
Wie een rechtstreekse oorlog met de vijand aangaat, moet rekenen op fel verzet. In dit verband zei Jezus: ‘Ik moet gedoopt worden met een doop en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is’. Jezus ervaarde de enorme druk die in de geestelijke wereld nu op Hem aan stormde. De Statenvertaling gebruikt de woorden: ‘Hoe word Ik geprest.’ Jezus stond tijdens zijn hele leven op aarde onder de zware druk van de demonen en dit duurde totdat Hij zijn taak vervuld had en de overwinning behaald had. De duivel probeerde Hem continu te laten zondigen om iets verkeerds in Hem te vinden om dit publiekelijk bekend te maken. Altijd was er deze dreiging, maar Hij getuigde rustig: ‘De overste van de wereld komt en heeft aan Mij niets’. Hij lette heel goed op om niet van zijn hemelse Vader gescheiden te worden. Onafgebroken concentreerde Hij Zich daarom op diens contact. Later schreef Paulus over de strijd van Jezus:
- ‘Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood (de scheiding van God) kon redden en Hij is verhoord uit zijn angst’ (Hebr.5:7).
Jezus, ons voorbeeld
- Eerst werd Jezus IN water gedoopt ‘om alle gerechtigheid te vervullen’. Daarna ging Hij de weg die de mens ook hoort te gaan. Het verschil met andere mensen is echter, dat Jezus zelf geen schuld had, geen oude mens hoefde af te leggen en niet beschadigd was. Hij was volkomen gaaf en bij Hem hoefde geen onreine geest uitgeworpen te worden; het was niet nodig dat Hij bevrijd werd of van een letsel herstellen moest.
- Na zijn doop in water werd Jezus met Gods Geest gedoopt. Hij was ‘vol van de Geest’ en in Hem was geen enkele duisternis.
- Daarna kwam de doop met vuur, dit wil zeggen dat de Vader Hem nu geschikt achtte de proef te doorstaan.
- Door Gods Geest werd Hij in de woestijn geleid om verzocht te worden van de duivel. Veertig dagen lang kwamen vanuit de onzienlijke wereld de demonen op Hem aanstormen. Hij was toen bij ‘de wilde dieren, die niets ontzien’. Hij werd op dezelfde manier verzocht als wij. Daarom kunnen wij in onze beproevingen ons tot Jezus richten en van Hem begrip en hulp verwachten.
Jezus klemde Zich vast aan het geopenbaarde woord van God en Hij geloofde ook dat de Vader in al zijn behoeften zou voorzien. Daarom weigerde Hij ook van stenen brood te maken. Zo onderging Jezus na de doop met Gods Geest de doop met vuur. De duivel kwam niet alleen rechtstreeks op Jezus af, hij werkte ook door middel van mensen die Jezus probeerden te laten struikelen of vallen. Denk aan Petrus, die door de duivel gebruikt werd om Hem te verzoeken, maar Jezus weerde deze aanval af met de woorden: ‘Ga weg achter Mij, satan’. De Heer had geen gemakkelijk leven vanwege de boodschap van het Koninkrijk van de hemelen, die Hij niet alleen doorgaf maar ook realiseerde. Iedereen die dit evangelie aanvaardt en beleeft, krijgt te maken met hetzelfde lijden en haat. De vuurdoop van Jezus eindigde tenslotte in de doop in de dood, waarbij Hij de cipiers van het dodenrijk en Dood hemzelf (de gevallen engelen – serafs), op hun eigen terrein moest overwinnen.
De oorlog in de hemel – Ook vandaag nergens erkend

Het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen, wordt bijna nergens meer bekend gemaakt en zodoende is er ook geen sprake meer van de strijd in de hemelse gewesten. Maar in de eindtijd, als Gods Geest neerdaalt op alles wat voor Hém leeft, wordt ook gesproken van ‘vuur en rookzuilen’ (Joël 2:30). Een typische aanduiding van satans demonen met hun verstikkende werking. Ook wordt voorspeld dat in de laatste dagen ‘de grote draak, de oude slang, die genoemd wordt duivel en satan’ op aarde geworpen wordt (Op.12:12). Deze is woedend, omdat hij weet dat hij nog weinig tijd heeft.
Waarom onderscheidt men deze tijd niet?
Men spreekt over angstaanjagende verschijnsels in bijvoorbeeld de natuur, maar men merkt niet op dat de gemeente gekomen is aan de slotfase van de strijd in de hemelse gewesten, waarover de apostel sprak in Efeziërs 6:12. Jezus noemde de verblinde religieuze leiders ‘huichelaars’. Een hard woord, maar zij waren de wolven in schapenvachten, die de kudde verscheurden en verstrooiden. Zij verwierpen immers de boodschap van Jezus over het Koninkrijk van de hemelen. Opnieuw geboren kinderen van God zijn ook nu niet gebaat met vergoelijkende woorden, want zij komen meestal uit de mond van zich ‘gristelijk noemenden‘ die geen enkel inzicht hebben in de waarheid en in de keiharde strijd tegen de invasie van gevallen engelen. Wie vandaag goed om zich heen kijkt ziet het letterlijk gebeuren, met miljarden doden als gevolg (incl. embryo’s). Het smeulende vuur van de oorlog laait weer op, want de zonen van God worden geopenbaard. Daarom staat er in dit verband opnieuw: ‘Er kwam oorlog in de hemel’ (Op.12:7).
De scheiding tussen de waarheid en de leugen
De Heer zegt: ‘Denkt u, dat Ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen? Nee, zeg Ik u, eerder verdeeldheid’. Door het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen komt er een scheiding tussen het licht en duisternis, tussen gerechtigheid en ongerechtigheid en tussen waarheid en leugen. De engelen zongen over een ‘vrede op aarde, onder de mensen in wie Hij een behagen heeft’, maar het grootste deel van de mensen aanvaardt Jezus niet en zij zijn geen mensen van het ‘welbehagen’, zoals een bekend kerstliedje zegt. Zelfs velen die zich christenen noemen, aanvaarden immers de scheiding niet: ze blijven onrechtvaardig en tolereren de zonde én de pakhuizen vol leugens. Zij spreken over liefde, maar de liefde tot de waarheid bezitten zij niet. Gods liefde gaat uit naar alle mensen en naar de hele schepping om te bevrijden en te behouden. Wanneer deze liefde met Gods Geest in onze harten is uitgestort, zullen wij dezelfde gezindheid bezitten als de hemelse Vader en Jezus Christus. Juist door deze liefde die verbonden is met de geestelijke gaven, kunnen wij scheiding brengen tussen de mens en de demonen en zo medeherstellers zijn voor hen die van hun demonen af willen.
Zonde tot de dood
Er zijn ook mensen die de satan vandaag bewust aanbidden. Voor geld vermoorden zij zelfs miljoenen kinderen. Wereldwijd. Voor deze satanaanbidders bidden wij niet. Johannes schrijft over hen:
- ‘Er is een zonde tot de dood; daarvoor zeg ik niet dat hij moet bidden. Er bestaat ook zonde die wél tot de dood leidt. In dat geval geldt mijn aansporing om te bidden niet (1 Joh.5:16,17).
Zij zijn actief met de satan verbonden door een bewust, zelf dichtgeschroeid geweten. Dit heet ‘een zonde tot de dood’ (1 Cor.10:20,21). ‘Zij spreken over liefde, maar de liefde tot de waarheid bezitten zij niet.’ Laat staan tot de medemens. Het zijn satanische monsters. Hun einde staat vast tot in eeuwigheid (Openb.20:14,15).
De doop met vuur voor alle opnieuw geboren(!) christenen

Jezus vroeg eens aan zijn leerlingen: ‘Kunnen jullie de beker drinken die Ik drink, of met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt ben? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen het’ (Mark 10:38,39). De leerlingen wisten dat Jezus met Gods Geest gedoopt was en kenden ook de vuurdoop, want zij waren steeds bij Hem gebleven in al zijn verzoekingen (Lukas 22:28). Op zijn vraag of zij na de doop met Gods Geest daarna ook in staat zouden zijn de vuurdoop te ondergaan, konden zij volmondig ‘ja’ zeggen. Zij zagen immers aan Jezus wat voor kracht Hij bezat tegen de vijand. Jezus is de Doper met Gods Geest, maar Hij doopt ook met vuur (Mathijs 3:11)! Door deze doop zuivert Hij zijn dorsvloer om het graan in de schuur bij elkaar te brengen en het kaf prijs te geven om verbrand te worden.
- ‘Geliefden, de hitte van de verdrukking onder u, die tot uw beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwam. Maar verblijd u naar de mate waarin u gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, zodat u zich ook in de openbaring van Zijn heerlijkheid mag verblijden en verheugen. Als u smaad wordt aangedaan om de Naam van Christus, dan bent u zalig, want de Geest van de heerlijkheid en van God rust op u. Wat hen betreft wordt Hij wel gelasterd, maar wat u betreft wordt Hij verheerlijkt’ (1 Petr.4:12-14).
