2. Goede engelen tegenover de satan en zijn demonen

<<<<<

In het allesomvattend machtsgebied van het goddelijke geesteslichaam werden allereerst de engelen geschapen. Ook voor hen geldt: ‘In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij’. Hun geestelijk lichaam onderscheidt zich van de mens, doordat zij niet naar Gods beeld en als zijn gelijkenis zijn geschapen. Ze zijn enkel geesten en hebben géén ziel (Hebr.1:14). Ook hun geestelijk lichaam heeft een machtsgebied. Onder hen is een grote verscheidenheid, ‘want de ene ster verschilt van de andere in glans’ (1 Cor.15:41). Er zijn aartsengelen, machten, krachten, overheden en heerlijkheden. Van cherubs (strijders) en serafs (boodschappers). Het is bekend dat ze in de onmiddellijke nabijheid van God in het midden van de hemel zijn. In geestelijke talen aanbidden en verheerlijken zij God.

Nergens staat er over engelen dat zij een ziel bezitten. Zij missen daardoor ook de behoefte aan gemeenschap zoals God deze wel zoekt en ook de mens. Voor de natuurlijke mens geldt: ‘Het is niet goed dat hij alleen is’. Daarom schiep God de mens, man en vrouw. Door hem werd echter de geestelijke mens tot zijn eeuwige partner uitverkoren. In deze heilige gemeenschap zal de mens uiteindelijk zijn volmaakte doel vinden, want daarvoor is zijn geestelijk lichaam bestemd. Ook hier geldt: ‘Maar die zich aan de Heer hecht, is één geest met Hem’ (1 Cor.6:17).

De gevallen engelen

Wanneer gevallen, wetteloze engelen hun oorspronkelijke doel loslaten en met zielen van mensen gemeenschap zoeken, is dit een gruwel in de ogen van de Heer (Gen.6:1-4). Als waarschuwend voorbeeld heeft Hij tijdens de zondvloed zulke engelen in de afgrond geworpen en aan krochten (spelonken) van het dodenrijk overgegeven, om hen daar tot het eindoordeel te bewaren. De penetratie van engelen in de mens wordt in de Bijbel vergeleken met de onnatuurlijke zonden die de mens in Sodom en Gomorra deed. Jezus zond eenmaal een legioen demonen, dat in een bezetene huisde ook naar de afgrond (2 Petrus 2:4,5; Lucas 8:31). Omdat engelen geen ziel hebben, zijn ze beneden het niveau van de mens. De niet gevallen, goede engelen zijn dienende geesten voor de mens, omdat deze naar het beeld van God is geschapen. Uiteraard dienen ze geen mensen die met satans demonen zijn verbonden, want dan zouden ze indirect de satan dienen.

De naam engel betekent ook bode of gezant. De goede engelen zijn de boodschappers van God. Ze luisteren nauwkeurig naar de klank van de Woorden van God en als geestkrachtige helden voeren zij hun opdrachten uit (Psalm 103:20). Ze luisteren, spreken en handelen met uiterste precisie en zorgvuldigheid. Omdat engelen geen ziel hebben, missen ze de creativiteit die het wezen van God en dat van de mens kenmerkt. Daarom zijn ze niet geschikt als zelfstandige medewerkers van God. In tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen omringen ze de troon van God, maar ze zullen nooit op tronen zitten. Hun wordt het oordeel niet gegeven (Openb.20:4).

Het laatste oordeel

In 1 Corinthiërs 6:3 schrijft Paulus: ‘Weet u niet, dat wij over engelen zullen oordelen?’ Deze merkwaardige uitspraak doet ons denken aan een tijdstip, dat wij satan en zijn demonen voor ons zien geplaatst, die ons leven of dat van onze geliefden hebben vergald, aangetast en verwoest. Over hen zullen wij dan een onbarmhartig vonnis vellen, omdat zij geen barmhartigheid bewezen hebben (Jac.2:13).

Het Griekse woord ‘diabolos’ (duivel) betekent lasteraar of kwaadspreker. Paulus waarschuwde de gemeenteleden dat zij dit wezenskenmerk van de duivel niet zouden openbaren. Ze mogen geen ‘duivels’, dat wil zeggen ‘kwaadsprekers’ zijn (1 Tim.3:11; Titus 2:3; vgl. 2 Tim.3:3). Zoals kwaadsprekers de goede sfeer in de gemeente bederven, zo camoufleert de satan zich onder de engelen van God om de rechtvaardigen aan te klagen (Job.1:6). In Openbaring 12:10 staat dat de aanklager van onze broers en zusters die hen dag en nacht voor onze God aanklaagt, buiten geworpen zal worden. Letterlijk staat er ‘voor de God van ons’.

God is een inspirator. Zo was Mozes eenmaal de god van Aäron (Exodus 4:16). Door Zijn Geest is onze God onze inspirator. Wanneer iemand echter in woord en daad zondigt, volgt hij niet de ingevingen van God maar die van de duivel. Laat hij er zich dan van bewust zijn, dat de duivel in staat is God hierop te attenderen. Gelukkig hebben wij een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden. Wanneer de gemeente tot haar onberispelijkheid gekomen is, vindt de duivel geen oorzaak meer om zijn werk in ons als aanklacht bij God bekend te maken. Hij kan niet meer standhouden en zijn plaats als valse getuige wordt dan niet meer in de hemel gevonden (Openb.12:7-9). De vrouw van het Lam is dan gegeven haar geestelijk lichaam met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden van de heiligen (vgl. Zach.3:1-5). Ezechiël zag in geestvervoering de overwinning van Gods zonen op de duivel: ‘Ik wierp u ter aarde, Ik stelde u voor koningen, zodat zij op u neer zouden zien met leedvermaak’ (Ez.28:17).

In een triomflied over het gééstelijk Israël (en niet het aardse) horen wij:

  • ‘Laten Zijn gunstelingen om die eer opspringen van vreugde, laten zij vrolijk zingen op hun slaapplaatsen. Gods lofzangen klinken uit hun mond, een tweesnijdend zwaard is in hun hand, om wraak te oefenen over de heidenvolken, bestraffingen over de natiën, om hun koningen te binden met ketens en hun aanzienlijken met ijzeren boeien, om het beschreven recht aan hen te voltrekken. Dát zal de glorie van al Zijn gunstelingen zijn’ (Ps.149:5-9).

Ook deze psalmist heeft over de voor ons bestemde genade geprofeteerd, dat wij de duivel en zijn leger openlijk te schande mogen maken en op hen mogen neerzien met leedvermaak. Met de heilige engelen zullen wij blij zijn met hun ondergang. Wij zullen de sterkste machten mogen binden en het vonnis dat de Allerhoogste door zijn profeten heeft laten optekenen, in de naam van Jezus uitvoeren.

Om een vergelijking te maken merken wij op, dat ook de dierenwereld geleidelijk aan de mens werd onderworpen, omdat deze met zijn geest en verstand de meerdere is. Zelfs de grootste dieren zijn afhankelijk van de mens geworden. Zo zullen wij ook in de onzienlijke wereld de overhand krijgen over slangen en schorpioenen, over jakhalzen, struisvogels, hyena’s, wilde honden, over gieren en allerlei verfoeilijk gevogelte en ook over de brullende leeuw, die rondgaat om te verslinden (Openb.18:2; Jesaja 35:7-10; 1 Petrus 5:8).

De duivel

Bij zijn verbanning kwam de duivel in het machtsgebied van de mens, maar door de zondeval van het eerste mensenpaar werd hij de bezetter ervan: ‘Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om hem (de mens) die haar daaraan onderworpen heeft’ (Rom.8:20). De koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid zijn hem overgegeven (Luc.4:6). De indringer wordt ook de overste van de macht van de lucht genoemd. De lucht is hier beeld van het machtsgebied van de menselijke geest, voornamelijk van de wereldgeesten. Zoals de lucht onzichtbaar is en overal doordringt, zo doen dit ook de onzichtbare boze geesten. De sporadische, soms nog goedwillende overheden, proberen door wetten en verordeningen het kwaad op aarde te keren, maar ze zijn ‘zwak en arm’ ten opzichte van de demonen. Zelfs de wet van Mozes, de man van God, was niet in staat de demonen te verdrijven. Zijn wetten konden op hun best de uitbrekende zonden beteugelen door strafbepalingen.

Het vonnis

De duivel was ooit een engel van het licht. Hij werd een morgenster genoemd. God had hem een plaats gegeven op de heilige berg Sion, waar de aartsengelen en inspirerende goden zich verzamelen (Ez.28:14). Als eerstgeborene van de hemelse schepping (zoon van de dageraad) probeerde hij zich aan de Allerhoogste gelijk te stellen (Jesaja 14:14). Toen hij zag dat God een mens formeerde, die van hoger niveau was dan hijzelf, rebelleerde hij tegen het plan van God. Lucifer, de lichtdrager, was geen automaat, maar met al de afgevallen engelen deed hij de verkeerde keus. Hij weigerde de mens te dienen, want hij miste het geloof van God in de mens. In de machtige schepping zag hij aan wat voor ogen was, een mens in het prille beginstadium van diens geestelijke ontwikkeling. Van hemzelf werd immers gezegd: ‘Toen u geschapen werd waren zij (al zijn gaven) klaar’ (Ez.28:13). Zo werd in hem de leugen geboren dat de gedachten van God niet oprecht zouden zijn. Hierdoor werd hij de vader of voortbrenger van de leugen. Hij werd door God verstoten en uit de hoogste hemelen verbannen en op aarde geworpen. Het woord verbannen dat de Nieuwe Vertaling in Ezechiël 28:16 gebruikt, doet denken aan een gedwongen verplaatsing binnen de grenzen van het machtsgebied van het geestelijk lichaam van God.

  • Waarom wierp God de opstandige Lucifer niet rechtstreeks in de vuurpoel, die toch voor de duivel en zijn engelen is bereid (Matth.25:41)? Waarom grijpt God niet in het wereldgebeuren en laat Hij zoveel verschrikkelijke en onrechtvaardige dingen toe?

Het antwoord op beide vragen is, dat de duivel wel was gevonnist, maar dat de uitvoering van het vonnis werd gegeven aan hen, die de gevallen engelen zullen oordelen. De rivaal van de satan zal dan wijzer en sterker blijken te zijn dan de tegenstander!

Bij de val van de mens in het paradijs stelde God Zich toch nog onvoorwaardelijk achter de mens. Ondanks alles blijft er de belofte:

  • ‘Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en u zult het de hiel vermorzelen’ (Gen.3:15).

God beloofde dus dat Hij zijn plan met de mens niet opgaf en dat Hij hem tot een geestelijke machthebber en overwinnaar zou maken. Uit deze belofte bleek het geloof ván God. Jezus zei later tot zijn leerlingen dat zij dit geloof van God moesten overnemen. In Marcus 11:22 staat letterlijk: ‘En Jezus antwoordde en zei tot hen: hebt geloof ván God.’ Zij zouden schorpioenen en slangen vertrappen en macht hebben over het hele leger van de vijand (Marcus 16). Paulus, die zelf zijn apostelleven lang deze goede strijd streed, riep ook ons op om de geestelijke strijd aan te binden:

  • ‘Verder, mijn broers, word gesterkt in de Heer en in de sterkte van Zijn macht. Bekleed u met de hele wapenuitrusting van God, zodat u stand kunt houden tegen de listige verleidingen van de duivel. Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten’ (Efeze 6:10-12).