2. Geloof in God

  • ‘Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem serieus zoeken’ (Hebreeën 11:6)

Wie naar de woorden van God goed luistert en ze aanneemt, wil graag de ongekende rijkdommen, waarover gesproken wordt, bezitten. Die rijkdom bestaat uit schuldvergeving, gerechtigheid, geestelijke kracht, heiligheid, het kindschap en het zoonschap van God, het koningschap met de uiteindelijke heerschappij op de troon van God over de hele zichtbare en onzichtbare schepping. Al deze dingen vormen het heerlijke aanbod van de genade. Jezus, onze Redder, zei: ‘Kom naar Mij toe, u die moe bent en allerlei lasten met u meedraagt en Ik zal u rust geven’ (Mattheus 11:28). Hij had een blijde boodschap voor zondaars, zieken, kreupelen, melaatsen, gebondenen en bezetenen. Jezus beloofde om de gevangenisdeuren van de zonde en de ziekte te openen en de ketens van hun slachtoffers te verbreken. Zondeslaven zouden door Hem vrijgesteld worden en zieken van hun kwalen bevrijd.

Wanneer u honger en dorst hebt naar gerechtigheid voor uw lichaam, ziel en geest, naar een leven van vrijheid en vreugde, wordt bij het horen van het eeuwig evangelie uw wil in beweging gebracht. Deze wordt immers vanzelfsprekend altijd op iets gericht dat aanlokkelijk is. De Bijbel spreekt over: ‘Een evangelie van de heerlijkheid van Christus’ (2 Corinthe 4:4). De apostel getuigde in Romeinen 1:16: ‘Ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht van God tot behoud voor ieder die gelooft’. Wij hoeven ons voor het evangelie niet te schamen, want het is goed. Het openbaart de gedachten van een liefdevolle, barmhartige en enkel goede God ten opzichte van de mens. Om deze reden verbreekt de mens het geestelijke contact met de boze geesten, die hem in wezen nooit blijdschap en vrede schenken. Hij verwacht ook niets meer van wat de aarde kan bieden. Hij richt het oog op Jezus Christus en daarmee op het verlossingsplan van God met de mens.

Het geloof van de mens grijpt het onzichtbare, want:

  • ‘Het geloof is de zekerheid van de dingen die men hoopt en het bewijs van de dingen die men niet ziet’ (Hebr.11:1).

Het geloof richt zich op en eigent zich iets toe, wat niet zintuiglijk waarneembaar is, maar toch vaststaat en niet dubieus is. Daarom staat er: ‘Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem serieus zoeken’ (Hebreeën 11:6). Onze God is een sprekende God; daarom richt het juiste geloof zich op zijn Woord (zijn Logos – Joh.1:1), dat eeuwig en onveranderlijk is. Wie niet gelooft dat er een God bestaat, kan zich ook niet bekeren, want hij verwacht immers niets vanuit de geestelijke wereld. Zijn geloof kan zich hooguit richten op de natuurlijke dingen waarover mensen spreken. Het ware geloof concentreert zich echter bovenal op de onzienlijke wereld. Het geloof is een functie van de geest, waardoor de mens de onzienlijke dingen kan vastpakken en tot zijn eigendom kan maken.

Artikelen: