Niet onwetend zijn

  • ‘Wat nu de geestelijke gaven betreft, broers, wil ik niet dat u onwetend bent’ (1 Corinthe 12:1).

Dit Bijbelgedeelte geeft aan dat er gelovigen zijn die onwetend zijn wat betreft de geestelijke gaven. Paulus’ streven ten opzichte van de gemeente te Corinthe was dat zij niet onkundig of onwetend zouden blijven met betrekking tot de geestelijke gaven. En hoe kan dat ook anders, de geestelijke armoede van de christelijke kerk vloeit daaruit voort, dat men niet gelooft in het nog bestaan van de 9 geestelijke gaven, die in dat hoofdstuk worden beschreven. En àls men nog gelooft in het bestaan van die geestelijke gaven, dan gelooft men vaak alleen nog in de eerste 7 gaven, maar de laatste twee gaven, het spreken in andere talen en uitleg van die talen, dat gelooft men niet of men maakt zich er vanaf door te zeggen:

  • “Ze hebben bestaan, maar het is nu niet meer nodig.” 

Is dit Bijbels?

Het is duidelijk in deze tekst, dat het Gods gedachte is dat men niet langer onwetend zal zijn of blijven m.b.t. de geestelijke gaven. Als men het juiste gebruik van deze gaven leert kennen, zal daardoor de gemeente opgebouwd worden. Is het niet treurig, dat er zo weinig gesproken of gepreekt wordt over de geestelijke gaven? Wat is daar de oorzaak van? Als Paulus al voelt dat er behoefte aan is, waarom spreken mensen er dan niet over? Is Gods Woord dan veranderd?

De mensen in Corinthe wisten wel dat er geestelijke gaven waren, want die bezaten zij, omdat Paulus kon schrijven ‘zodat het u aan geen enkel gave ontbreekt’. Het was dus niet zo dat zij geen gaven bezaten of er niet in geloofden, maar zij moesten horen hoe ze de gaven op de juiste manier moesten gebruiken. Als Paulus spreekt van de gaven die aanwezig zijn, hoe groot moet dan wel niet de geestelijke duisternis zijn, waarin de gemeente zat, want ze hadden de gaven wel, maar namen ze niet aan. Het doel van de apostel was dan ook dat deze gaven niet verborgen zouden blijven, maar dat zij tevoorschijn zouden komen, zodat de kinderen van God er op de juiste manier gebruik van zouden maken. Dat moesten ze opnieuw leren, vanuit het woord van God. De gaven zijn verschillend, maar de Gever is dezelfde, of zoals de Bijbel zegt:

  • ‘Er zijn verschillende gaven, maar er is één Geest; er zijn verschillende bedieningen, maar er is één Heer; er zijn verschillende uitingen van bijzondere kracht, maar het is één God die ze allemaal en bij iedereen teweeg brengt’ (vers 4-6).

Het doel van de geestelijke gaven is duidelijk aangegeven, namelijk dat de gemeente opgebouwd zal worden. Zolang de gaven van de Heilige Geest aanwezig zijn, zolang wordt de gemeente van de Heer opgebouwd en versterkt. Een gezonde, geestelijke openbaring en bediening van deze gaven zal een gemeente geestelijk doen groeien, zoals Paulus dat verwoordt in: ‘de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus’ (Ef.4). Juist waar de zuivere werking van de geestelijke gaven is, zal men het verschil zien tussen de werking van God en de werking van satan. Men zal dan werkelijk kunnen zeggen: ‘God is in haar midden.’

Als Paulus de hoop uitspreekt om de geliefden in Rome te mogen ontmoeten, dan is het in deze woorden dat hij dit verlangen uitdrukt:

  • ‘Want ik verlang ernaar u te ontmoeten en u te laten delen in een geestelijke gave, om u te sterken’ (Rom.1:11).

God wil dan ook Zijn gaven aan Zijn gemeente geven, zodat zij straks klaar zal zijn, wanneer haar Heer zal terugkomen en haar zal vinden, getooid met al de bruidssieraden, die de Vader haar geschonken heeft in en door de verlossing, teweeg gebracht aan het kruis van Golgotha. Samen met het smetteloos en blinkend fijn linnen kleed, want dit zijn de goede daden van de heiligen. Hoe moet de gemeente dus zijn met betrekking tot de geestesgaven? Het beste kan men deze vraag beantwoorden met het woord uit 1 Corinthe 1:7:

  • ‘Zodat het u aan geen gave ontbreekt, verwachtend de openbaring van onze Heer Jezus Christus’.