De valse Drie-eenheid en ware doopformule

Doopformule

Bij het doorlezen van het Nieuwe Testament valt steeds weer op dat de naam van Jezus een grote rol speelde in het denken en werken van de apostelen. Het is daarom opmerkelijk dat in de laatste verzen van het Mattheüsevangelie een formulering met betrekking tot het dopen wordt gebruikt die uit zou gaan van een drie-enige God. De naam van onze Heer is ons te geliefd om er oppervlakkig mee om te springen. We willen immers het volledige plan van God leren kennen en niet met halve waarheden in vaagheid blijven steken. Ons denken, spreken en handelen moet gebaseerd zijn op een zuiver inzicht m.b.t. de geestelijke werkelijkheid van Christus. Daarom onderzoeken we deze valse doopformule. In dit verband gaat het dan met name om Mattheüs 28:19b:

‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.’

Het is vanzelfsprekend om bij de doopformule in deze tekst een groot vraagteken te plaatsen. Hoe is deze formulering te rijmen met het gegeven dat er helemaal geen drie-eenheid bestaat? De Geest van God is toch geen zelfstandig, apart goddelijk wezen in wiens naam gehandeld zou moeten worden? Nergens(!) leert de Bijbel ons in de naam van de Heilige Geest iets te doen. De volgorde ‘Vader, Zoon, Heilige Geest’ komt daarom zeer verdacht over. Is hier soms geknoeid met de vertaling, of zijn er toevoegingen tussen geplaatst? Deze kwestie vraagt om een oplossing.

Jezus alleen

Toen de drie trouwste volgelingen van Jezus op de berg van de verheerlijking een stem uit de hemel hoorden zeggen: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar Hem’, keken zij om zich heen en zagen niemand dan Jezus alleen (Matth.17:5-8). Om Hem draait alles. Hij is de spil van Gods voornemen. Niemand is aan Hem gelijk. Hij is onder allen de eerste. Aan Hem alleen is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. De Vader heeft Hem alles in handen gegeven. Hij is de Christus, de Heer, de Koning. Vandaar ook dat Paulus de gelovigen de opdracht meegeeft om ‘alles wat zij doen met woorden of werken, dat alles te doen in de naam van de Heer Jezus’ (Col.3:17). Dit ‘alles’ valt uiteen in talloze activiteiten binnen het christendom.

We zijn niet bang om hieronder een opsomming te geven van al die Bijbelplaatsen waar geschreven wordt over de Naam van Jezus. Het is echter ondoenlijk om alle teksten te noteren. In de Concordantie beslaan ze meer dan een bladzijde. We zullen de belangrijkste ervan vermelden, waarbij de Schriftplaatsen in verband met dopen achterwege gelaten worden, omdat die verderop aan de orde komen. Heel opmerkelijk is dat nergens gesproken wordt over handelen in de naam van de Vader of de Heilige Geest.

‘op Zijn naam zullen de heidenen hopen’ (Matth.2:21).
• ‘waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam’ (Matth.18:20).
• ‘ieder die… heeft prijsgegeven om Mijn naam’ (Matth.19:29).
• ‘die een kracht zal doen in Mijn naam’ (Marc.9:39).
• ‘in Mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven’ (Marc.16:17).
• ‘de geesten onderwerpen zich aan ons in Uw naam’ (Luc.10:17).
• ‘dat in Zijn naam moest opgeroepen worden bekering tot vergeving van zonden aan alle volken’ (Luc.24:47).
• ‘macht gegeven om kinderen van God te worden die in Zijn naam geloven’ (Joh.1:12).
• ‘wat u ook vraagt in Mijn naam, Ik zal het doen’ (Joh.14:13).
• ‘de Geest die de Vader zenden zal in Mijn naam’ (Joh.14:26) (Joh.15:16).
• ‘dat u gelovende, het leven hebt in Zijn naam’ (Joh.20:31).
• ‘op het geloof in Zijn naam heeft zijn naam deze sterk gemaakt’ (Hand.3:16).
• ‘te spreken op gezag van de naam van Jezus’ (Hand.4:18).
• ‘die de naam van Jezus Christus predikte’ (Hand.8:12).
• ‘vergeving van zonden door Zijn naam’ (Hand.10:43).
• ‘allen die de naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen’ (1 Cor.1:2).
• ‘gerechtvaardigd door de naam van de Heer Jezus Christus’ (1 Cor.6:11).
• ‘Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen’ (Fill.2:9,10)
• ‘opdat de naam van onze Heer Jezus in u verheerlijkt wordt’ (2 Thess.1:12).
• ‘de liefde die u voor zijn naam getoond hebt’ (Hebr.6:10).
• ‘met olie zalven in de naam van de Heer’ (Jac.5:14).
• ‘dat wij geloven in de naam van zijn Zoon’ (1 Joh.3:23).
• ‘en u houdt vast aan Mijn naam’ (Op.2:13).
• ‘U hebt Mijn naam niet verloochend’ (Op.3:8).
• ‘op wier voorhoofden Zijn naam geschreven stond’ (Op.14:1).

Dopen

Waar er sprake is van de waterdoop komen we ook alléén de naam van Jezus tegen. Deze teksten worden hieronder allen genoemd:

‘ieder van u laat zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden’ (Hand.2:38).
• ‘zij waren gedoopt in de naam van de Heer Jezus’ (Hand.8:16).
• ‘Petrus beval hen te dopen in de naam van Jezus Christus’ (Hand.10:48).
• ‘zij lieten zich dopen in de naam van de Heer Jezus’ (Hand.19:5).
• ‘wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn’ (Rom.6:3).
• ‘U allen die in Christus gedoopt bent’ (Gal.3:27).

Als de apostelen al zo snel na Jezus’ hemelvaart zijn bevel in Mattheus 28:19b hadden vergeten of gewijzigd, dan zou er toch op z’n minst sprake zijn van een ernstige ongehoorzaamheid en slordigheid. We kunnen na de alle hier genoemde teksten niet tot een dergelijke conclusie komen. Er is hier iets anders aan de hand. Een nader onderzoek van de doopformule uit Mattheus onderstreept dit juiste vermoeden sterk.

Mattheüs 28:19,20

In deze tekst zijn de volgende elementen te onderscheiden:

A: Maak al de volken tot (mijn) leerlingen (in mijn naam).
B: Doop hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
C: En leer hen onderhouden alles wat Ik u bevolen heb
• D: En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding van de aeoon (=eeuw; naar de grondtekst).

In de regels A, C, D, is Jezus (mijn, Ik) het middelpunt. Regel B. valt daar duidelijk buiten. Deze zin lijkt er tussengevoegd te zijn. Onderzoekers bevestigen dit. Uit hun commentaar nemen we de belangrijkste uitspraken hier over.

Onderzoek

De Griekse tekst van Nestle en Aland geeft in het tekstkritisch gedeelte aan dat er tot en met Eusebius (± 300 na Chr.) een andere tekst heeft gestaan die later niet meer gedeeld wordt door de diverse handschriften. Er staat namelijk in de eerste tekstregel ’in de naam van Mij’. Deze tekst zou dan na het concilie van Nicéa (325 na Chr.) – waar het dogma van de Drie-eenheid vastgelegd werd – veranderd zijn. Vandaar de toevoeging van regel B.

Het boek ‘De Heer uw God is een’ van Lapide en Moltman stelt op blz.26: ‘Met betrekking tot de Drie-eenheidformule aan het slot van Mattheüs heeft F.C. Conybeare al in 1901 bewezen, dat die ontbreekt in alle geschriften en afschriften van Eusebius die vóór het concilie van Nicéa werden geschreven. Intussen heeft David Flusser op basis van de rabbijnse analogieën en met behulp van handschriften uit de bibliotheek van Caesarea de hoogstwaarschijnlijke originele tekst van het oorspronkelijke zendingsbevel van Jezus gereconstrueerd: ’Ga heen, onderwijs al de volken en leer hen onderhouden alles wat Ik u bevolen heb’.

Het onderzoek van David Flusser, gepubliceerd in het blad ASTI V \ Jerusalem, leverde het volgende op: De tekst van Mattheus 28:19,20a luidde tot en met Eusebius: Uit de oude geschriften blijkt ook dat in de eerste Christentijd alles gedaan werd ‘in de naam van Jezus’. Recentelijk is er zelfs een geschrift uit de vijfde eeuw ontdekt waarin vermeld wordt dat een groep christenen zich verzette tegen het opkomende dogma van de Drie-eenheid in de kerk van die tijd. Deze groep wilde de oude informatiebronnen behouden. Zij verwierpen op grond daarvan ook Mattheus 28:19 in zijn huidige vorm en stelden:

  • ‘Handel zoals jullie Mij hebben zien handelen, leer hen wat Ik jullie geleerd heb en wees voor hen wat Ik voor jullie geweest ben’.

De rabbijn Schalom-ben-Chorim schrijft in zijn boek ‘Broeder Jezus’ dat Mattheus 28:19 in de oudste handschriften van voor het concilie van Nicea ontbreekt. Dit werd bevestigd door de ontdekking van professor Pines, die in 1966 te Istanbul een joods-christelijk handschrift uit de tijd van het vroege christendom heeft gevonden. Een aantal encyclopedieën bevestigen dat er in de vroegste christentijd gedoopt werd in de naam van Jezus Christus.

• Katholieke Encyclopedie (Deel 2, blz.263). Hier erkennen de katholieken dat de doop door hun kerk werd veranderd.
• Canney Encyclopedie (blz.53). De eerste gemeente doopte altijd in de naam van de Heer Jezus tot de ontwikkeling van de Drie-eenheid-’leer’ in de tweede eeuw.
• Encyclopedie Brittanica (Deel 3, blz.363). De doopformule werd veranderd van ‘de naam van Jezus Christus’ naar de woorden ‘Vader, Zoon en Heilige Geest’ door de Katholieke kerk in de tweede eeuw.

Jezus’ afscheidswoorden

In de afscheidswoorden van Jezus aan het slot van de andere evangeliën komt ook alleen maar de uitdrukking ‘in mijn Naam’ voor.

‘in mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven’ (Marc.16:17).
• ‘dat er in zijn Naam opgeroepen moest worden bekering tot vergeving van de zonden aan alle volken’ (Luc.24:47).
• ‘Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u’ (Joh.20:21).

Na het pinkstergebeuren voeren de leerlingen deze opdracht uit. De door Flusser in de bibliotheek te Caesarea gevonden versie van Mattheus 28:19 past daar geheel en al bij: ‘Maak allen tot leerlingen in mijn naam.’ Voor ons betekent dit alles dat wij vanaf vandaag de doopformule wijzigen. De eeuwenlange Drie-eenheidsgedachte, die zonder slag of stoot in de pinkster- en evangeliebeweging overgenomen werd, heeft door haar onjuistheid volledig afgedaan. Bij het dopen van nieuwe bekeerlingen zal zij daarom niet meer mee resoneren, maar dan zal men de Bijbels gefundeerde woorden horen klinken:

  • • ‘Broer/zuster, wij dopen u in de naam van Jezus Christus!’

Jezus’ waterdoop

Deze doop symboliseert verschillende aspecten van de werkelijkheid van Christus. In Romeinen 6 wordt de doop beschreven als beeld van sterven, begraven en opstaan van de bekeerling met Christus. Voor Jezus zelf gold bij zijn eigen waterdoop in de Jordaan deze situatie niet. Hij hoefde zich immers niet te bekeren, want vanaf zijn geboorte had de Vader Hem volmaakt geheiligd. Hij kende geen zonde, Hij had geen oud leven af te leggen. Toch beeldde Hij het sterven, begraven en opstaan uit door de onderdompeling in water. Maar dan als beeld van zijn eigen dood, begrafenis en opstanding als Lam van God dat geofferd zou gaan worden voor de zonde van de wereld. De Heer kende vanaf het begin van zijn bediening deze opdracht. Johannes de Doper wees in het openbaar Hem al aan als het Lam van God (Joh.1:29,36).

Het blijkt ook uit de feit dat de Heer macht had om zonden te vergeven. Dit is immers gebaseerd op zijn volbrachte werk aan het kruis. Om als offerlam werkelijk plaatsvervangend voor de mensheid te kunnen zijn, was het nodig dat Jezus in onze situatie zou komen, namelijk die van dienstknecht – dat is slaaf – van de zonde (Fill.2:7). Daartoe was het noodzakelijk dat Hij zijn heerlijkheid, zijn rijkdom moest afleggen. De geestelijke rijkdom van onze Heer is gelegen in God (o.a. 2 Cor.4:7). Door het deelhebben, als gelovige mens, aan de goddelijke natuur is er aansluiting op het immense potentieel van de Schepper. In Jezus kwam diens goddelijk leven tot een maximale ontplooiing: ‘Want in Hem is de goddelijke volheid lichamelijk aanwezig’ (Col.2:9).

Zijdelings merken we hier nog op dat ook deze tekst duidelijk aangeeft dat Gods volheid ‘in’ Jezus woont en Hij niet zelf die godheid is. Toen het verzoenend lijden van de Heer aanbrak in de hof van Gethsémané, legde Hij zijn rijkdom af en kwam in de geestelijke situatie van de arme, gevallen mensheid. ‘Hij was rijk, maar is om u arm geworden opdat u door zijn armoede rijk zou worden’ (2 Cor.8:9). Dit afleggen van zijn rijkdom kwam tot stand door een afgescheiden worden van God (Jes.59:2). Zijn roep ‘Mijn God, waarom hebt U mij verlaten’ is hiervan het schrijnende signaal. Na het volbrachte werk kwam de relatie met de Vader weer tot stand: ‘in uw handen beveel Ik mijn geest’ (Luc.23:46). Hoewel de Heer na zijn sterven in het dodenrijk vertoefde, was Hij in heilige Geest, de hand Gods. Door deze rijkdom en heerlijkheid kon Hij opstaan.

Jezus getuigde echter ook bij en met zijn doop van nog een andere waarheid die heel reëel voor Hem was. In Mattheus 3:15 zegt Hij: ‘Laat het nu maar gebeuren, want het is goed dat we op deze manier Gods gerechtigheid vervullen.’ Wat kwam Jezus in zijn leven vervullen? De wil van God, dat is zijn plan. ‘Gods gerechtigheid’ houdt Gods eeuwig voornemen in. De Heer was de eerste die dat volledig kende, geloofde en verwerkelijkte in zijn leven. De opdrachten om als Lam van God de zonde van de wereld te dragen, het rijk van de duisternis te verslaan en als Christus de leiding van de schepping op Zich te nemen, werden daar nog eens als extra taken aan toegevoegd. Voor ons eigen leven hoort dit laatste uiteraard niet bij alle gerechtigheid. Die fundamentele reddingsfeiten waren alleen door Jezus uit te voeren. Eén voor allen (2 Cor.5:14,15)!

De gerechtigheid die wij moeten vervullen is Gods bedoeling met de mens realiseren in het hier en nu. Dit geldt eigenlijk voor alle mensen. Jezus gaf het voorbeeld en Hij roept ons op Hem te volgen. Het antwoord op de vraag: Wat is het ware leven? geeft Jezus: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. ‘Alle gerechtigheid’ leren we van Hem alleen. Jezus aanvaardde Gods wil geheel en al. Hij wilde absoluut zich als losprijs geven uit liefde tot de Vader. Zijn keus om zich volledig te geven aan het goddelijk plan beeldde Hij uit door zich in water te laten onderdompelen. Zoals zijn innerlijk zich geheel ‘onderdompelde’ in de wil van God, in het waterbad van het Woord, zo wilde Hij ook in de uitbeelding daarvan zijn natuurlijk lichaam ondergedompeld laten worden in water. ‘Laat het nu maar gebeuren’ zegt Hij tot Johannes de Doper. Hier getuigt Jezus niet alleen van zijn totale keuze voor God, maar ook voor diens oorspronkelijk en eeuwig plan met de mens. Deze betekenis vormt het wezenlijke element van de waterdoop.

En wij?

Voor ons zal overigens hetzelfde moeten gelden. De mens moet zich aan zijn Schepper onderwerpen, zodat Deze hem verhoogt tot de schitterende plaats in zijn troon (Gal.4:7a; 1 Petr.5:6). God wordt het meest verheerlijkt als Schepper, als hemelse Vader, als de mens tot zijn bestemming komt. Hoewel wij geloven dat Hij zijn plan door Jezus Christus tot een goed einde zal brengen, zullen de gelovigen zich wel actief in moeten zetten. Niets gebeurt automatisch aan ons. God werkt met en door (zijn) mensen. Wie zich dan ook laat dopen in Jezus’ naam, geeft eigenlijk daarmee te kennen dat hij/zij alle gerechtigheid van God wil gaan vervullen. Er wordt gekozen voor dat levensprincipe. Tenminste, zo zou dat moeten zijn. Het vraagt in deze tijd om een eerlijk zelfonderzoek of iedere gelovige zich dat bewust is. Zo niet, dan moet er correctie aangebracht te worden. Vrij van bijbedoelingen en eigen winst zal iedereen, die een waar christen wil zijn, zich geheel richten op wat Jezus wil en vraagt. Paulus verwoordt dit in Galaten 3:26 en 27 als volgt:

  • ‘Want door het geloof en in Christus Jezus bent u allen kinderen van God. U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed.’

Het laten dopen in zijn Naam is geen religieus ritueel op zich, maar zal een getuigenis zijn van de hartgesteldheid: ik wil alle gerechtigheid in mijn leven gaan vervullen. Dit is voor ons alleen uitvoerbaar, haalbaar, onder leiding van Jezus Christus (Matth.23:10b; Hebr.12:2a). Hij biedt ons zijn leven aan: ‘zo zal hij die Mij eet, leven door Mij’ (Joh.6:57b). Jezus’ vlees eten, Jezus’ bloed drinken, je met Jezus bekleden, zijn beeldspraken voor het overnemen van zijn geloof, zijn denken, zijn woorden, zijn Geest, zijn gezindheid. Je richt je er bewust op en werkt er praktisch aan om geheel met Christus samen te groeien (Rom.6:5,8), een te worden (Joh.17:22,23a). Dopen in Christus’ naam en bekleden met Christus horen onverbrekelijk bij elkaar. Het: ‘Doe de Heer Jezus Christus aan’, is het door God bevolen gebod dat tot de door Hem bedoelde levenswijze voor christenen leidt (Rom.13:14a).

In Hem

‘In Hem zijn’ is de enige situatie voor mensen om behouden te worden voor zijn scheppingsdoel. Christus onder u, de hoop van de heerlijkheid, is het geheimenis van God voor u, voor mij, voor allen (Col.1:27). Alleen door Jezus Christus, de Zoon van God, komt men tot de Vader en krijgt men deel aan diens goddelijke natuur. Jezus heeft ‘ons inzicht gegeven om zowel de Almachtige als zijn plan te kennen’ (1 Joh.5:20a). Door ‘in’ Jezus te zijn, hebben wij gemeenschap met God en zijn in God (1 Joh.5:20b; Col.3:3). Alleen de God en Vader van onze Heer Jezus Christus is de waarachtige God, en alleen in Hem is het eeuwige leven (1 Joh.5:20c). Dit leven is ons geschonken in zijn Zoon. Hij is het begin van de nieuwe schepping en het einde, de Alpha en Omega, de eerste en de laatste (Op.22:13). Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden!