Wat zijn de hemelse gewesten?

Bij de schepping van de mens sprak God de belofte uit: ‘Wij zullen een mens(heid) maken naar ons beeld en in overeenstemming met ons’ (de engelen en geen Heilige geest en Jezus. Gen.1:26, transcriptievertaling). In 1 Johannes 3:2 staat in de Canisiusvertaling:

  • ‘Geliefden, thans reeds zijn wij kinderen Gods; maar nog is het niet openbaar geworden, wat wij zullen zijn. Toch weten wij, dat wanneer de openbaring gekomen is, wij aan Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien, zoals Hij is’.

Wanneer wij ons dus een voorstelling van God maken, zijn de aanduidingen van ziel en geest, die bij het wezen van de innerlijke mens horen, ook op Hem van toepassing. Het geestelijk lichaam waarover Paulus in 1 Corinthiërs 15:44 schrijft, is gelijkvormig aan dat van God.

De mens

De geest van de mens schenkt allereerst het leven aan het lichaam om dit te laten functioneren. Zonder deze geest is het lichaam dood (Jacobus 2:26). Ook de ziel ontvangt haar leven van deze geest: ‘Mijn ziel leeft en looft U’ (Psalm 119:75). Toen God de levensgeest in Adam blies, werd de mens ‘alzo’ – dus op deze manier – tot een levende ziel (Gen.2:7; 1 Cor.15:45). Ziel en geest vormen het onsterfelijke, geestelijke lichaam van de mens. Beide horen bij de onzienlijke wereld van de hemelse gewesten. Ze zijn te onderscheiden, maar niet te scheiden. De ziel van de mens identificeert zijn persoonlijkheid. Zij is de fontein waaruit het leven zich openbaart. Zij is het levenscentrum van de mens. In Deuteronomium 12:23 staat: ‘Het bloed is de ziel’. Wat het bloed voor het lichaam is als drager van het leven, is de ziel in het geestelijk lichaam. Wanneer men het bloed ziet wegstromen, sterft het lichaam en komt er scheiding met het geestelijk lichaam van de mens.

Hart en ziel

Het hart brengt het bloed in beweging en zodoende het leven in het lichaam. Uit het natuurlijke hart zijn dus de oorsprongen van het lichamelijke leven, of zoals Spreuken 4:23 zegt: ‘De uitingen van het leven’. Het hart is een beeld van de ziel. Zoals van het natuurlijke hart natuurlijke impulsen uitgaan, zo zijn vanuit de ziel de impulsen en uitgangen van het innerlijke leven. Uit de ziel komen dus de woorden en daden van de mens voort, die bepalend zijn voor zijn geestelijke statuur. De geest van de mens die het lichaam doet leven en ook herstelt, beperkt zich niet alleen tot deze taak. Hij heeft veel hogere functies. Hij zorgt immers voor het innerlijke leven. Hij werkt mee aan de gedachtevorming van de ziel door zijn kracht en inspiraties. Hij is ook de drager van de wet van God voor de ontplooiing van de mens. Als hun geest niet al te zeer door wetteloze geesten is aangetast, geldt immers ook voor heidenen, die geen van buitenaf gegeven wet kennen, dat zij ‘van nature dingen doen wat de wet gebiedt (Romeinen 2:14).

De samenwerkende, menselijke geesten noemt de Bijbel de wereldgeesten in tegenstelling met de hemelgeesten. Zij vormen de elementen waarop de samenleving gebouwd is (stocheion: elementen, eerste beginselen, wereldgeesten, vergelijk Galaten 4:3 met Col.2:8; Hebr.5:12 en 2 Petrus 3:10). Met elkaar proberen de wereldgeesten grote werken tot stand te brengen en alle dingen te ordenen, want zij hebben gezag gekregen op aarde. Zij staan oorspronkelijk met hun machtsgebied in dienst van God (Romeinen 13:4).

Het geestelijk lichaam heeft ook een invloedssfeer of een machtsgebied. Dit ontstaat door het gezag van woord en van daad, maar ook door de uitstraling van het geestelijk lichaam. Zo brengt de aanwezigheid van de moeder haar kind tot rust en merken de leerlingen de geestkracht van de leraar, die de hele klas gespannen kan laten luisteren als hij iets vertelt of leert (zoals dit vroeger nog het geval was). Wanneer kinderen de geestelijke structuur van hun vader en moeder leren kennen, zal dit aanvankelijk voor een deel zijn. De gevarieerde, hogere vermogens van de innerlijke mens van hun ouders, die nodig zijn om in staat, maatschappij en religieuze wereld hun plaats in te nemen, gaan boven hun bevattingsvermogen. Zij moeten er naar toegroeien om hen volkomen te begrijpen. Zo moet een kind van God naar Christus toegroeien om Hem en de Vader goed te leren kennen (Efeze 4:15). De menselijke geest is de onderhouder en de hersteller van het vergankelijke en onvergankelijke leven en alle leven is uit God!

God

‘God is geest’ (Joh.4:24). Zijn geest is zijn machtsgebied en zijn werkterrein. God is met zijn geest overal tegenwoordig. In Psalm 139:8 staat: ‘Al steeg ik op naar de hemel – dus naar de hoogste hemel – U bent daar; of legde ik mij neer in de hel – dus stierf ik – zie, U bent daar’. Aan deze rijk geschakeerde geest ontleent iedere plant, ieder dier en elk mens zijn levensgeest. Deze verbindt zich met de stof, waardoor de mogelijkheid is geschapen om in de natuurlijke wereld te leven en om het leven door te geven. Hierbij bezit ieder schepsel zijn eigen variëteit of zijn DNA, de drager van alle erfelijke eigenschappen. Alles wat leeft is dus geschapen ‘naar zijn gemaakt bestek’. De apostel zei dat God niet ver van ieder van ons is: ‘want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij’ (Hand.17:28). Wij leven dus in het geestelijk lichaam van God en zijn erdoor omhuld. Wij danken ons leven met zijn verrichtingen aan de geest van God, de levensgeest in ons. Hierdoor zijn wij een levende ziel.

Deze geest van God is dus rijk geschakeerd en gevarieerd. Deze geest stelt ook de natuurlijke mens in staat om goede werken te doen, want ‘in Hem bewegen wij ons’. Daarin vinden wij ons bestaan, want ‘wij zijn in Hem’. De heidenen meenden dat zij goden konden uitdrukken in stoffelijke afgoden, maar Paulus maakte de geleerden te Athene erop attent, dat de Schepper van hemel en aarde niet in tempels woont die met handen zijn gemaakt. Ook niet in het aardse Jeruzalem, zoals er miljoenen zijn die dit wel verwachten. Hetzelfde deed ook Stefanus die tot de joden zei:

  • ‘De Allerhoogste echter woont niet in wat men met handen maakt, zoals de profeet zegt: De hemel is Mij ten troon en de aarde een voetbank voor mijn voeten’ (Hand.7:48,49; 17:24).

Het geestelijk lichaam van God omspant al het geschapene. In deze goddelijke geest zijn alle hemelse gewesten, alle koninkrijken der hemelen, begrepen. Hierin bevindt zich de lucht als beeld van de geestelijke wereld die bij de mensheid hoort maar ook het machtsgebied van ‘de overste van de macht van de lucht’, het rijk van satan. Ook is in dit geestelijk lichaam nog een koninkrijk, het machtsgebied van de dood.

In ‘de hoogste hemelen’, het Koninkrijk van God, is de ziel of het hart van God. Zo staat in Hebreeën 10:38 dat de ‘ziel’ van God geen behagen heeft in de rechtvaardige, die terugdeinst. In Jesaja 1:14 zegt God tot het afvallige volk: ‘Uw feest haat Ik met heel mijn ziel’. In Genesis 6:6 staat dat de Heer teleurgesteld was in zijn ‘hart’. Dit hart van God is uiteraard ook geest. Uit dit hart zijn ook de uitgangen van zijn leven. Uit ‘de diepten van God’, dit wil zeggen uit de diepe en verborgen gedachten van zijn hart, komen zijn woorden en daden. Beide zijn geest en leven. Er staat: ‘Door het woord van de Heer zijn de hemelen gemaakt, door de adem van zijn mond (zijn geest) al hun legermacht’ (Psalm 33:6). De ziel van God is ‘het midden van de hemel’, waar ook zijn ‘troon’ is en zijn ‘tempel’ en zijn ‘huis’. Het laatste woord, het ‘hoge’, dat uit God kwam, dat van het herstel van alle dingen, is vlees geworden in Christus Jezus. Hij is het Woord dat bij God was en uit God was gegaan, uit Gods Logos (Joh.1:1), dus niet God zelf als persoon.

Jezus is aan de boezem van de Vader, dus aan diens hart (Joh.1:1,18). Hij was als mens, geestelijk en lichamelijk, de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen (Hebr.1:3). Zoals het overwinnende woord, Jezus Christus, één met de Vader is, is Gods Heilige Geest de hoogste en krachtigste exponent van de geest van God en daarom ook volkomen met Hem één. Wanneer mensen hun hart voor deze Geest openstellen, zal Hij hen ‘de diepste gedachten van God’, die in Christus Jezus ‘ja en amen’ zijn, doen onderzoeken (1 Cor.2:10).

Antropomorfisme

In de dogmatiek gebruikt men in verband met het godsbeeld het woord antropomorfisme (anthro is mens, morfo is vorm). Men bedoelt ermee dat de Bijbel op mensvormige wijze over God zou spreken. Men stelt zich dan God voor met ogen, oren, vingers, neus, voeten en een hart zoals mensen die hebben. Dit is echter een omdraaiing van de werkelijkheid. Er staat: ‘Zou Hij, die het oor plantte, niet horen? Die het oog vormde, niet zien?’ (Psalm 94:9). God is niet het beeld van de mens, maar de mens is naar het beeld van God geschapen. Het geestelijk lichaam van God bezat al zintuigen voordat de mens bestond. Het menselijke geestelijk lichaam is naar zijn beeld geschapen en heeft dus zintuigen om waar te nemen in de geestelijke wereld.

De natuurlijke zintuigen zijn er een beeld van. Zij nemen waar in de zichtbare wereld. Het zichtbare is de schaduw van de onzichtbare werkelijkheid. Zo was bijvoorbeeld de zichtbare, aardse samenkomsttent een schaduw van de hemelse tabernakel: ‘Zie dan erop toe dat u het maakt naar zijn ontwerp, dat u op de berg getoond is’ (Ex.25:40, vergelijk Openb.15:5 en 21:3). De natuurlijke ogen kunnen evenmin zien als een raam. Ze schenken de mogelijkheid dat de innerlijke mens contact heeft met de natuurlijke wereld om hem. Geoefende geestelijke ogen kunnen ook rechtstreeks in de onzienlijke wereld zien. Zij onderscheiden daar licht en duisternis, de goede en de boze geestenwereld. Ze zien zelfs Jezus met eer en heerlijkheid gekroond. Stefanus zag de hemelen geopend en Jezus, staande aan de rechterhand van zijn Vader (Hand.7:56).

De natuurlijke oren horen niet, maar ze informeren het geestelijk lichaam. Wie ingespannen bezig is of slaapt, ontvangt minder geluidsindrukken, hoewel er in zijn natuurlijke gehoororganen niets is veranderd. Het geestelijk oor kan ook rechtstreeks horen. Het vangt de inspiraties op van wat de Heer wil meedelen. Zijn schapen horen zijn stem. Zij sluiten echter dit oor voor de influisteringen van de boze geesten. Bij het bidden, dat is bezig zijn in de hemelse gewesten, wordt gezegd: ‘Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft! Hij spreekt zeker tot elk, die voor Hem leeft, zijn gunstgenoot’ (Ps.85 vers 3, berijmd). Voor de goddelijke inspiratie, voor het luisteren naar de stem van de Heer Jezus, geldt: ‘Wie een oor heeft, laat die horen, wat de Geest tot de gemeente zegt’.

Waar kerken genoemde zaken niet letterlijk in de geestelijke wereld nemen, maar slechts als beeldspraak beschouwen, wordt de stem van de profetie in zijn midden niet meer gehoord. Daarom geldt voor velen, dat zij ‘ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen.’ Tot allen die zich wel verdiepen in de leer van het Koninkrijk der hemelen, zegt Jezus: ‘Maar uw ogen zijn gelukkig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen’ (Matth.13:13-17).

De engelen

In het alomtegenwoordige en allesomvattende machtsgebied van het goddelijke geesteslichaam werden allereerst de engelen geschapen. Ook voor hen geldt: ‘In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij’. Hun geestelijk lichaam onderscheidt zich van de mens, doordat zij niet naar Gods beeld en als zijn gelijkenis zijn geschapen. Ze zijn enkel geesten en hebben geen ziel (Hebr.1:14). Ook hun geestelijk lichaam heeft een machtsgebied. Onder hen is een grote verscheidenheid, ‘want de ene ster verschilt van de andere in glans’ (1 Cor.15:41). Er zijn aartsengelen, machten, krachten, overheden en heerlijkheden. Van cherubs en serafs is bekend dat ze in de onmiddellijke nabijheid van God in het midden van de hemel verkeren. In engelen- of geestelijke talen aanbidden en verheerlijken zij God.

Nergens staat er over engelen dat zij een ziel bezitten. Zij missen daardoor ook de behoefte aan gemeenschap zoals God deze zoekt en ook de mens. Voor de natuurlijke mens geldt: ‘Het is niet goed dat hij alleen is’. Daarom schiep God de mens, man en vrouw. Door hem werd echter de geestelijke mens tot zijn eeuwige partner uitverkoren. In deze heilige gemeenschap zal de mens uiteindelijk zijn volle bevrediging vinden, want daartoe is zijn geestelijk lichaam bestemd. Ook hier geldt: ‘Maar die zich aan de Heer hecht, is één geest met Hem’ (1 Cor.6:17).

Wanneer gevallen, wetteloze engelen hun beginsel loslaten en met zielen van mensen gemeenschap zoeken, is dit een gruwel in de ogen van de Heer. Als waarschuwend voorbeeld heeft Hij tijdens de zondvloed zulke engelen in de afgrond geworpen en aan krochten (spelonken) van het dodenrijk overgegeven, om hen daar tot het eindoordeel te bewaren. De penetratie van engelen in de mens wordt in de Bijbel vergeleken met de onnatuurlijke zonden die de mens in Sodom en Gomorra bedreef. Jezus zond eenmaal een legioen demonen, dat in een bezetene huisde ook naar de afgrond (2 Petrus 2:4,5; Lucas 8:31). Omdat engelen geen ziel hebben, zijn ze beneden het niveau van de mens. Ze zijn dienende geesten voor de mens, omdat deze naar het beeld van God is geschapen. Uiteraard dienen ze geen mensen die met satans’ demonen zijn verbonden, want dan zouden ze indirect de satan dienen.

De naam engel betekent bode of gezant. De goede engelen zijn de boden van God. Ze luisteren nauwkeurig naar de klank van Gods woorden en als geestkrachtige helden voeren zij hun opdrachten uit (Psalm 103:20). Ze luisteren, spreken en handelen met uiterste precisie en zorgvuldigheid. Omdat engelen geen ziel hebben, missen ze de creativiteit die het wezen van God en dat van de mens kenmerkt. Daarom zijn ze niet geschikt als zelfstandige medewerkers van God. In tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen omringen ze de troon van God, maar ze zullen nooit op tronen zitten. Hun wordt het oordeel niet gegeven (Openb.20:4). In 1 Corinthiërs 6:3 schrijft Paulus: ‘Weet u niet, dat wij over engelen zullen oordelen?’ Deze merkwaardige uitspraak doet ons denken aan een tijdstip, dat wij satan en zijn demonen voor ons zien geplaatst, die ons leven of dat van onze geliefden hebben vergald, aangetast en verwoest. Over hen zullen wij dan een onbarmhartig vonnis vellen, omdat zij geen barmhartigheid bewezen hebben (Jacobus 2:13).

Het Griekse woord ‘diabolos’ (duivel) betekent lasteraar of kwaadspreker. Paulus waarschuwde de gemeenteleden dat zij dit wezenskenmerk van de duivel niet zouden openbaren. Ze mogen geen ‘duivels’, dat wil zeggen ‘kwaadsprekers’ zijn (1 Tim.3:11; Titus 2:3; vgl. 2 Tim.3:3). Zoals kwaadsprekers de goede sfeer in de gemeente bederven, zo schaart de satan zich onder de engelen van God om de rechtvaardigen aan te klagen (Job.1:6). In Openbaring 12:10 staat dat de aanklager van onze broers en zusters die hen dag en nacht voor onze God aanklaagt, buitengeworpen zal worden. Letterlijk staat er ‘voor de God van ons’.

God is een inspirator. Zo was Mozes eenmaal de god van Aäron (Exodus 4:16). Door de Heilige Geest is onze God onze inspirator. Wanneer iemand echter in woord en daad zondigt, volgt hij niet de ingevingen van God maar die van de duivel. Laat hij er zich dan van bewust zijn, dat de duivel in staat is God hierop te attenderen. Gelukkig hebben wij een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden (1 Joh.2:1,2). Wanneer de gemeente tot haar onberispelijkheid gekomen is, vindt de duivel geen oorzaak meer om zijn werk in ons als aanklacht bij God bekend te maken. Hij kan niet meer standhouden en zijn plaats als valse getuige wordt dan niet meer in de hemel gevonden (Openb.12:7-9). De vrouw van het Lam is dan gegeven haar geestelijk lichaam met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden van de heiligen (Openb.12:8-12; vgl. Zach.3:1-5).  Ezechiël zag in geestvervoering de overwinning van Gods zonen op de duivel:

  • ‘Ik wierp u ter aarde, Ik stelde u voor koningen, opdat zij op u neer zouden zien met leedvermaak’ (Ez.28:17). In een triomflied over het geestelijk Israël horen wij: ‘Laten Zijn gunstelingen om die eer opspringen van vreugde, laten zij vrolijk zingen op hun slaapplaatsen. Gods lofzangen klinken uit hun mond, een tweesnijdend zwaard is in hun hand, om wraak te oefenen over de heidenvolken, bestraffingen over de natiën, om hun koningen te binden met ketens en hun aanzienlijken met ijzeren boeien, om het beschreven recht aan hen te voltrekken. Dát zal de glorie van al Zijn gunstelingen zijn’  (Psalm149:5-9).

Ook deze psalmist heeft over de voor ons bestemde genade geprofeteerd, dat wij de duivel en zijn leger openlijk te schande mogen maken en op hen mogen neerzien met leedvermaak. Met de heiligen engelen zullen wij jubelen bij hun ondergang. Wij zullen de sterkste machten mogen binden en het vonnis dat de Allerhoogste door zijn profeten heeft doen optekenen, in de naam van Jezus ten uitvoer brengen.

Om een vergelijking te maken merken wij op, dat ook de dierenwereld geleidelijk aan de mens werd onderworpen, omdat deze met zijn geest en verstand de meerdere is. Zelfs de grootste dieren zijn afhankelijk van de mens geworden. Zo zullen wij ook in de onzienlijke wereld de overhand krijgen over slangen en schorpioenen, over jakhalzen, struisvogels, hyena’s, wilde honden, over gieren en allerlei verfoeilijk gevogelte en ook over de brullende leeuw, die rondgaat om te verslinden (Openb.18:2; Jesaja 35:7-10; 1 Petrus 5:8).

De duivel

Bij zijn verbanning kwam de duivel in het machtsgebied van de mens, maar door de zondeval van het eerste mensenpaar werd hij de bezetter ervan: ‘Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om hem (de mens) die haar daaraan onderworpen heeft’ (Romeinen 8:20). De koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid zijn hem overgegeven (Lucas 4:6). De indringer wordt ook de overste van de macht van de lucht genoemd (Efeze 2:2). De lucht is hier beeld van het machtsgebied van de menselijke geest, voornamelijk van de wereldgeesten. Zoals de lucht onzichtbaar is en overal doordringt, zo doen dit ook de onzichtbare boze geesten. De (soms nog) goedwillende wereldgeesten proberen door wetten en verordeningen het kwaad te keren, maar ze zijn ‘zwak en arm’ ten opzichte van de demonen (Galaten 4:9). Zelfs de wet van Mozes, de man van God, was niet in staat de boze geesten te verdrijven. Zijn wetten konden op hun best de uitbrekende zonden beteugelen door strafbepalingen.

Het vonnis

De duivel was ooit een engel van het licht. Hij werd een morgenster genoemd. God had hem een plaats gegeven op de heilige berg Sion, waar de aartsengelen en inspirerende goden zich verzamelen (Ez.28:14). Als eerstgeborene van de hemelse schepping – zoon van de dageraad – probeerde hij zich aan de Allerhoogste gelijk te stellen (Jesaja 14:14). Toen hij zag dat God een mens formeerde, die van hoger niveau was dan hijzelf, rebelleerde hij tegen het plan van God. Lucifer, de lichtdrager, was geen automaat, maar met al de afgevallen engelen deed hij de verkeerde keus. Hij weigerde de mens te dienen, want hij miste het geloof van God in de mens. In de machtige schepping zag hij aan wat voor ogen was, een mens in het prille beginstadium van diens geestelijke ontwikkeling. Van hemzelf werd immers gezegd: ‘Toen u geschapen werd, waren zij – al zijn begaafdheden – klaar’ (Ez.28:13). Zo werd in hem de leugen geboren dat de gedachten van God niet oprecht zouden zijn. Hierdoor werd hij de vader of voortbrenger van de leugen. Hij werd door God verstoten en uit de hoogste hemelen verbannen en op aarde geworpen. Het woord verbannen dat de Nieuwe Vertaling in Ezechiël 28:16 gebruikt, doet denken aan een gedwongen verplaatsing binnen de grenzen van het machtsgebied van het geestelijk lichaam van God.

Waarom wierp God de opstandige Lucifer niet rechtstreeks in de vuurpoel, die toch voor de duivel en zijn engelen is bereid (Matth.25:41)? Waarom grijpt God niet in het wereldgebeuren en laat Hij zoveel verschrikkelijke en onrechtvaardige dingen toe? Het antwoord op beide vragen is, dat de duivel wel was gevonnist, maar dat de voltrekking ervan werd gegeven aan hen, die de gevallen engelen zullen oordelen. De rivaal van de satan zal er dan blijk van geven wijzer en sterker te zijn dan de tegenstander.

Bij de val van de mens in het paradijs stelde God Zich toch nog onvoorwaardelijk achter de mens. Ondanks alles blijft er de belofte: ‘Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en u zult het de hiel vermorzelen’ (Gen.3:15). God beloofde dus dat Hij zijn plan met de mens niet opgaf en dat Hij hem tot een geestelijke machthebber en overwinnaar zou maken. Uit deze belofte bleek het geloof ván God. Jezus sprak later tot zijn leerlingen dat zij dit geloof van God moesten overnemen. In Marcus 11:22 staat letterlijk: ‘En Jezus antwoordde en zei tot hen: hebt geloof ván God.’ Zij zouden schorpioenen en slangen vertrappen en macht hebben over het hele leger van de vijand (Marcus 16). Paulus, die zelf zijn apostelleven lang deze goede strijd streed, riep ook ons op om de geestelijke strijd aan te binden:

  • ‘Verder, mijn broers, word gesterkt in de Heer en in de sterkte van Zijn macht. Bekleed u met de hele wapenuitrusting van God, zodat u stand kunt houden tegen de listige verleidingen van de duivel. Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten’ (Efeze 6:10-12).