Geloven – door God ingeschapen!

Geloof in God

Wie naar de woorden van God goed luistert en ze aanneemt, wil graag de ongekende rijkdommen, waarover gesproken wordt, bezitten. Die rijkdom bestaat uit schuldvergeving, gerechtigheid, geestelijke kracht, heiligheid, het kindschap en het zoonschap van God, het koningschap met de uiteindelijke heerschappij op de troon van God over de hele zichtbare en onzichtbare schepping. Al deze dingen vormen het heerlijke aanbod van de genade. Jezus, onze Redder, zei: ‘Kom naar Mij toe, u die moe bent en allerlei lasten met u meedraagt en Ik zal u rust geven’ (Mattheus 11:28). Hij had een blijde boodschap voor zondaars, zieken, kreupelen, melaatsen, gebondenen en bezetenen. Jezus beloofde om de gevangenisdeuren van de zonde en de ziekte te openen en de ketens van hun slachtoffers te verbreken. Zondeslaven zouden door Hem vrijgesteld worden en zieken van hun kwalen bevrijd. Paulus noemt het: 

  • ‘Het evangelie van de heerlijkheid van Christus’ (2 Cor.4:4). De apostel schrijft in Romeinen 1:16: ‘Ik schaam mij voor het evangelie niet; want het is een kracht van God tot behoud voor ieder die gelooft’.

Niemand hoeft zich voor het evangelie te schamen, want het is goed. Het openbaart de gedachten van een liefdevolle, barmhartige en enkel goede God ten opzichte van de mens. Om deze reden wil de opnieuw geboren mens het geestelijke contact met de boze geesten verbreken, die hem in wezen nooit blijdschap en vrede geven. Hij stelt zijn vertrouwen niet op wat de aarde kan bieden. Hij richt het oog op Jezus Christus en daarmee op het verlossingsplan van God met de mens. Het geloof van de mens grijpt het onzichtbare, want: ‘Het geloof is de zekerheid van de dingen die men hoopt en het bewijs van de dingen die men niet ziet’ (Hebreeën 11:1). Het geloof richt zich op en eigent zich iets toe, wat niet zintuiglijk waarneembaar is, maar toch vaststaat en niet dubieus is. Daarom staat er: ‘Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem serieus zoeken’ (Hebr.11:6).

Onze God is een sprekende God; daarom richt het juiste geloof zich op zijn Woord (zijn Logos Joh.1:1), dat eeuwig en onveranderlijk is. Wie niet gelooft dat er een God bestaat, kan zich ook niet bekeren, want hij verwacht immers niets vanuit de geestelijke wereld. Zijn geloof kan zich hooguit richten op de natuurlijke dingen waarover mensen spreken. Het ware geloof concentreert zich echter bovenal op de onzienlijke wereld. Het geloof is een functie van de geest, waardoor de mens de onzienlijke dingen kan vastpakken en zich eigen kan maken. Veel kerkgangers geloven dat het geloof een bijzondere gave van God zou zijn, die Hij alleen aan een kleine groep uitverkorenen geeft. Wie dit geschenk niet ontvangen heeft, is dan niet in staat het Koninkrijk van God binnen te gaan. Wat een wrede God hebben zij! Zij zeggen dit met een beroep op Efeze 2:8, waar staat: ‘Want door genade bent behouden, door het geloof en dat niet uit uzelf: het is een gave van God’. Het woordje ‘dat’ ziet echter niet terug op geloof, maar op genade. Men zou hier ‘door geloof’ tussen haakjes kunnen zetten, want het geloof is het middel waardoor men zich de genade toe-eigent. Dan staat er:

  • ‘Want door genade bent u behouden, (door het geloof) en dat niet uit uzelf: het is een gave van God’. Het geloof is niet een genadegave, maar het behoud wordt uit ontferming gegeven.

Let wel, hier wordt niet gesproken over de speciale charismatische gaven van Gods Geest, waar geloof ook bij hoort, die als bijzondere gave aan sommigen geschonken wordt, net als de andere in 1 Corinthiërs 12:9 genoemde bedieningen. Iedere geest bezit geloof. Zelfs van de boze geesten wordt gezegd, dat zij geloven kunnen (Jacob 2:19). Het geloof moet zich echter richten op het Woord van God. De Thessalonicenzen hadden zich van de afgoden afgekeerd en van hen wordt geschreven: ‘…overal is uw geloof dat zich op God richt, bekend geworden…’ (1 Thessalonicenzen 1:8).

