Dode werken of geloof?

Galaten 4:21-26:

  • ‘Zeg mij, u, die onder de wet wilt staan, luistert u niet naar de wet?’ 21.

In dit gedeelte van Paulus’ brief aan de Galaten gaat het over de grote strijd, die ook Jezus gekend heeft bij de bekendmaking van het koninkrijk van de hemelen, dat een eind zou maken aan het oude verbond. Miljoenen kerkmensen bidden: ‘Laat uw koninkrijk komen’, maar ze realiseren zich nooit hóe dat koninkrijk komt. Dat koninkrijk komt niet vanzelf, er is inzicht nodig in de manier waarop het koninkrijk komt. Het koninkrijk komt niet door preken over catechismussen en dogma’s, maar het komt door het brengen van het evangelie vàn dat koninkrijk. Daarom heeft Jezus de leerlingen dit gebed leren bidden, daarbij ervan uitgaand dat ze dit koninkrijk van de hemelen ook accepteren. En juist op dat punt is er veel tegenstand: er is veel wantrouwen als men hoort spreken over het koninkrijk van de hemelen. Jezus was gekomen om van de Goddelijke waarheid te getuigen, de verborgenheden van het koninkrijk van het hemelen. Daarom zegt Hij: ‘Zoek de geheimen van de geestelijke wereld èn je zult het vinden. Blijf zoeken en blijf kloppen, je zult het vinden en de deur zal opengaan. Als je om wijsheid bidt, krijg je wijsheid, het zal je royaal gegeven worden’ (verg. Jac.1:5).

Natuurlijk of geestelijk?

Als de joden dit evangelie hadden aanvaard, waren ze van een natuurlijk volk een geestelijk volk geworden, ze waren van onderontwikkelde, óntwikkelde kinderen van God geworden. Ze hadden dan de tempel gezien als een maquette, een schaduw van de hemelse tempel, ze hadden dan gezien dat het niet om het aards maar om het hémels Jeruzalem zou gaan. In de tekst spreekt Paulus over het tegenwoordige Jeruzalem (letterlijk vertaald) èn het Jeruzalem van omhoog (geestelijk). Maar de joden hebben dat niet aanvaard, ze spreken ook nu nog – en velen met hen – over een aards Jeruzalem en een aardse tempel. Er worden zelfs jongerenreizen georganiseerd onder het thema ‘Jeruzalem centraal’ (dit doet ons denken aan een station zoals Rotterdam centraal…). Daarbij geeft het ‘jezelf doneren aan Israël’ de doorslag. Opnieuw geboren christenen stellen ook Jeruzalem centraal, maar dan wel het hémels Jeruzalem, omdat de Heer daar Zijn volk bij elkaar brengt. In het aards Jeruzalem wilde men niet verzameld worden; deze stad werd compleet vernietigd door de Romeinen. Waarvoor Jezus al waarschuwde in Lucas 21:20,21, werd werkelijkheid:

  • De Joodse verliezen waren ontstellend. Naar schatting vielen er 300.000 doden en werden er 100.000 mensen als slaven weggevoerd. Het XV Legio Fretum Sicilense bleef gedurende 60 jaar als bezettingsmacht op de puinhopen van Jeruzalem. De troosteloze puinhopen mochten ‘op straf van dood niet door joden, noch door aanhangers van Jezus de Nazoreeër worden betreden’. Hadrianus (117-138) stichtte later hier een Romeinse kolonie. Op de plaats van de tempel stond het beeld van Jupiter.’

Het volk van God wordt nu verzameld in het Jeruzalem van omhoog, het beeld van de gemeente. Zo is de aardse tempel een beeld van de geestelijke tempel, de gemeente die het einddoel bereikt: ‘En kom naar Hem toe als naar een levende steen, die wel door de mensen verworpen is, maar bij God uitverkoren en kostbaar, dan wordt u ook zelf, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, die God aangenaam zijn door Jezus Christus’ (1 Peter 2:5).

Aan Abraham wordt het hemels Jeruzalem al getoond, wanneer hij nadenkt over de hemelse zaken. Hij kende het aards Jeruzalem, maar dat zocht hij niet. Hij zocht de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. Mozes had ook al begrepen dat er een hemels Jeruzalem is, hij maakte alles naar het model dat hem getoond was in de hemel (Hebr.8:5). Hij zag eerst de tempel in de hemel, waarna hij de tabernakel bouwde, die een schaduw was van de tempel in de geestelijke wereld. David, de profeet-koning, had ook de tempel van God in de geestelijke wereld gezien. Hij gaf het ontwerp door aan zijn zoon Salomo, omdat David zelf de tempel niet mocht bouwen vanwege het vele bloed aan zijn handen door alle oorlogen, die hij voor de Heer gevoerd had. David had alles opgeschreven: ‘Alles staat in een geschrift, ontvangen uit de hand van de Heer (de hand is beeld van Gods Geest), waarin Hij mij onderrichtte over de hele uitvoering van het ontwerp’ (1 Kron.28:19). Salomo had de wijsheid van de aarde, David had de wijsheid van de hemel, Jezus zegt later: ‘Meer dan Salomo is hier’.

Opnieuw geboren christenen zoeken de stad met fundamenten, met daarop de namen van de 12 apostelen (Op.21:12-14). Eerst moet het hemelse fundament gelegd worden. Daarna kan er op dat fundament gebouwd worden. Het is niet goed om het fundament eindeloos te blijven (her)leggen, je hoeft het fundament niet te verfijnen met allerlei leerstukken en gedachtewerelden. Al die leerstellingen zijn goed om eens te overdenken, maar het is geen norm meer. Daar hangt het niet vanaf of iemand wel of niet behouden is. Het hemels fundament bindt de gemeente van Jezus Christus samen, de stad van God met Jezus Christus, de hoeksteen.

De Joden hadden een heiligdom als vast punt in materiële zin. Als zij God wilden ontmoeten, gingen zij naar het middelpunt, het heiligdom in Jeruzalem. Waren zij daar niet, dan ontmoetten ze God ook niet. Maar de Heer zegt: ‘De echte aanbidders zullen de Vader aanbidden in geest en in waarheid’ (Joh.4:23). Zij aanbidden Hem in de geestelijke wereld, niemand kan daar bij wijze van spreken een foto van maken. Natuurlijk kun je foto’s van biddende mensen maken, maar het contact met God is niet zichtbaar vast te leggen. Bidden in de geest, maar ook in waarheid, dat is bezig zijn met het plan, de gedachten van God over het hemelse koninkrijk. De mensen die de Vader zo aanbidden, zijn mensen van het nieuwe verbond, zij zijn ook besneden, maar dan besneden van hart. Dat wil zeggen dat, als een demon met zijn misvormd lichaam zich wil hechten aan een geestelijk lichaam, de besnedene van hart er weerstand tegen biedt en de macht wegsnijdt. Dat is de christelijke besnijdenis (Rom.2:29) en dat is dus iets heel anders dan de babybesprenkeling, die vrijwel alle kerken leren. Het zit hem dus niet in de uiterlijkheden, de plaats van samenkomst of het aantal mensen.

Jezus benoemt het heel treffend:

  • ‘De vossen hebben holen en de vogels van de hemel nesten, maar de Mensenzoon heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen’ (Matth.8:20). 

Vossen kunnen zich altijd in hun hol onder de grond terug trekken, dat hol is veilig voor hem. De vogels, die wat meer onderlegd zijn in de leer van het koninkrijk van de hemelen, hebben hun nesten in de bomen. Ze hebben hun nest in de boom, een mooiere plaats dan een hol onder de grond. Vogels kunnen omhoog vliegen, maar ze keren toch altijd terug naar hun eigen nest om uit te rusten en te ontspannen. Zij zoeken die plek weer op om te recreëren, de meeste mensen willen toch nog iets op de aarde hebben. Maar de Mensenzoon heeft niets op aarde, waar Hij Zijn hoofd kan neerleggen (oftewel slapen). Er is geen enkele Bijbelverklaring die iets met deze uitdrukking kan. Ze zeggen dat Jezus soms geen slaapplek had, maar Hij had genoeg vrienden, bij wie Hij kon overnachten (alleen de Samaritanen wilden Hem niet ontvangen). Maar in de geestelijke wereld, stond Hij tegenover al die mensen die hun vertrouwen stelden op de zichtbare wereld. Het is dus de vraag: Waar is uw steunpunt, waar stelt u uw vertrouwen op? In de hemel of op de aarde?

