7. Opstanding van de doden

  • ‘Ik ben de Opstanding en het Leven, wie in Mij gelooft zal leven ook al is hij gestorven’ (Johannes 11:25)

De leer van de opstanding van de doden is wel de belangrijkste pijler waarop het ware christendom rust (1 Corinthe 15:13,14). Deze opstanding betreft zowel de inwendige als de uitwendige mens, dus de herleving van ziel, geest en lichaam. Zij is een vernieuwingsproces dat bij bekering en nieuwe geboorte begint en voor degene die in Christus is, zal eindigen met een lichamelijke herleving bij de terugkomst van de Heer Jezus Christus. Wij spreken over hen die nu al deel hebben aan de eerste opstanding (Openbaring 20:4-6). Deze opstanding begint met het leggen van het fundament van God in een menselijk leven en wordt bij de lichamelijke herrijzenis voltooid. De tempel van God is af, wanneer de christen naar ziel, geest en lichaam hersteld en volkomen vervuld is met de Geest van God. De opstanding van de doden bepaalt de mens bij de waarheid dat hij eeuwig voort bestaat. De Bijbel leert dat het zichtbare van de mens tijdelijk is, maar het onzichtbare van hem eeuwig (2 Corinthe 4:18). De ziel met de geest hoort bij de geestelijke wereld en daardoor is de inwendige mens onvernietigbaar, net als alle hemelse wezens dit zijn. Wanneer in Efeziërs 2:1 gezegd wordt, dat mensen dood waren door hun overtredingen en zonden, betekent dit dood zijn zeker niet, dat hun inwendige mens vroeger niet bestond, maar wel dat hij vervreemd was van het echte leven met zijn Schepper, niet functioneerde naar diens wetten en een prooi was van de boze geesten. Daarom wordt vervolgd:

  • ‘Waarin u voorheen gewandeld hebt, overeenkomstig het tijdperk van deze wereld (die onder beslag van satan ligt), overeenkomstig de wil van de aanvoerder van de macht in de lucht (de lucht is een beeld van het Koninkrijk der hemelen, hier van de duistere zijde van de onzienlijke wereld), van de geest die nu werkzaam is in de kinderen van de ongehoorzaamheid’ (Efeze 2:1,2).

 

Artikelen: