Doop in Gods Geest contra demonie

  • ‘En zij namen zich daaruit vrouwen wie zij maar verkozen’ (Genesis 6:2) – ‘Ik zal uitstorten van mijn Geest’ (Handelingen 2:17)

Invasie van de duisternis

Als God Adam schept schenkt Hij deze na een periode een geest in het paradijs. Zo is er een geestenwereld die geheel onzienlijk is en er ontstaat een geestenwereld, die met een lichaam en met een ziel verbonden is. Er zijn geesten die wij engelen noemen en er zijn menselijke geesten. In Adam woonde een menselijke geest, zoals er staat: ‘De Heer, die de geest van de mensen in diens binnenste geformeerd heeft’ (Zach.12:1) en ‘God gaf de geest aan hen, die op de aarde wandelen’ (Jes.42:5).

In tegenstelling tot de hemelse geesten die geen ontwikkelingsfase kennen (Ez.28:13b), ontvangt de mens een geest die groeit en zich ontplooit. Zoals het menselijke lichaam zich ontwikkelt van baby tot kind en van kind tot volwassene, zo moet ook de geest van de mens tot gehele volwassenheid komen. Zoals van de mens staat, dat het niet goed is dat hij alleen blijft, zo heeft ook de mens een geest ontvangen, die gemeenschap nodig heeft (Gen.1:18). Deze geest heeft ook een huwbare leeftijd. Degene, die deze geest verlangt te bezitten, is God: ‘De geest, die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid’ (Jacob 4:5).

Het korte mysterieuze gedeelte van Genesis 6:1-4 geeft een summiere samenvatting van het verloop van de geschiedenis van de menselijke geest na de zondeval tot aan de zondvloed. Het verhaal deelt mee hoe de mensen ‘zich misdroegen’. In plaats van contact te zoeken met God, lieten zij zich verleiden door boze geesten. God begeerde de geest van deze mensen, die verbonden was met een vitaal, sterk mensengeslacht, waarvan de leeftijden reikten tot 969 jaar. Maar de mens was vlees. Zijn ziel en lichaam stonden onder beïnvloeding van de afgevallen engelen, satans demonen. Men heeft het aanstotende van deze houding willen wegnemen door onder de zonen van God de kinderen van Seth te verstaan en onder de dochters van de mensen die van Kaïn, die met elkaar zouden huwen. Deze verklaring houdt echter geen rekening met de mededeling, dat het al vanaf het begin verkeerd ging, namelijk toen de mensen zich op aarde begonnen te vermenigvuldigen.

Enos, de zoon van Seth, werd 235 jaar na de schepping van Adam geboren en het voorgaande hoofdstuk toont aan, dat het geslacht van Seth juist geestelijk in opgaande lijn was. Van Enos wordt verteld dat men in zijn dagen de naam van de Heer begon aan te roepen. Ook Henoch, de man die met God wandelde, hoorde bij dit geslacht, net als Noach, die onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man was en die ook met God wandelde. Van een uitverkoren volk van God is echter voor de zondvloed geen sprake en ook niet van een zondige vermenging, zoals later bij het volk Israël. Ook doet men door deze uitleg geweld aan de uitdrukking ‘zonen van God’, zoals deze overal elders in het Oude Testament voorkomt (Job 1:6; 2:1; 38:7; Dan.3:25,28). Hier is sprake van engelen; deze zijn allen uit God voortgekomen, want God is de Vader van de geesten. De Alexandrijnse tekst heeft trouwens in plaats van zonen van God ook engelen van God staan.

Geen lijfelijke gemeenschap met gevallen engelen

De mening dat de afgevallen engelen geslachtelijke omgang met vrouwen gehad zouden hebben, is ontleend aan heidense mythen en zou aanleiding geven tot het ontstaan van een halfgodendom, dat de Bijbel niet kent. Engelen kunnen geen leven doorgeven en übermenschen of geweldenaars waren er zowel in deze voortijd als ook na de zondvloed (b.v. Nimrod, de zoon van Cham) en zijn er nog steeds, tot aan vandaag. De uitdrukking ‘toen de mensen zich op aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden’ bedoelt dan ook niet dat deze mensen in natuurlijke zin geen zonen gehad zouden hebben of speciaal Kaïnieten waren, maar dat vanuit Gods oog gezien het creëren van mensen het scheppen van een vrouwelijke tegenhanger voor Zichzelf was. Alleen vanuit deze visie is de heftigheid van dit verhaal te verklaren.

God zag de nakomelingen van de mens als huwbare dochters, met wie Hij Zich in de geest verbinden wilde. Zo spreekt Hij later van zijn volk Israël als ‘de dochter van Sion’, of ‘de dochter van mijn volk’, of ‘U bent de dochter van uw moeder’. In Genesis 6 wordt ons gemeld hoe de mens, voordat deze gemeenschap met God had, al in de geestenwereld een ontuchtige geworden was. De gevallen engelen (de demonen) werden ontrouw aan hun oorsprong, God en verlieten hun eigen woonplaats, de onzienlijke wereld (Judas 6). Zij zagen dat de dochters van de mensen mooi of goed waren en begeerden hun geest om daar wederrechtelijk gemeenschap mee te hebben en ook hun ziel en lichaam te gebruiken om de wetteloosheid in de wereld te brengen: ‘Zij (de demonen) namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar kozen’.

Duidelijke allegorie

Met grote willekeur en wetteloosheid zochten zij voor hun doel geschikte slachtoffers uit. Wat voor verzet konden deze mensen bieden, die de doop in Gods Heilige Geest niet kenden? Zij hadden immers geen inzicht in de hemelse gewesten en onvoldoende kracht tot verweer. Zij werden misleid en overweldigd, terwijl zij eigenlijk niet wisten wat hun overkwam. De resultaten waren echter de tegen Gods wet ingaande handelingen. David schreef over deze gemeenschap met boze geesten in Psalm 7:15:

  • ‘Zie, wie met ongerechtigheid bevrucht werd, is zwanger van onheil en baart leugen’. Jacobus drukte het zo uit: ‘Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij de zonde’ (Jac.1:14).

In Genesis 6:1-4 wordt in een gelijkenis ons meegedeeld op welke manier de mensen na Adam allen tot inwendige daden kwamen. Daarom moet de Heer constateren: ‘Het voortbrengsel van het mensenhart is boos vanaf zijn jeugd’ (Gen.8:21). Er staat niet dat het voortbrengsel van het lichaam van de mens, dus zijn kinderen, verdorven waren, maar dat van zijn hart, dus van zijn inwendige mens. Er staat ook niet van vóór zijn geboorte, maar van zijn jeugd aan. De verleiding van de duivel begint al vroeg. Voor deze hartstocht van de gevallen zonen van God naar de mens waarschuwt God Kaïn in Genesis 4:7:

  • ‘Maar wanneer u niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, van wie zijn verlangen naar u uitgaat, maar over wie u moet heersen’.

Er staat ook niet, dat ‘toen de zonen van God tot de dochters van de mensen kwamen’ en zij hun kinderen baarden, maar ‘hebben zij hun gebaard’ of voortgebracht. Het woord ‘kinderen’ is later ingevoegd door mensen zonder enig geestelijk inzicht. Op deze manier raakte de aarde verdorven en vol geweld. God haat geweld in welke vorm dan ook. Hij zegt: ‘Niet door kracht of geweld, maar door mijn Geest’. De Heilige Geest leidt de mens en dwingt deze niet. De macht, die aan Kaïns deur stond, was er een van geweld. Toen hij binnendrong, maakte hij Kaïn tot een moordenaar. Zo’n geweldenaar was ook Lamech. Deze ontzag niets en niemand. Door de demonen opgedreven riep hij vol arrogantie uit: ‘Ik sloeg een man dood om mijn wond, een knaap om mijn striem; want Kaïn wordt zevenvoudig gewroken, maar Lamech zevenenzeventig maal’ (Gen.4:23,24).

De van oorsprong goed geschapen waterkoepel om de aarde

Er gebeurde in die tijd nog iets, dat ons een beeld geeft van de doorwerking van de zonde(machten). In Genesis 1:6 wordt verhaald, hoe God de vormloze, ongeordende watermassa, die de aarde bedekte, van elkaar scheidde. Om de aardbol vormde zich na de tweede scheppingsdag een waterkoepel / gewelf, doorzichtig en diep blauw, waardoor het licht zich een weg baande naar de aarde. De scheiding tussen de lucht en deze koepel was het uitspansel. De Septuagint gebruikt het woord steréoma, wat iets vasts aanduidt, zoals ook het woord firmament doet. Dan volgt op de derde dag de vaststelling van de grenzen tussen zee en land. De oceaan met zijn onstuimig woede wordt dan door het continent gebonden.

De wateren zijn beeld van het geestelijke leven. Dit is wel zeer duidelijk geworden door de studie van het boek Openbaring. God scheidde de wateren van elkaar. Zo scheidde Hij ook de geestenwereld en maakte een scheiding tussen de wereld van de engelen en die van de menselijke geesten. De eerste kregen hun woning in de hemelse gewesten en de laatste kregen deze in het vlees, in de natuurlijke en zichtbare wereld, uitgebeeld door het land.

Vermenging van twee watermassa’s

In Genesis 6:1-4 lezen wij hoe de engelen hun eigen woning verlieten (Judas 6). Zij drongen het menselijke lichaam binnen, dat God als woning had verkoren. Het resultaat was, dat de geest van de mens ook zijn woning zou moeten verlaten, want de Heer zei: ‘Mijn geest (die Ik hem gegeven heb) zal niet voor altijd in de mens blijven, nu zij zich misdragen hebben’. ‘Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien’ (vers 3,7). De scheiding tussen de engelen en de menselijke geesten was verbroken en zij hadden zich vermengd. Daarom verbrak God ook het oorspronkelijke beeld, dat door de wateren gevormd werd. Tijdens de zondvloed werden de sluizen van de hemel geopend en vielen de wateren veertig dagen lang als slagregens neer op de aarde. Bij de vermenging van de geesten ging de geest van de mens onder en hij werd enkel vlees. Bij de vermenging van de watermassa’s stierf hij ook lichamelijk.

Herschepping

Na de zondvloed beloofde de Heer dat een oordeel als dit nooit meer over de aarde gaan zou. De mensheid vermenigvuldigde zich opnieuw en spreidde zich uit over de hele aarde, maar vertoonde helaas hetzelfde beeld van vermenging met en onderworpenheid aan de demonen. In deze chaotische geestenwereld begint God bij de herschepping opnieuw te ordenen. Bij het aanbreken van de eerste herscheppingsdag wordt getuigd: ‘Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, kwam in de wereld’ (Joh.1:9). Jezus begon op aarde de watermassa’s van elkaar te scheiden. Hij maakte scheiding tussen de geest van de mens en de boze geesten. Hij kwam tot een oordeel in deze wereld. ‘Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is’ (Joh.3:19). Daarom dreef Jezus de demonen uit en gaf Hij zijn volgelingen de opdracht ook zo te handelen. Hij maakte allen die tot Hem kwamen vrij van de overweldigende demonen, zodat zij allereerst weer natuurlijke, blijde en gezonde mensen zouden zijn. Hij sprak tot de Farizeeën, die de sleutel van de kennis weggenomen hadden:

  • ‘Let op, ik drijf demonen uit en vandaag en morgen genees ik mensen en op de derde dag bereik ik de voltooiing’ (Lucas 13:32). ‘Hoe God Hem met de Heilige Geest en met kracht heeft gezalfd. Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem’ (Hand.10:38).

Hij kon dit doen, omdat zijn geest met Gods Heilige Geest verbonden was. Hij kwam niet alleen om de schuld van de mensheid weg te nemen en om de menselijke geest te bevrijden van de inwonende demonische geesten, maar ook om de geest van de mens te verbinden (huwen) met Gods Heilige Geest. Op de Pinksterdag begon dit grote feest. Het water van de vroege regen viel neer op de aarde. De stroom van levend water werd in de harten van mensen uitgestort en de Heilige Geest nam zijn intrek bij de menselijke geest. Er kwam een verbinding van de watermassa’s tot stand, zo heerlijk, zo rijk en zo krachtig als nooit tevoren geweest was. Dit was vanaf het begin Gods bedoeling, namelijk dat zijn Geest met de menselijke geest een woning had op deze aarde. In de herschepping belooft Jezus de Heilige Geest aan ieder, die er in het geloof om bidt (Lucas 11:13). Hij riep uit:

  • ‘Als iemand dorst heeft, komt hij maar tot Mij en drinkt! Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit zei Hij van de Geest, die zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was’ (Joh.7:37-39). Tot de Samaritaanse vrouw werd door Jezus gezegd: ‘Maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat ontspringt ten eeuwig leven’ (Joh.4:14).

Onze inwendige mens overgeplaatst in het Koninkrijk van God

Wij vieren ons pinksterfeest, als wij net als de leerlingen vervuld worden met Gods Heilige Geest. Hoewel wij niet uit deze wereld weggenomen worden, wordt onze inwendige mens overgeplaatst in het Koninkrijk van God. ‘En heeft ons mede opgewekt en .. ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, dat is in zijn gemeente of zijn lichaam (Ef.2:6). Het geheim van Pinksteren is, dat de opnieuw geboren mens niet alleen overgezet is in het Koninkrijk van God, maar ook de levenskracht ontvangt om daar te functioneren. Zijn denken, wandelen, strijden, verzamelen van schatten, groei, geestelijke ontplooiing en zijn overwinning liggen niet meer op aards niveau. Het laatste Bijbelboek zet het beeld van Genesis weer voort. Er is sprake van een wolk aan de hemel: 

  • ‘Toen zag ik dit: een witte wolk, en daarop zat iemand die eruitzag als een mens. Hij had een gouden krans op zijn hoofd en een scherpe sikkel in zijn hand’ (Op.14:14).

Een wolk bestaat uit miljoenen druppels gecondenseerde waterdamp, die van de aarde opgestegen is. Zoals de zon het water op onzichtbare wijze omhoog trekt, zo gebeurt dit ook met de inwendige mens, die met de Geest van God verbonden is. De zon doet de waterdruppels opstijgen en er komt weer scheiding tussen de watermassa’s, die op de aarde zijn en die boven de aarde zijn. Geestvervulde mensen zijn wel in deze wereld, maar horen er niet meer bij. Wat God in Jezus als eerste begon en voltooide, zet Hij voort in zijn nieuwe schepping. Er wordt een witte wolk gevormd, een gemeente, uit zijn rechtvaardig, heilig en heerlijk volk. De Openbaring spreekt niet alleen van een wolk, maar ook de regenboog als teken van Gods trouw vinden wij daar weer terug. ‘En ik zag een andere sterke engel neerdalen uit de hemel, bekleed met een wolk, en de regenboog was op zijn hoofd’ (Openb.10:1). Zoals de regenboog ontstaat, doordat het licht van de zon op de waterdruppels schijnt en in een spectrum van kleuren reflecteert, zo wordt Gods heerlijkheid in veelkleurige schoonheid door de gemeente weerkaatst.