Het volk Israël had al snel een keus gemaakt, vlak nadat ze bevrijd waren uit Egypte. God zegt dan tegen Mozes: ‘Met eigen ogen hebt u gezien hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte, hoe Ik u op arendsvleugels heb gedragen en hier bij Mij gebracht heb. Als u naar mijn woord luistert en mijn verbond (hetzelfde verbond dat Abraham met God gesloten had) onderhoudt, dan zult u van alle volken mijn bijzondere eigendom zijn, want de aarde is van Mij. U zult – allemaal – mijn priesterlijk koninkrijk en mijn heilig volk zijn. Deze woorden moet u aan de Israëlieten overbrengen’ (Ex.19:4-6). De Israëlieten antwoorden hierop dat zij alles zullen doen wat God gesproken heeft. Ze hebben niets hoeven doen om uit Egypte weg te komen, maar ze kwamen in opstand toen ze voor de Rode Zee stonden: ‘waren we maar in Egypte gebleven’. Toen redde God hen d.m.v. de wolkkolom en de vuurkolom.

In de woestijn was er geen eten, maar God zorgde voor manna. De Israëlieten hoeven weer niets te doen, maar nu zeggen ze wel dat ze alles zullen doen? God vraagt nu aan het volk of ze op deze basis willen doorgaan, zodat ze een koninklijk en priesterlijk volk zijn, die niets hoeven te doen zoals in hun verleden. Maar de joden wilden wetten, ze wilden zelf alles doen, regeltjes en wet op wet. Mensen die vandaag godsdienst bedrijven, beweren ook: ‘Ja maar zo gemakkelijk gaat het niet, je moet er toch iets voor doen!’ Wie een kerk wil stichten, wordt toch altijd afgerekend – met katholieken aan kop – op het aantal voorschriften en wetten, die men wil gaan hanteren. Hoe meer, hoe beter, anders tel je niet mee. Israël maakt ook die keus: geef ons maar wetten, die zullen we dan wel doen. Uit het geloof leven was voor hen veel te moeilijk, daar hadden ze geen grip op. God redt wel uit beproevingen, maar doet Hij dat de volgende keer weer? Israël wil wetten. Alle godsdiensten, religies en ideologieën hebben wetten en voorschriften en maken er steeds weer nieuwe bij. Paulus spreekt de Galaten hier ook op aan:

  • ‘Jullie zijn in het geloof, met de Geest begonnen, maar nu willen jullie onder de wet staan, maar waarom leef je dan niet naar die wet?’

Er waren mensen uit Juda gekomen, die christen waren geworden. Het zijn Christen-Joden, ze vinden het wel goed wat Paulus zegt, maar ze willen zich ook aan de wet van Mozes en allerlei andere voorschriften houden, zoals de besnijdenis en de sabbat. Deze nieuwelingen werden door een groep Galaten uitgenodigd om er het één en ander over te vertellen, dat is het begin van de scheuring van de gemeente daar. Paulus spreekt hier over ‘de wet’, maar hij gebruikt hier een ander begrip, hij gebruikt 2 woorden: ‘Zeg mij, u, die onder een wet wilt staan, luistert u niet naar de wet?’ Paulus zegt hier dus: jullie willen je houden aan allerlei voorschriften en wetjes, maar jullie moeten eens dé wet gaan lezen, dat is de Thora, de 5 boeken van Mozes. Daar staan veel wetten in, maar er staat nog veel meer in. Denk eens aan Abraham, die leefde 400 jaar voordat de wet aan Mozes gegeven werd. Hij leefde zonder wet net als al die anderen vóór hem. Maar Abraham was geen slecht mens, hij was een vriend van God. Abraham leefde niet onder de wet, maar UIT de wet. Hij had de wet in zijn hart, hij wist heel goed wat God wilde. In zijn geest had hij de wetten van God. Wat een verschil met Israël, zij hadden gebod op gebod en regel op regel. Jezus had Zijn volk bij elkaar willen brengen, om de wetten over te zetten in de geestelijke werkelijkheid, maar zij wilden niet. Ze waren verstrikt in zinloze verordeningen, in dienst als slaven van de wet. Paulus, een ex-farizeeër, noemt het een ‘bedekking van het hart’, die er is bij de joden, zodra de wet wordt voorgelezen. En die bedekking is niet uit God zoals de bedelingenleer beweert(!) maar zelf houden ze het oude vast, zodat ze zich nog kunnen indekken als excuus voor het ‘geen geloof hebben’.

Vrijwel alle kerken doen vandaag nog hetzelfde. Ze houden zich aan wat er in de boekjes staat, zoals een Jehova Getuige alles ook uit zijn hoofd leert en volgens de boekjes antwoord geeft. Elke keer voegen de joden nog weer nieuwe wetten toe, elke keer wordt het nog meer verfijnd, zoals het wel of niet mogen dragen van een gehoorapparaat op sabbat. Zo maken de mensen in de kerk ook regels hebben over het houden van de zondag, samen maken ze van de zichtbare wereld hun hoofdkussen. Zo krijg je een harde godsdienst, ze leggen mensen zware jukken op. Maar Jezus bracht een methode om te leven, Hij zegt: ‘Dit is het eeuwige leven, Ik ben het Licht van de wereld en het Leven is het licht van de mensen’. Er is niets mooiers op de aarde dan wanneer je kunt zeggen: ‘Ik leef!’ Je kunt niet leven als je onder een juk gebukt gaat, want het is nooit genoeg. Je wordt niet blij van de wet. Paulus noemt de wet ‘de bediening van de dood’ (2 Corinthe 3:7). Hij stelt daar de bediening van de Geest tegenover. De wet maakt dode mensen, zij leven niet, ze hebben geen echte relatie met God, maar met voorschriften, wetten, leerregels en dogma’s.

De wet op zich is goed, maar ziet geen enkele demon van satan. Je kunt wel zeggen dat je niet zult stelen of doden, maar als een demon in je zegt om het wel te doen, is de macht sterker dan de wet. In het Oude Testament hebben ze nooit tegen satans demonen gestreden en juist in die demonen zit de zonde. Om die boze geesten uit te drijven zal je in de geestelijke wereld moeten strijden, je hebt niets aan regels en wetten. Zolang dat niet gebeurt, overwint het rijk van de duisternis. In Johannes 1:17 staat: ‘De wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen’ (of geworden). Ware gelovigen leven, net als het volk Israël in het begin, uit genade, zij mogen eten van het manna dat uit Jezus’ hand komt, het Levensbrood. Jezus geeft geen wetten, maar de mogelijkheid om de voet op de vijand te zetten, zodat ze leven in intieme relatie met God. Zij kunnen een leer hebben, maar de leer maakt hen niet gelukkig als ze geen contact met God hebben. De leer over het koninkrijk van de hemelen is noodzakelijk als leidraad om te weten waar en hoe we zoeken moeten in de geestelijke wereld. Het leven vloeit uit ons weg als we de wetten en regels als leidraad nemen, dan gaan we dood. Wij willen echter niet dood, wij willen leven.

De wet van Mozes was het woord van God, maar het werd steen

De woorden van God zijn hard geworden op de Sinaï, mensen die onder de wet leven worden ook hard. Hun godsdienst bestaat daaruit dat ze altijd zeggen wat een ánder moet doen. Er is geen enkele overwinning, men schrijft aan God het goede en het kwade toe, men kan niet geestelijk denken. Jezus kon de Joden, hun verharde harten, niet meer bereiken, ze waren doof geworden voor de geestelijke wereld. Maar het Woord is vlees geworden. Jezus zegt tegen het volk, nadat Hij geprobeerd heeft hen bij elkaar te brengen: ‘Uw huis wordt prijsgegeven’ (Mathijs 23:39). Het wordt niet door God verwoest, maar God laat hen los en geeft hen over aan hun eigen verwerpelijk denken. Jezus geeft hen over aan de demonen die ze gediend hebben. Ook Petrus spreekt over het prijsgeven van de dwaalleraars: ‘Zij ontmoeten onrecht als loon voor hun eigen onrecht’ (2 Peter 2:13). Judas liep met moordplannen om zijn Meester te vermoorden, nadat dat gelukt is wordt hij overgegeven aan de demonen, waarmee hij gespeeld had: de moordenaar vermoordt zich. Als je prijsgegeven wordt, kom je erachter welke god je dient, je kunt God niet dienen en tegelijkertijd de mammon, de seks, het onrecht, enz. Jezus sprak zich negatief uit tegenover de farizeeërs, die niet alleen zichzelf maar ook anderen buiten het koninkrijk van de hemelen wilden sluiten (Mathijs 23:13). Paulus waarschuwt tegen het wetticisme, want daardoor wordt de weg naar het koninkrijk van de hemelen afgesloten. Alleen door het koninkrijk van de hemelen heb je leven, je gedachten worden vernieuwd en je wordt losgemaakt van aardse zaken. Er is zoveel mooiers, namelijk het leven met God en het geestelijk denken.

  • ‘Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin en één bij de vrije. Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, maar die van de vrije door de belofte. Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg Sinaï, die slaven baart, dit is Hagar. Het (woord) Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij’ 22-25.

Paulus haalt in deze tekst de geschiedenis van Abraham erbij. Hagar symboliseert iets, haar zoon geeft de richting aan van een volk. De andere zoon van Abraham, Izaäk, geeft ook een richting aan. Dat begint al in de tent van Abraham, waarna ze uit elkaar gaan. Er zijn 2 richtingen, zoals bij de letter V, vanonder af aan gezien er twee kanten opgegaan wordt. Dat was bij Abel en Kaïn zo, ook bij Ezau en Jacob was dat het geval. Paulus gaat nu vergeestelijken wat deze 2 richtingen betekenen. Hij noemt Hagar Sinaï in Arabië, daar heeft hijzelf (waarschijnlijk 14 jaar) gewoond (Gal.1:17). Sinaï is de wet, horend bij het oude verbond. De joden zeggen dat het nieuwe verbond gelijk zou zijn aan het oude verbond, maar de Bijbel spreekt over het nieuwe verbond als het betere verbond. Er is dus een wezenlijk verschil tussen deze 2 verbonden. Het oude hoort bij de aarde, het nieuwe bij de hemel. Het oude functioneert op aarde, men was een gezegend persoon als men zich daar aan hield: ‘Onderhoud dan zijn inzettingen en zijn geboden, die ik u vandaag opleg, zodat het u en uw kinderen na u goed gaat en zodat u lang leeft in het land, dat de Heer, uw God, u geven zal voor altijd’ (Deut.4:40).

Aan het einde van dat lange leven, gingen ze naar de zee, het dodenrijk. Maar Jezus zegt: ‘Als je sterft, neem je je intrek bij Mij, je geestelijk lichaam komt bij Mij en je hebt het eeuwig leven’. Ons lichaam is sterfelijk, maar ons geestelijk lichaam zal altijd blijven leven, wij zullen de dood niet zien. Het was voor de mensen van het oude verbond heerlijk om zo lang te leven, ze werden heel oud, daarna was het voor hen afgelopen (Jacob 5:11). Voor ons maakt het niet uit hoe oud we worden, we leven altijd door. Dat is een wezenlijk verschil tussen oud en nieuw, ze zijn absoluut niet gelijk.

  • ‘Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder’ 26.

Er is verschil tussen Hagar, Sinaï, het jodendom en het christendom. Hagar, het tegenwoordige Jeruzalem, was vroeger Paulus’ moeder (Galaten 1:15). Paulus woonde in Griekenland, in het Romeinse Rijk, maar vertrok naar Jeruzalem, het geestelijk centrum, om daar godsdienst te studeren. Maar Paulus is daarvan losgemaakt: Hij heeft nu een nieuwe moeder: het hemelse Jeruzalem. De opvoeding door deze moeder is heel anders dan al die dikke boeken van de eerste moeder, nu spreekt de Geest tot hem hoe hij handelen en spreken moet. De eis van de wet wordt in hem vervuld, hij leeft niet naar het vlees met allerlei geboden, maar naar de Geest. ‘Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede’ (Romeinen 8:1-11). Er komt dus geen kwaad uit God, want Hij is enkel leven. Alles wat het leven aantast, komt niet uit God. God is goed, God is één, enkel Licht en Leven. Deze gedachten alleen al stuiten op tegenstand, omdat men oudtestamentisch denkt. Maar Jezus heeft de Vader doen kennen en ook Jezus was enkel Licht en Leven.

Wat moet men dan met de tekst: ‘Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God’ (Hebreeën 10:31)? Het gaat daar over de mensen, die de geestelijke gaven ontvangen hebben, ze kennen het goede Woord van God, maar ze vallen af, ze keren zich bewust af. Dat is vreselijk, omdat ze al in de handen van de levende God waren, waarbij de handen beeld zijn van Zijn Geest. De calvinist zegt dat dat niet kan, iemand die behouden is, is voor eens en altijd behouden (uitverkiezing), maar dat is een grove leugen.

Het Woord van God (Gods Logos en niet God zelf! – Joh.1:1), is vlees geworden in Jezus Christus, de Heer. Jezus leeft! Als je daardoor geïnspireerd wordt, komt er blijdschap, vrede en gerechtigheid. Je kunt dan heersen over de vijand, je boekt geestelijke overwinningen. In de naam van Jezus kunnen we alle demonen verdrijven en zo worden we vrij van iedere zonde en duivel!