Beproeving
Opnieuw geboren christenen moeten de vuurgloed van de beproeving niet als iets vreemds zien. Wanneer zij ook gedoopt zijn met Gods Geest, zullen ze vroeg of laat met de doop met vuur te maken krijgen. Johannes de Doper zei over onze Heer: ‘Hij zal u dopen met Gods Geest en met vuur’ (Mattheüs 3:11). Dit betekent dus deel hebben aan het lijden van Christus. Het gaat er dan om of men bestand is tegen de aanvallen van demonen die hem rechtstreeks of door middel van mensen benaderen en ook of de tegendruk van de innerlijke mens die gedoopt is met Gods Geest, groot genoeg is om te overwinnen.
Geloofsgenezing

De vuurdoop kan natuurlijk tot kinderen van God komen in de vorm van ziekte. De demonen vallen dan immers de levensgeest aan, die zijn werk niet meer kan doen of zelfs gedwongen wordt wetteloos te functioneren. Het gaat er dan om of men altijd vanuit de hemelse positie de vijand onderkent en strijd tegen hem voert. Wie van binnen uit niet genoeg weerstand kan bieden, of wanneer de kracht van Gods Geest in hem op de een of andere manier geblokkeerd wordt om het sterfelijk lichaam levend te maken, moet het vaak hebben van de hulp die broers en zussen in de gemeente kunnen geven. Dezen moeten dan de demonen verdrijven en de overweldigde broer of zus bevrijden. Bij genezing is het dan heel belangrijk dat de herstelde zelf innerlijk sterk wordt. Het is immers altijd mogelijk dat de ziektemachten terugkeren naar de woning die zij hebben verlaten. Zij kennen de zwakke plekken in geest, ziel en lichaam en zullen proberen hierdoor het verloren terrein te herwinnen. Zo komen soms na jaren bepaalde kwalen, waarvan men genezen was, weer terug.
Dan is de vraag:
Is de christen zover met kracht versterkt naar de innerlijke mens, dat hij de duivel kan weerstaan? Zijn dan in hem tijdens de rustperiode, de gaven van Gods Geest ontwikkeld of heeft hij niets bijgeleerd? Wacht hij af of gaat hij de strijd aan? Het bevrijde of genezen kind van God moet ervoor zorgen dat zijn levenshuis op orde is, dat de zwakke plekken zijn gedicht, dit wil zeggen dat de vijand wanneer hij terugkomt, ziet, dat er ingrijpende veranderingen zijn gebeurd en dat de toegang is versperd.
Christenen die de Geest van God ontvangen hebben, zullen ook de doop met vuur moeten aanvaarden. Ziekte, tegenspoed, lijden en verdriet komen op hun weg om hen erbij te bepalen of zij bestand zijn tegen de aanvallen van de demonen. Het kan zwaar worden. Zo werd tot de profeet Jeremia gezegd:
- ‘Als het je al zwaar valt snelle lopers bij te houden, kun je het dan tegen paarden opnemen (beeld van de demonen van satan die rechtstreeks aanvallen)? Jij struikelt al op het vlakke land, wat kun je dan beginnen in het struikgewas bij de Jordaan’ (Jer.12:5)?
Als christenen niet opgewassen zijn tegen de minste verleiding, hoe zullen ze dan reageren als de duivel met zijn trawanten hen direct aanvalt? Petrus schreef: ‘Hoe meer u deel hebt aan Christus’ lijden, des te meer moet u zich verheugen en des te uitbundiger zal uw vreugde zijn wanneer zijn luister geopenbaard wordt’. Paulus roemde in de verdrukkingen, want hij was een goede leerling die een voldoende wilde halen voor zijn examen. Hij wist dat de volharding de betrouwbaarheid uitwerkt (Rom.5:3). De volgende keer doorstaat men gemakkelijker een grotere beproeving, want men kan zeggen: ‘Toen en toen ben ik er ook doorgekomen’. Men krijgt dus steeds meer vertrouwen in de toekomst, want ‘de betrouwbaarheid geeft hoop’. Zo komt de rechtvaardige als het zuivere goud tevoorschijn uit de smeltkroes. Hij wordt er krachtig en onbeweeglijk van, want:
- ‘Zij zijn in de oorlog machtige helden geworden en hebben vijandelijke legers op de vlucht gejaagd’ (Hebr.11:34). De doop met vuur doet de echtheid van het geloof blijken, want er staat: ‘Hij is als het vuur van een smid, als het loog van een wolwasser. Hij zal zitting houden als iemand die zilver smelt en het zuivert; de zonen van Levi zal hij zuiveren en zeven als goud en zilver, en dan zullen ze op de juiste wijze offeren aan de Heer’ (Mal.3:2,3).
Men kan nooit het koninklijk priesterschap aanvaarden, als het niet vóór die tijd examens heeft afgelegd die overeenkomen met de zeer hoge roeping!