De gemeente van Jezus Christus openbaart de veelkleurige wijsheid van God aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten (Ef.3:10). De gemeente is ook het teken, dat God de schepping niet afschrijft, maar haar vernieuwt. Wanneer Jezus in Mattheüs 24:30 spreekt van het verschijnen van het teken van de Mensenzoon, bedoelt Hij daarmee zijn voltooide en tot volkomenheid gekomen gemeente. God redt zijn schepping door middel van de gemeente, waarvan Jezus het hoofd is. Daarom is het zo noodzakelijk dat allen, die met de Geest vervuld zijn, gemeenten vormen die in de zichtbare wereld openbaren, wat in de onzienlijke wereld aanwezig is. Het nieuwe mensenras is hemels georiënteerd en is ‘voortgebracht door het woord van de waarheid, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder zijn schepselen’ (Jac.1:18).

De doop in Gods Heilige Geest noodzakelijk

Wij leven in een tijd, die naar de woorden van Jezus overeenkomst vertoont met de dagen, waarin Noach leefde. Ook nu komt het oordeel van God, niet als een zondvloed van water over de uitwendige mens, maar als een van vuur óver de inwendige mens:

  • ‘Maar de tegenwoordige hemel en aarde worden door datzelfde woord bewaard om op de dag van het oordeel, waarop de goddelozen ten onder zullen gaan, te worden prijsgegeven aan het vuur’ (2 Peter 3:7).

Vuur is het beeld van de demonische machten. Opnieuw zullen de sluizen van de hemel geopend worden, want satan en zijn legers worden op de aarde geworpen (Op.12:9). Weer zullen de kolken van de grote waterdiepten openbreken, want uit de afgrond zullen de occulte demonen opstijgen om zich op de mens te werpen, om hem te overweldigen en in bezit te nemen (Op.9:1-12).

Er komt een vermenging van geesten, zoals er nooit geweest is en ook nooit meer zijn zal. Alleen zij, die in de geestelijke wereld bij de witte wolk horen en gedoopt zijn met de Geest van God, ontkomen. Zij hebben de begaafdheid en de kracht om de duistere, occulte demonen te onderkennen en te weerstaan. Joël profeteerde in verband met deze laatste dagen over ‘bloed en vuur en rookwalm’, maar ook over de uitstorting van Gods Geest over alles wat voor God leeft, uit alle volken, natiën en talen. De gemeente van Jezus Christus bereikt hierdoor haar uiteindelijke bestemming en volkomenheid. Ten opzichte van de machten die uit de hemel op de aarde geworpen worden, wordt aangaande de gemeente geprofeteerd: ‘Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis’ (Op.12:11).

De occulte geesten uit de afgrond krijgen de opdracht ‘dat zij aan het gras van de aarde (de jeugd) geen schade zouden toebrengen, noch aan enig gewas, noch aan enige boom, maar alleen aan de mensen, die het zegel van God (de doop in Gods Geest) niet op hun voorhoofden hadden’ (Op.9:4). Deze boze geesten mogen dus niets beschadigen waar leven in is, hetzij klein of groot. Daarom is het pinksterevangelie de enige oplossing voor onze tijd.

Iedere andere boodschap zal veel ‘zich christelijk noemenden zonder Bijbels Fundament’ voortbrengen die door de aanrukkende demonenlegers onder de voet gelopen worden. Men ontkomt ook niet aan het oordeel door een plotselinge ‘hemelvaart’ van de gelovigen, maar men wordt door de kracht Gods bewaard en bestand gemaakt tegen de zondvloed van vuur, die over de hele aarde komen zal. De doop in Gods Heilige Geest is van essentieel belang voor ieder kind van God en dat Jezus ieder, die Hem toebehoort, met deze Geest wil toerusten. Petrus sprak immers op de Pinksterdag met volle overtuiging:

  • ‘U zult de gave van de Heilige Geest ontvangen. Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die van ver zijn, zoveel als de Heer, onze God, ertoe roepen zal’ (Handelingen 2:38,39).