Geloven is uit het horen

Als iemand zegt dat hij de ander gelooft, moet die ander eerst iets gezegd hebben. In Romeinen 10:17 staat dan ook: ‘Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus’. Als iemand veel gezegd heeft en men dus veel van hem weet, kan men ook veel geloof en veel vertrouwen in hem hebben. Het ware geloof richt zich op de woorden die God door zijn profeten gesproken heeft en vooral op die woorden, die Hij in de laatste dagen gesproken heeft door de Zoon (Hebreeën 1:1). Door het geloof neemt de geest de gedachten van God over. Hij wordt erdoor geraakt en is er mee vervuld. Zo wordt het gedachteleven veranderd en vernieuwd. De nieuwe geboorte waarover de Bijbel spreekt, begint in het denken. ‘Jezus volgen’ betekent: Zijn gedachten overnemen en van daaruit spreken en handelen. Wanneer u de leugen gelooft, luistert u naar de demonen, maar wanneer u de waarheid gelooft, aanvaardt u de woorden van God.

In de Bijbel staat dat Jezus voor de zonde van de hele wereld gestorven is. Door uw slechte woorden en daden heeft u schuld bij God in de onzienlijke wereld. Jezus nam deze schuld voor zijn rekening en betaalde haar. Hij gaf, als vrijwillig Lam van God, Zijn leven in ruil voor alle mensen op aarde. Als u deze waarheid gelooft, hebt u geen enkele schuld bij God. U mag zich dan een rechtvaardige noemen. Dan mag u de zekerheid uit Romeinen 5:1 zich eigen maken: ‘Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus’. Deze geloofszekerheid geeft grote blijdschap. Jezus is ‘het Lam van God, dat de zonde(schuld) van de wereld wegneemt’ (Joh.1:29). In de zichtbare wereld werd zijn bloed vergoten en in de onzichtbare wereld betaalde Hij met zijn leven uw schuld (Op.5:9b). U kunt dus God naderen ‘in volle zekerheid van het geloof met een waarachtig hart dat vrij is van schuldbesef’ (Hebr.10:22). Op deze manier maakt God een begin met het herstel van de schepping. Hij reinigt de mens (door het bloed van Christus) en neemt deze weer in genade aan. Als u de woorden van God accepteert, belijdt u dat u rein bent, dat u vrij bent van schuldbesef. U gelooft dan wat God zegt dat u bent.

Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘U bent rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb’ (Joh. 15:3). Door dit geloof in de uitspraken van God, belijdt u dat u een nieuwe schepping bent. U noemt zich voortaan een kind van God, een erfgenaam van God en een mede-erfgenaam van Christus (Rom.8:17). Door dit geloof aanvaardt u het principe van de nieuwe mens. Deze heeft geen contact met de demonen en verwacht ook niets meer van eigen inspanning. ‘De oude mens’ met zijn vroegere gedachteleven is met Christus gestorven. Zoals Jezus vrijwillig zijn leven aflegde, zo heeft ook de opnieuw geboren of vernieuwde mens zijn oude, aan de aarde en aan de boze geesten verbonden, leven afgelegd. Hij geeft dit voortdurend in de dood om een nieuw leven, een geloofsleven in de hemelse gewesten te gaan leiden. Hij wil een geestelijk mens zijn, dat is leven, wandelen, strijden èn overwinnen in de hemel. Hij zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is (Col.3:2). Jezus wil, dat waar Hij is, ook zij die de Vader Hem gegeven heeft, bij Hem zijn, om zijn heerlijkheid te zien (Joh.17:24). Hij belooft: ‘Als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij halen’ (Joh.12:32).

Rechtvaardig door Jezus Christus

Veel kerkmensen durven niet te belijden dat zij rechtvaardigen zijn, hoewel zij wel geloven in het plaatsvervangend lijden van Jezus Christus. Daarom leren zij dat zij tot hun dood toe een zondaar blijven, dus tot hun einde verbonden en onderworpen zijn aan de demonen van de duisternis (alhoewel, veel kerkmensen hebben geen idee op de geestelijke wereld, satan en zijn demonen worden verzwegen in de meeste kerken). De erfzondeleer van de kerk is daarom inconsequent, want zij léven niet uit geloof in de beloften van God. Daarom durven zij zich ook geen kind van God te noemen en hebben geen vrijmoedigheid de verdere rijkdom van genade te aanvaarden, die God aan zijn kinderen toegezegd heeft. Zij komen niet verder in het Koninkrijk van God, want in hen zit noch kracht, noch groei. Jezus zegt in Marcus 16 dat de gelovigen zieken de handen zullen opleggen tot genezing, dat zij demonen zullen uitwerpen en dat zij in andere talen Hem zullen verheerlijken. ‘In God geloven’ betekent: alles geloven wat Hij gezegd heeft en alles aanvaarden wat Hij ons in genade gegeven heeft. Als u dit doet, bent u een gelovige man of vrouw. Veel kerkmensen zeggen echter dat deze heerlijke beloften alleen maar voor vroeger waren en bevrijdingen en genezingen voor ‘toen’. Met deze bewering verachten zij het eeuwige en onveranderlijke Woord van God. Zij zijn in wezen naamchristenen, die zeggen christen te zijn maar ze geloven niet in Christus’ woorden. Jezus voorzag deze verwerping van zijn woorden toen Hij zei: ‘Maar als de Mensenzoon komt, zal Hij dan nog geloof vinden op de aarde?’

Geloven is het onzichtbare vasthouden, want woorden vertegenwoordigen gedachten en deze zijn immers niet zintuiglijk waarneembaar. Het ware geloof wordt actief door het horen van de woorden van God. Volgens Openbaring 6:2 trekt het Woord uit ‘overwinnende en om te overwinnen’. Wie door het geloof in dit Woord, dat is in Christus, blijft, dus het volhardend vasthoudt, functioneert in deze overwinning mee. De Bijbel spreekt van de bedoeling en van het plan van God met de mens. Hij concentreert zich op Christus, want Deze is de hersteller, de redder, de bevrijder, de genezer en de doper in Gods Geest. Jezus leeft, want Hij is opgestaan uit de doden en Hij bevrijdt en redt de mens ook nu uit de klauwen van zijn onderdrukkers en geestelijke overweldigers. Hij redt de mens door het geloof aan Zijn woorden. Daarna geeft Hij hem Gods Geest, die ook weer in geloof aanvaard moet worden. Zo ontvangt de mens de kracht en de gaven om te genezen, te herstellen en een geestelijke christen te worden. Het geloof opereert in de onzienlijke, geestelijke wereld, zodat de gelovige mens niet alleen maar aanvaardt wat hij in de zichtbare wereld hoort en ziet. Als u het woord van God vasthoudt, hebt u een geloof dat de ziel ‘behoudt’ (Hebreeën 10:39). Door het geloof in God kunt u zich dus ook in de geestelijke wereld bewegen. U leeft dan in twee sferen: de zichtbare en de onzichtbare. Iets wat dus in de kerken bijna nooit geleerd wordt, de meeste preken zijn erg aardsgericht. Maar zo heeft God het dus bedoeld, toen Hij de mens schiep: leven in twee werelden. God begon met Adam al contact te zoeken om uiteindelijk volkomen één met hem te worden.

Groot en klein geloof

In de Bijbel is sprake van klein geloof, maar ook van vermeerdering van geloof en van groot geloof. Uw geloof kan alleen vermeerderen als uw kennis toeneemt, niet van de aardse dingen, maar van de onzichtbare wereld. Hoe meer u van de geestelijke wereld weet en van haar bewoners, van haar krachten en haar wetten, des te meer kunt u geloven en in uw handel en wandel ervan laten zien. Jezus getuigde van de hoofdman te Kapernaüm dat deze een groot geloof bezat. Dit stond in verband met diens kennis m.b.t. de onzichtbare wereld. Hij had de woorden begrepen, die Jezus over het Koninkrijk van de hemelen in de Bergrede en de gelijkenissen gesproken had. Hij had het vermogen deze beelden uit de zienlijke wereld over te zetten in de onzienlijke werkelijkheid en daardoor zag hij hoe de genezing van zijn knecht tot stand moest komen. Hij zag de ziekte van zijn ondergeschikte als een vijandige macht en Jezus als autoriteit in de hemelse gewesten. De genezing van zijn stervende knecht berustte op wetten in de geestelijke wereld, waar Jezus gesteld was boven alles, ‘hetzij tronen, heerschappijen, overheden en machten’ (Col.1:16). Zoals de hoofdman op aarde zijn soldaten kon commanderen, zo was de Heer in staat in de onzienlijke wereld de ziekteverwekkers te sommeren heen te gaan (Luc.7:1-10).

Het naamchristendom zegt vaak: ‘Je moet in het geloof uitstappen’. Dit is een vage en onduidelijke kreet. Waar zit men eigenlijk dat men kan uitstappen? Men moet blijven in het geloof, wandelen in het geloof, strijden in het geloof en overwinnen in het geloof, dat wil zeggen als geestelijke mensen leven vanuit de onzichtbare wereld. Niet uitstappen, maar blijven. Het gaat bij het geloof in God om het telkens vergroten van de kennis van de waarheid en van de wetten van het Koninkrijk van de hemelen. Hoe groter de kennis wordt van het plan van God dat zijn oorsprong vindt in de liefde van God voor de mens en van de manier waarop Hij bezig is dit te realiseren, hoe groter het geloof in God, het vertrouwen in God en hoe groter de verwachtingen zijn richting God. Als u steeds meer in het geloof gaat handelen, zult u steeds meer de heerlijkheid van God op aarde en de redding en verlossing door Jezus Christus gaan zien. Daarom bidt de apostel:

  • ‘Dat u vervuld mag worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht en u een leven leidt dat de Heer waardig is’ (Col.1:9).