Vragen over de doop mèt vuur

Naar aanleiding van enkele vragen over de doop mèt vuur, willen wij hier dieper op ingaan:

  • ‘Wanneer het over ‘vuur’ en ‘dopen met vuur’ gaat, wordt door u de verklaring gegeven, dat deze uitdrukkingen zien op het vuur van de duivel. Als Johannes zegt over Jezus: ‘Hij zal u dopen met Heilige Geest en met vuur’, haalt men steevast aan: op het werk van Gods Geest komt zeker de duivel af om Gods werk te verstoren of te bemoeilijken. Zeker, dat zie ik ook heel goed en ik ervaar dat. We kunnen dit wel een geestelijk axioma noemen. Maar toch denk ik vaak: zou hier dan helemaal niet gedacht kunnen en moeten worden aan het vuur van en door de Geest, aan een vuur dat brandt in mijn hart, dat verlangt te getuigen van Jezus, die leeft? We zingen er wel van en zien er toch naar uit dat het vuur meer openbaar wordt? Ik vind het eigenlijk wel wat aan de negatieve kant om alleen dit toe te schrijven het vuur van de duistere machten. ‘Storm en vuur’, beide uit de koker van de demonen.
  • Kan dit naar uw mening beslist niet worden gezien als heilig vuur door de Geest en als teken van de kracht door diezelfde Geest? Ik ervaar het als een groot tekort, als men alleen oog heeft voor het vuur van de demonen. In het Nieuwe Testament hadden de apostelen en andere schrijvers de leiding van Gods Geest. Het verbaast mij telkens als een ‘negatieve’ tekst uit het Oude Testament wordt geciteerd waarbij duidelijk de inzichten door Gods Geest ontbraken. Zo’n tekst wordt vaak met de ‘negatieve’ gedachte overgenomen zonder verdere uitleg of verklaring. Ik denk ook aan de Bijbeltekst: ‘onze God is een verterend vuur’ (Hebr.12:29). De schrijver laat dit woord uit Deuteronomium gewoon voor wat het is; geeft er ook geen nadere uitleg bij of stelt het geciteerde niet in het licht van het Nieuwe Testament. Eerder had ik het moeilijk met dergelijke teksten en ik vermoed dat ik niet de enige ben. Graag uw gedachten hierover en met hartelijke groeten.’

Antwoord

Wanneer Johannes profeteert dat Jezus de Doper is met Gods Heilige Geest en met vuur, vervolgt Hij:

  • ‘De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur’ (Matth.3:11,12).

De vuurdoop heeft in dit verband dus duidelijk te maken met een zuiveringsproces, waar Petrus over schreef:

  • ‘Geliefde broers en zussen, wees niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat; er overkomt u niets uitzonderlijks. Hoe meer u deel hebt aan Christus’ lijden, des te meer moet u zich verheugen en des te uitbundiger zal uw blijdschap zijn wanneer zijn grootheid geopenbaard wordt. Als u gehoond wordt omdat u de naam van Christus draagt, prijs u dan gelukkig, want dat betekent dat de Geest van God in al zijn luister op u rust’ (1 Peter 4:12,13).

De doop met Gods Geest heeft 2 kanten: men ontvangt naar Jezus’ woorden ‘kracht uit de hoogte’ en er komen verdrukkingen vanuit het rijk van de satan. De kracht van de Geest van God zorgt voor redding en overwinning. Zij zorgt voor het vermogen om tegen de verzoeking of vuurdoop bestand te zijn (1 Cor.10:13). In deze oorlog wordt de ware christen sterk en ‘legers van vreemden hebben zij op de vlucht gejaagd’ (Hebr.11:34).

Wanneer wij zouden zeggen dat de doop met vuur doet denken ‘aan het vuur ván en dóór Gods Heilige Geest, of aan een vuur dat brandt in mijn hart’ zou Johannes dus eigenlijk spreken over een dubbele doop met de Geest Van God, dus ‘die zal u dopen met de Heilige Geest en met de Heilige Geest als vuur’. De boodschap van Jezus roept tegenstand op vanuit het rijk van de duisternis. Daarom zei de Heer over zijn evangelie van het Koninkrijk van de hemelen, dat gepaard ging met wonderen en tekens:

  • ‘Vuur ben Ik komen werpen op de aarde en wat is mijn wil, als het al ontstoken is? Ik moet gedoopt worden met een doop en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is’ (Lucas 12:49).

Na zijn doop met Gods Geest werd Jezus ogenblikkelijk door die Geest in de woestijn geleid, waar hij veertig dagen werd verzocht door de duivel. De demonen zetten Hem continu onder druk, totdat Hij op Golgotha de beslissende overwinning behaalde. Zijn doop in vuur had tot gevolg, dat ‘Hij tijdens zijn dagen in het vlees heeft gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd heeft aan Hem, die Hem uit de dood kon redden en Hij is verhoord uit zijn angst’ (Hebr.5:7). Ook de leerlingen werden gedoopt met vuur. Paulus sprak zelfs van een speciale afgezant van satan, die hem met vuisten sloeg. Overal waar hij het evangelie van het Koninkrijk bracht, zette deze demon hem de voet dwars. De bedoeling was dat Paulus zich maar niet zou ‘verheffen’ in de hemelse gewesten (2 Cor.12:7). De pijn en moeite moesten de apostel neerdrukken. Let nu op wat op de Pinksterdag gebeurde:

  • ‘Plotseling kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het hele huis, waar zij waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden en het zette zich op ieder van hen’ (Hand.2:2,3).

We lezen dus van een geluid alsof er een hevige windvlaag voorbij joeg. In Lucas 21:25 wordt het Griekse woord voor ‘geluid’ vertaald door ‘bulderen’. Dit geluid symboliseert de heftigheid van de aanvallen op Gods kinderen, die na de doop met Gods Geest steeds moeten bidden: ‘En nu, Heer, let op hun dreiging en geef uw medewerkers alle vrijmoedigheid om uw woord te spreken’ (Hand.4:29). Elia leerde echter al in zijn dagen, dat God niet in de geweldige, sterke wind is en ook niet in het vuur. De goede God is altijd in het suizen van een zachte koelte (1 Kon. 19:11,12). Zei de Heer niet tot zijn volk: 

  • ‘U ellendige, door storm voortgedrevene, valt men u heftig aan, dan gaat dit van Mij niet uit’ (Jes.54:11-15)?

Ook de tongen als van vuur, die zich op de hoofden van de aanwezigen verspreidden, wijzen erop, dat het vuur op de aarde was geworpen door het vertellen van het evangelie. De vijandschap van de demonen zou zich bijzonder keren tegen hen die met Gods Geest vervuld waren. Daarom kon Petrus zeggen: ‘Dit is het; er komen wonderen van genade en redding in de hemelse gewesten waarin wij overgeplaatst zijn en tekens vanuit het rijk van de duisternis op aarde: bloed, vuur en rookwalm.’  Wanneer gezegd wordt: ‘Ook onze God is een verterend vuur’ wijst deze uitspraak erop, dat wie tot God nadert, dezelfde ervaringen in de geestelijke wereld krijgt, die Israël eenmaal bij de Sinaï meemaakte: brandend vuur, donkerheid, duisternis en stormwind, dus een duivelse tegenstand (Hebr.12:18).

Aan het slot van Hebreeën 12 wordt gezegd dat, voordat wij het onwankelbaar Koninkrijk ontvangen, niet alleen de aarde maar ook de hemel zal gaan beven. Het beven van de onzienlijke wereld heeft zijn uitwerking in de zichtbare dingen: radeloze angst zal er zijn onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding. Zee en branding zijn beelden van de geestelijke wereld. Asaf schilderde het verschijnen van God als in een lichtglans, maar tegelijkertijd staat er:

  • ‘Vuur verteert vóór zijn aangezicht, rondom stormt het geweldig’ (Ps.50:3).

De ruiter op het witte paard, het Woord van God, wordt vergezeld door drie macabere gedaanten op rosse, zwarte en vale paarden (Openb.6:1-8). Voordat de grote en laatste pinksterdag komt, de late regen, zal duisternis de aarde bedekken en donkerheid de natiën. Allen die echter vervuld zijn met Gods Geest, zullen de heerlijkheid van God zien (Jes.60:1,2). Hoe dichter de christen met God is verbonden, hoe zwaarder zijn geestelijke strijd wordt.

De climax wordt bereikt, wanneer de geopenbaarde zonen van God worden ingezet in de strijd in het hemelse Armageddon. Zij trekken, om een ander beeld te gebruiken, door een zee van glas vermengd met vuur. Bij deze doop in vuur geldt:  ‘Als u door het vuur gaat, zult u niet verteren en zal de vlam u niet verbranden’ (Jesaja 43:2).

Neem nu eens een concordantie en zoek in het Nieuwe Testament het woord ‘vuur’ op. Het komt bijna zeventig maal voor; een enkele maal als natuurlijk vuur dat warmte of licht schenkt, maar voor het allergrootste deel is ‘vuur’ beeld van Satans demonen in hun vernietigende en beschadigende uitwerkingen. In dit verband zou ik de zin: ‘Ik ervaar het als een schromelijk tekort, als men alleen oog heeft voor het vuur van de demonen’ liever zo schrijven: ‘Ik ervaar het als een schromelijk tekort, als men alleen oog heeft voor de demonen, die vaak met vuur worden vergeleken’.

  • De demonen zijn(!) het vuur.

De Bijbel zegt: ‘Strijd de goede strijd van het geloof’. Tegen de duivel vechten is dus een goed werk. De Heer wil dat wij deze strijd voeren. De duivel wil echter dat wij geen aandacht aan hem schenken. Daarom heeft hij de leugen verzonnen: ‘wie over de duivel spreekt, bewijst hem te veel eer….’ Wij zullen ons echter met hem moeten bezighouden, want onze Heer zegt: wie de vijand overwint, hem zal Ik geven te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen.

Paulus kende zijn vijand. Satans gedachten waren hem niet onbekend (2 Cor.2:11). Het is gevaarlijk om in een oorlogssituatie de vijand steeds maar uit de weg te gaan en te doen alsof hij er niet is. Men noemt dit struisvogelpolitiek. De duivel gaat rond als een brullende leeuw en wij moeten hem weerstaan, zodat hij van ons wegvlucht. Er staat dat de kinderen van God de duivel hebben overwonnen en de aartsengel Michaël is een medestrijder in de strijd. Door zijn strijd bewijst de mens dat hij zijn plaats op de troon waardig is en dat hij daarmee boven de engelen is gesteld. Adam en Eva verloren de strijd vanwege hun onbekendheid met de vijand. Onder het leiderschap van de laatste Adam zal de mensheid echter de strijd winnen. Het is juist een schromelijk tekort bij de meeste kerkgangers dat zij absoluut geen rekening houden met de inwerking van de demonen in eigen leven of in de levens van hun broers en zussen. Nog altijd geldt deze Paulinische waarheid:

  • ‘Wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees (ook niet tegen eigen vlees), maar tegen de boze geesten in de hemelse gewesten’ (Efeze 6:12).