Flitsen uit de Doperse opwekking in het 16e eeuwse Zwitserland
In een fraai uitgevoerd Zwitserse tijdschrift staat een artikel van Wolfgang Schäufele over de strijd en de vervolging van Zwitserse christenen die zich in de zestiende eeuw op Bijbelse wijze lieten dopen IN water. Omdat kinderen van God moeten lijden vanwege hun doop, worden hier enkele delen uit het artikel geplaatst.
Een clandestiene doopdienst
Op de avond van de 21ste januari 1525 slopen enkele donkere gestalten door de spaarzaam verlichte straten van Zürich. In de Neustadtgasse verdwenen zij in het huis van Felix Mantz. Daar zou namelijk die nacht een geheime vergadering worden gehouden. De mannen die bijeenkwamen, stonden voor een bijzonder moeilijke beslissing. Zij hadden al verschillende keren moeilijkheden met de overheid gehad op grond van hun geloofsovertuiging. Zij waagden het namelijk om er opvattingen op na te houden, die niet in overeenstemming waren met de mening van de reformator Zwingli en het stadsbestuur van Zürich. Het ging hier niet over de rechtvaardiging door het geloof. In dat opzicht waren deze mannen het volkomen met Zwingli eens: de mens kon alleen behouden worden door het geloof in Jezus Christus.
Huldrych Zwingli
De babybesprenkeling, die door Zwingli klakkeloos van de Roomse kerk was overgenomen, werd echter door deze gelovigen radicaal afgewezen. Zij legden er de nadruk op dat iemand pas – op Nieuwtestamentische wijze – gedoopt kon worden als hij persoonlijk in Christus geloofde.
De mannen die nu in het huis van Felix Mantz bijeen waren gekomen, konden zich er ook niet mee verenigen dat Zwingli vasthield aan het middeleeuwse idee van een volkskerk, waarin gelovigen en ongelovigen zonder onderscheid samen kwamen. Zij waren er van overtuigd dat een gemeente slechts hoorde te bestaan uit mensen die Christus wilden volgen. Precies als dat in de tijd van de apostelen het geval was. Maar door deze opvattingen hadden zij zich de woede van Zwingli en het stadsbestuur van Zürich op de hals gehaald. Daarom had de overheid hun bijeenkomsten verboden en hun leiders een spreekverbod opgelegd. De gemeenteraad van Zürich was vastbesloten deze lastige ketterij met geweld uit te bannen!
Wat moesten zij nu doen? Op deze vraag moesten de mannen tijdens hun nachtelijke bijeenkomst een antwoord vinden. Als zij hun overtuiging niet los lieten, zou hun onherroepelijk vervolging te wachten staan. Zij waren zich allen ervan bewust hoe belangrijk hun beslissing was. Plotseling stond één van de aanwezigen op. Het was Jorg Blaurock, een priester uit Graubunden, die protestants was geworden. Hij verzocht de leider van de bijeenkomst, de jonge patriciërszoon Konrad Grebel, hem ‘um Gottes Willen’ op grond van zijn geloof te dopen. Nadat Blaurock gedoopt was, doopte deze ex-priester de overige aanwezigen. Opgelucht haalden de mannen toen adem, want nu waren de verhoudingen duidelijk geworden. De opwekking was begonnen!
Onmiddellijk begon de opwekking zich als een bosbrand uit te breiden. Het vuur greep overal om zich heen, niet alleen in de onmiddellijke omgeving van Zürich, maar ook in de noordelijke kantons van Zwitserland. In St. Gallen trok het volk als in processie uit om zich door Konrad Grebel te laten dopen. In korte tijd steeg het aantal dopers hier tot 800, terwijl de kerkelijke predikers voor lege banken preekten. Vanuit Zürich breidde de opwekking zich uit naar Tirol, Oostenrijk, Moravië en naar Zuid- en Midden Duitsland. Ja, snel brandde het vuur ook in Noordwest Duitsland en in de Nederlanden.
Vervolging maar ook groei
Overal werden de doperse gelovigen fel vervolgd door de kerkelijke en burgerlijke overheid. Honderden van hen werden gearresteerd, onthoofd of verbrand. Maar ook: Overal schoten echter gemeenten als paddenstoelen uit de grond. Een tijd lang werden Augsburg en Straatsburg centra van de opwekking. In de hoofdzakelijk Lutherse gebieden rondom Neurenberg veroorzaakte de Nieuwtestamentische doopbeschouwingen een wijdvertakte opwekking (G. Westin). In Tirol sloten zich duizenden bij de opwekking aan. De Lutherse reformatie werd hier bijna geheel teruggedrongen. In het jaar 1531 kon Sebastian Franck in zijn ‘Turkenchronik’ al meedelen: ‘Tegenwoordig zijn er hier drie stromingen die veel aanhang hebben, namelijk de Luthersen de Zwinglianen en de Dopers’.
Hoe is het mogelijk dat deze opwekking zich, ondanks alle vervolgingen, toch zo snel uitbreidde? De doperse evangelisten waren vervuld van een brandend verlangen om het evangelie te verspreiden. Zij waren de eerste protestanten die het zendingsbevel van Christus letterlijk in praktijk brachten (Matth.28:19,20; Marcus 16:15-19). Zij beschouwden de wereld als één groot zendingsveld. Het doel van de dopers was om alle mensen te brengen tot de juiste kennis van God en hen te maken tot ware christenen. De ex-priester Leonard Dorfbrunner had in Augsburg in vijf weken tijd honderd mensen gedoopt. Toen hij later verhoord werd, verklaarde hij dat het hem speet dat hij slechts zo weinig mensen op hun persoonlijke getuigenis gedoopt had. Het liefst had hij de hele wereld zo gedoopt, getuigde hij. De Nederlandse doper evangelist Leenaert Bouwens (overl.1582) heeft maar liefst 10.378 mensen gedoopt, nadat zij hun geloof in Jezus Christus, de Zoon van God, hadden beleden.
Onthoofd en verbrand
De doperse christenen betaalden een dure prijs voor hun geloof in Christus en zijn Woord. Men schat het aantal doperse martelaren in de zestiende eeuw op vier à vijfduizend. Deze broers en zussen in Christus werden op de gruwelijkste manieren ter dood gebracht. Als eerste protestantse martelaar uit Zürich werd op 5 januari 1527 Felix Mantz in de Limmat verdronken. Men liet hem bukken en boeide zijn handen toen zó, dat zijn knieën bijeen werden gehouden. Vervolgens stak men een stok tussen zijn armen en knieën door, zodat hij niet zou kunnen zwemmen. Maar op weg naar de plaats waar hij in het water werd gegooid, loofde en dankte Felix Mantz zijn God, omdat hij voor de waarheid sterven mocht.
Overal werden dopers onthoofd. Overal brandden de brandstapels en het bloed van de dopers droop van het schavot. De doperleider Michael Sattler werd in Rothenburg-Neekar op gruwelijke wijze ter dood gebracht. Dat was in het jaar 1527. Men sneed hem zijn tong af en op weg naar de brandstapel trok men met een gloeiende tang tot zevenmaal toe stukken vlees uit zijn lichaam. Toen volgde de brandstapel, maar Michael Sattler bleef trouw tot in de dood!
Net als talloze andere doperse martelaren stelt hij een stille, maar toch duidelijk verstaanbare vraag aan de christenen van deze eeuw: ‘Betekent het geloof voor u ook zó veel, dat u bereid bent uw leven ervoor af te staan?’ De blijdschap waarmee de doperse martelaren de dood ingingen, bracht de kerkelijke en burgerlijke autoriteiten helemaal van hun stuk. Ondanks al die vervolgingen konden zij de ‘sekte’ niet de baas worden. Integendeel: hoe feller de vervolging woedde, des te meer ‘overdopers’ kwamen erbij.
‘Sanguis martyrum est semen ecclesiae – het bloed van de martelaren is het zaad van de Kerk’
In plaats van één terechtgestelde doper, verklaarde een tijdgenoot, kwamen er honderd nieuwe! Herhaaldelijk kwamen er mensen tot bekering als zij zagen hoe de dopers vol blijdschap hun leven aflegden. Daarom werd bijvoorbeeld in Tirol het bevel uitgevaardigd dat dopers niet meer in het publiek ter dood mochten worden gebracht!!
- De poorten van het dodenrijk zullen de gemeente van Christus niet overweldigen! Deze belofte gold voor de doperse martelaren van de zestiende eeuw. Maar zij geldt ook nog voor de gemeente van Christus in deze dagen, ook nu, juist in deze tijd!


