken, Ik zal U helpen, U steunen met mijn onoverwinnelijke rechterhand’ (dus met mijn Geest).

De machten van de duisternis willen immers deze ontwikkeling tegenhouden en daarom klinkt het:

  • ‘Allen die zich fel tegen U keerden zullen gehoond worden en te schande staan’ (vers 9-11).

God helpt het ‘wormpje Jakobs’ in de metamorfose om een geestelijk Israël te worden. Hoe doet Hij dit? Allereerst wordt in Christus door zijn evangelie de bedekking weggenomen. De leugen wordt vervangen door de waarheid en de zondeschuld verdwijnt door de verzoening. Er staat immers, dat zij de duivel hebben overwonnen door de verzoening – het bloed van het Lam – en door de waarheid – het woord van hun getuigenis. Er is éérst een bekering nodig, dat is het zich afkeren van het kwade naar het goede en dan een zich keren naar God.

Voor wie het offer van Jezus aanvaardt en zijn woord vasthoudt, begint een nieuw leven. Alleen een rechtvaardige kan immers het Koninkrijk van God binnengaan en dit gaat nooit buiten Jezus Christus om. De rups wordt dan vlinder, de engerling wordt meikever. Ze verheffen zich in een nieuwe wereld. De engerling, die drie of vier jaar onder de grond leefde, vliegt nu als meikever het licht tegemoet. Na hun metamorfose zijn er andere aspiraties en andere interesses. Er staat: ‘U totaal anders’. Er wordt ander voedsel gebruikt, de bedekking is weggenomen en de duisternis is achtergelaten.

De verlichting van het hart

Hoe meer wij ons aan de waarheid houden, hoe meer de versluiering verdwijnt. De verduistering van het verstand wordt weggenomen en daarvoor op de plaats ontvangt de christen een verlicht hart. Het hart is een orgaan van het geestelijk lichaam. Dit krijgt dan oren om te horen wat Gods Geest zegt, Die hem wil onderwijzen en helpen bij de ontplooiing van de geestelijke begaafdheden en Die de menselijke geest ondersteunt om tot de volwassenheid te komen. Zo wordt de goddelijke natuur van de mens openbaar met de prachtige vrucht van Gods Geest.

Het domein van de vlinder is de lucht. Ook al strijkt ze neer op een bloem, toch blijft ze vlinder. Dit neerstrijken maakt het leven van de geestelijke mens vaak moeilijk, want dan komt hij in het domein van de overste van deze wereld en zijn domein is het Koninkrijk van God geworden. Daarom zei Paulus: ‘Bij Christus te zijn, is verreweg het beste’, dus alleen in het Koninkrijk van God te wonen. Onze werken op aarde vormen echter het kleed over ons geestelijk lichaam. Wij willen daarom niet naakt lopen, maar gekleed. Wij streven daarom niet alleen naar de vrucht en de gaven van de Geest, maar ook naar de goede werken die de vrucht en de gaven van Gods Geest in de zichtbare wereld opleveren. Een vlinder wordt nooit meer een rups.

De opname ‘in een ondeelbaar ogenblik’

Het beginstadium leggen wij af als een rups en laten het als een cocon achter. Wanneer wij dan met ons geestelijk lichaam in het rijk van God doorgroeien, worden wij van kind, zoon en van zoon, vader. Zo bereiken wij de volmaaktheid. Dan komt het ogenblik dat het sterfelijke wordt verslonden in de overwinning. In een ‘ondeelbaar ogenblik’ wordt het natuurlijk lichaam verzwolgen door het geestelijke lichaam. Het wordt omgezet in geestkracht. Het geestelijk lichaam beheerst de stof zoals de Schepper met zijn woord ook eenmaal de stof tevoorschijn riep. Dan zullen wij met ons triomferende lichaam de stof kunnen vormen en ontbinden. Dan bezitten we een verschijningsvorm zoals onze Heer, die eten en drinken kon met zijn geestelijk lichaam, maar zich ook volkomen kon terugtrekken in de wereld van de onzichtbare schepsels.

Wie de mogelijkheden van de gemetamorfoseerde mens overweegt, kan niet meer terugzien naar het verleden, maar wordt meer en meer bezig gehouden met:

‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, met alles wat God heeft bestemd voor wie hem liefheeft’ (1 Cor.2:9).