Wie is als God?

Het antwoord is: de gemeente, die – net als Jezus – het aan God gelijk zijn (het identiek zijn aan God) niet als diefstal ziet (Fill.2:5,6) Zij heeft haar positie, ja haar bestaansrecht verkregen in het volbrachte werk van Jezus Christus. Waar? In de hemel, dáár heeft zij werkelijk iets te betekenen! Het is het plan van God, om de gemeente in al haar luister bij zich te nemen, zodat ze zonder vlek of rimpel of iets dergelijks zal zijn, heilig en zuiver (Ef.5:27). Dat was en is nog steeds Zijn eeuwenoude plan (Ef.3:10,11).

Er zijn niet veel mensen geweest onder het Oude Verbond die van dit eeuwig plan op de hoogte waren. Ja, Abraham, hij verwachtte een stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is (Hebr.11:10). Maar verder? Alleen uit de verte hebben zij de geestelijke beloften gezien en begroet en hebben beleden, dat zij vreemdelingen en gasten waren op aarde. Wel hebben ze verlangd de dingen duidelijker te zien. Het verlangen was aanwezig, maar het was hun niet gegeven. Jezus zegt dan ook in Mattheüs 11:27: ‘Niemand kent de Vader dan …. de Zoon!’ Wie zou de Vader beter kennen dan zijn eigen Zoon? Niemand toch?

Nou, niemand? God wil zijn wezen, zijn goddelijke identiteit, nu ook verder gestalte geven. Niet, alleen maar in één Zoon, maar in veel zonen! Hij wil zijn veelkleurige wijsheid, het geheimenis dat eeuwen lang verborgen is gebleven, in het licht stellen. God wil zich volledig openbaren en laten zien wie Hij werkelijk is: enkel goed en licht en in het geheel geen duisternis, een volkomen God. Hij heeft veel zonen nodig om zijn goddelijke identiteit ten volle te projecteren. Jezus zei dan ook:

  • ‘Niemand kent de Vader dan de Zoon … ‘ en ‘wie de Zoon het wil openbaren’.

Jezus kent het plan van zijn Vader en betrekt daarom de gemeente in dat Goddelijke plan. Het is Jezus, Gods eigen Zoon, die ons de Vader doet kennen: ‘Ik zal bekendmaken wat sinds de grondvesting van de wereld verborgen was’ (Matth.13:35). Vanuit de geestelijke wereld, het Koninkrijk der hemelen, heeft Jezus het wezen van God – de goddelijke identiteit – geopenbaard. Jezus had zichzelf met het wezen van God geïdentificeerd, en is rondgegaan weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren (Hand. 10:38). Alles wat gebeurt en afwijkt van Jezus’ optreden, geeft niet het zuivere beeld (identiteit) van God weer. Voor de duidelijkheid: Jezus is geen God, geen 1/3e deel van God, zoals de meeste kerken leren (zie ook de Pre-existentieleer).

Jezus had zich geïdentificeerd, zich vereenzelvigd met God: ‘De Vader en Ik zijn één. De Vader is in Mij en Ik in de Vader’ (Joh.10:30 en 38). Jezus wist wie Hij was en in wie Hij zijn goddelijke identiteit (zijn wezen) had verkregen! Hoe vaak toonde Hij niet zichzelf – en daardoor de Vader – door te zeggen: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven … Ik ben het Levensbrood … Ik ben van de hemel neergedaald.’ God zei tegen Mozes: ‘Ik ben, die Ik ben’ (Ex.3:14) en hield door dit te antwoorden Zijn wezen, Zijn identiteit voor Mozes verborgen. Maar Jezus verkondigt ons de Vader door zichzelf aan ons te tonen. En als Jezus spreekt gebeurt er iets! Dan komen mensen in beweging, volken beginnen te woelen want er wordt met gezag opgetreden.

In het verhaal over de gevangenneming van Jezus (Joh.18), lezen we dat Hij spreekt met gezag door zijn identiteit te tonen! Als Judas met soldaten en Farizeeën naar Jezus toe komt om Hem gevangen te nemen stapt Jezus naar voren en vraagt: ‘Wie zoeken jullie?’ Zij antwoordden Hem: ‘Jezus, de Nazoreeër’. In het antwoord ligt Jezus’ kracht. Hij zei tot hen: ‘Ik ben’. Als Jezus dát zegt, deinzen de mannen terug en vallen op de grond. Wat is er gebeurd? Hoe is dit mogelijk? Eigenlijk spreekt Jezus hier niet de mensen, maar de demonen van de duisternis in de mensen aan! Demonen, die het al een heel lange tijd op het leven van Jezus gemunt hebben. Jezus weet dat Hij zich niet overgeeft aan mensen, maar aan de satan, als losprijs voor de hele schepping.

Hij vraagt dus de duivelse machten wie ze zoeken, en geeft hen als antwoord: ‘Ik ben!’ Hij zegt niet: ‘Nou jongens, Ik ben het die jullie zoeken en laten we de zaken eventjes regelen’. Nee! Jezus laat de duivelse machten zien wie Hij is en uit wiens naam Hij spreekt! Hij vereenzelvigt zich met de ‘Ik ben die Ik ben’. Als Jezus zó met autoriteit spreekt, raken de demonen in verwarring. Ze deinzen terug en gooien de mensen – in wie zij hun woning hebben – op de grond. Zij zijn niet opgewassen tegen de kracht die van Jezus’ antwoord uitgaat. Jezus laat duidelijk zien, dat Hij zijn lichaam vrijwillig en op Gods tijd overgeeft aan demonische machten.

Door het werk van Jezus hebben opnieuw geboren en Geestvervulde christenen bestaansrecht gekregen in de hemelse gewesten. Door te zeggen wie zij zijn in Jezus Christus (je identiteit tonen) en in zijn kracht te gaan staan moet iedere demon (= tegenstander) wijken. zij kunnen zeggen: Ik ben in Hem en de ‘Ik ben’ is in mij! Jezus had autoriteit, maar gaf zich toch over, opdat zij in Hem mede-erfgenamen kunnen zijn! Dát was het plan van de Vader: Een geestelijke overgave, die zou uitlopen op een geestelijke overwinning. En in dit laatste uur neemt Jezus het in de geestelijke wereld voor zijn leerlingen op. Hij weet dat zij het niet begrijpen en dat ze geestelijk verward zijn. Hij zegt dan: ‘Als jullie (duivelse machten) Mij zoeken, laat dezen dan vrij’. Hij gaat voor ze op de bres staan, opdat het Woord vervuld zou worden, dat Hij gesproken had: ‘Wie U Mij gegeven hebt, uit hen heb Ik niemand verloren doen gaan!’ De leerlingen gaan geestelijk vrij uit! Des te meer: ook wij gaan door Jezus’ werk geestelijk vrijuit. Hij heeft zijn leven gegeven, als losprijs voor velen (Matth. 20:28).

Dan wordt Jezus gekruisigd. Pilatus laat een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen: ‘Jezus, de Nazoreeër, de Koning van de Joden’. En dan gaat de leugenaar vanaf het begin weer aan het werk. Hij wil altijd en alles verdraaien. Hij probeert terug te slaan. Hij inspireert de overpriesters die naar Pilatus gaan om te zeggen: ‘Schrijf niet: De Koning van de Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning van de Joden’. Had Jezus niet gezegd: ‘U hebt de duivel als vader en wilt de begeerten van uw vader doen?’ (Joh.8:44). De duivel wil de identiteit van Jezus en daardoor het wezen van God – de goddelijke identiteit – verbinden aan het natuurlijke Joodse volk. Hij speelt in op de verlangens van de aardsgerichte overpriesters en doet dit (nog steeds) met de gedachte dat Jezus Koning van het natuurlijke Joodse volk zou zijn! Had Jezus niet duidelijk geantwoord op de vraag van Pilatus of Hij de Koning van de Joden was:

  • ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier’ (Joh.18:33-37).

Jezus is Koning geworden van het geestelijk Israël: ‘Jood is men niet door zijn uiterlijk, en de besnijdenis is geen lichamelijke besnijdenis. Jood is men door zijn innerlijk, en de besnijdenis is een innerlijke besnijdenis. Het is het werk van de Geest, niet een voorschrift uit de wet, dus wie innerlijk een Jood is, ontvangt geen lof van mensen maar van God’ (Rom.2:28,29). Jezus is de Koning van de koningen, wat betekent dat wij als geestelijke mensen in Hem bestaansrecht hebben gekregen en met Hem zullen regeren over iedere tegenstander die op onze weg komt.

God heeft door Jezus Christus bewezen, dat de mens goed is geschapen en het einddoel kan bereiken: de goddelijke identiteit. De psalmdichter zei het eigenlijk al in Psalm 16:5: ‘O Heer, mijn erfdeel en mijn beker.’ David maakt duidelijk dat het wezen van God ons erfdeel is. Het is ons recht om het beeld van God in ons te dragen. Want Jezus – die het aan God gelijk zijn geen diefstal vond – gaf zich over aan satan, opdat wij in Hem mede-erfgenamen kunnen zijn. Erfgenamen die ontdekken dat God enkel goed is en dat Hij zijn gestalte in hen leggen wil. David vervolgt: ‘Uzelf bevestigt wat het lot mij toewees’. Een betere vertaling is: ‘Uzelf houdt vast aan mijn bestemming’. Wat heerlijk dat God vertrouwen heeft in zijn plan en vasthoudt aan de bestemming van de mens: de goddelijke gestalte. God is bezig die gestalte – de goddelijke identiteit – naar voren te brengen.

In de natuurlijke wereld moet je identiteitspapieren bezitten. Zonder besta je formeel niet eens. Je moet kunnen bewijzen wie je bent en of je wel de persoon bent voor wie je je uitgeeft. Zo moet je ook als hemelburger van het Koninkrijk der hemelen je van je identiteit bewust zijn. Want satan vraagt je regelmatig te bewijzen als zoon van God. Ja, hij zal zelfs proberen jouw bewijs uit handen te slaan. Maar het zal hem niet lukken, want wij weten onze identiteit in het Woord van God geborgen. Dat is ons identiteitsbewijs! Gods Woord bepaalt wie we zijn: zonen van God die de oude mens met zijn praktijken hebben afgelegd en de nieuwe mens hebben aangedaan. Zij worden vernieuwd tot volle kennis naar het beeld van hun Schepper (Col. 3:10). We zullen in volkomen overeenstemming zijn met het wezen van God de Vader, die Jezus ons heeft doen leren kennen. Het gevolg zal zijn dat we dezelfde wezenlijke eigenschappen gaan overnemen. 

Eén van de mooiste eigenschappen van God is dat Hij alles wat niet meer in zijn oorspronkelijke staat kan functioneren, kan herstellen. In Christus zijn wij zo een nieuwe schepping geworden, want ons oude leven kon niet functioneren zoals God het wil. Dáárom heeft God ons vernieuwd in ons denken en is de weg open om tot volledig herstel te komen voor de hele schepping.

In de grondtekst staat voor ons woordje ‘nieuw’ het woord ‘kainos’, dat eigenlijk betekent: nieuw in kwaliteit, in eigenschap, in hoedanigheid (aard). God vernieuwt de mens kwalitatief. Hij haalt de negatieve krachten en eigenschappen uit de mens (die hem beletten te functioneren zoals God het wil) en geeft er een nieuw innerlijk wezen voor terug! De mens krijgt heel andere kwaliteiten en eigenschappen. Hij ontvangt innerlijke eigenschappen die ook tot het wezen van God, dus bij de goddelijke identiteit horen. En daar hoort het herstellend bezig zijn ook bij. God heeft de mens nodig om zijn schepping te gaan bevrijden, want zoals Gods Geest werkt van binnenuit naar buiten, gaat vanuit de gemeente het herstel over de hele aarde!

In 2 Cor. 4:16 zegt Paulus dat de innerlijke mens van dag tot dag wordt vernieuwd. Vernieuwd in kwaliteit, in eigenschap en in hoedanigheid. God geeft ons innerlijke eigenschappen die hun oorsprong in zijn wezen hebben. Dan alleen kan de mens optimaal functioneren. Want de mens is nu geestelijk en heilig, hij ontvangt wijsheid, kennis en inzicht om te kunnen werken in Gods Koninkrijk. Dan zal er eenheid zijn door Woord en Geest, omdat God één is!