Tijdelijke waarden, eeuwige waarden

  • ‘In Hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare’ (Col.1:16). En in 2 Corinthiërs 4:18 wordt opgemerkt: ’Want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig’.

Zo schiep God in het begin de hemel en de aarde, de onzienlijke en de zienlijke wereld, het eeuwige en het tijdelijke. Bij de onzichtbare wereld horen: de eeuwige God, de heilige en de boze engelen, de verhoogde Heer Jezus, maar ook de mens, want de eeuwigheid is in zijn hart gelegd. In de onzienlijke wereld zijn de scheppingsgedachten en plannen bij God van eeuwigheid. Het gemaakte plan in de hemel is volkomen klaar. Het Lam van God is daar geslacht van voor de grondvesting van de wereld op het altaar dat in de hemel is. Het doel van de hele schepping is Jezus Christus, want ‘alle dingen zijn door Hem en voor Hem geschapen’. Paulus voegt er in de Colossenzenbrief aan toe: ‘En Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente’.

Het uiteindelijk doel van de schepping is de gemeente, een bruid voor God ‘stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks’. Wat daarna nog gebeuren zal, is niet geopenbaard. Door de gemeente zal in de hemelse gewesten de wijsheid van God in al haar kleurschakeringen bekend worden. Zij komt tot volkomenheid, want ‘als Hij geopenbaard zal zijn, zullen wij als Hem zijn’. De verdere gedachten van God over haar zijn verborgen, want ‘het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen’. Uiteindelijk zal bewezen worden dat God het einddoel van zijn wijsheid, de volmaakte gemeente, in zijn schepping tevoorschijn kan brengen.

Het is als met een prachtige foto, die ontwikkeld wordt. Het papier gaat van het ene bad in het andere tot tenslotte het kunstwerk volkomen is. In de onzichtbare wereld vervult ook satan zijn taak tot het doel van God. Psalm 104:26 zegt: ‘De Leviathan door U gemaakt om mee te spelen’. God die heilig en zuiver is, experimenteert als het ware met dingen, die zijn doel niet nastreven maar zelfs tegenstaan, zodat ieder facet van zijn wezen geopenbaard kan worden. In de schepping worden (zie Rom.1:20) zijn eeuwige kracht en goddelijkheid gezien, maar in de herschepping zijn barmhartigheid, goedertierenheid, trouw en genade. Tegen de achtergrond van de duisternis straalt het hemelse licht mooier en helderder.

Beelden

Wij zouden niets van deze onzichtbare wereld begrijpen, wanneer wij de afbeelding er niet van vonden in de zichtbare wereld. Zo maakte God op de eerste dag van de schepping scheiding tussen het licht en de duisternis. Het licht is het beeld van het rijk van God en de duisternis dat van het rijk van satan. Zoals God in de zichtbare wereld een scheiding maakte, zo had Hij ook een grens getrokken tussen beide rijken in de onzichtbare wereld. De zon is het beeld van God en de maan dat van Jezus Christus, die de afstraling is van Gods heerlijkheid. De sterren in hun groeperingen geven ons een indruk hoe de hemel bevolkt is met geesten, die ook hun verschillen, rangorde en onderlinge verbanden kennen.

Wanneer er sprake is van het licht in de zichtbare en tijdelijke schepping, spreekt de nieuwe schepping van ‘het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht’ (Joh.1:9). God schiep in beginsel de dieren op aarde als goede wezens (God zag dat alles zeer goed was, Gen.1:31). Na de grootste scheuring aller tijden, werd een gedeelte van de dierenwereld door de gevallen engelen gedemoniseerd. Zo wordt in de Bijbel bijvoorbeeld gesproken over dieren als: de duif, het lam, de leeuw, de slang, de draak, de schorpioen en het verfoeilijk gevogelte. De natuurlijke mens moest heersen over de vissen, over de vogels en al het gedierte van de aarde. Dit is een beeld van de nieuwe schepping, waarbij voor de geestelijke mens geldt: ‘Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen het hele leger van de vijand’ (Luc.10:19). Tenslotte is de mens zelf ook een beeld. Vóór de laatste scheppingsdaad zei God tot de engelen: ‘Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, als Onze gelijkenis’ (Gen.1:26).

Omdat wij naar het beeld van God geschapen zijn, is het voor ons mogelijk iets te begrijpen van Gods wijsheid, heiligheid, eeuwige kracht en goddelijkheid. De hele Oudtestamentische eredienst bestond uit beelden, die de hemelse werkelijkheid van het verlossingsplan moesten afschaduwen. De inrichting van de tempel, het priesterschap, de offers, de sabbatsviering, de ceremoniën, symboliseren allemaal de geestelijke werkelijkheid.

De sleutel van het Koninkrijk der hemelen

In het Nieuwe Testament wordt een nieuwe tijd ingeluid. Dan komt het Koninkrijk der hemelen dichterbij. Jezus gaf ons de sleutel tot de onzichtbare wereld, dat wil zeggen de kennis en het inzicht van de bovennatuurlijke zaken. Deze dingen waren eerder niet bekend. In Jezus wordt vervuld: ‘Ik zal verkondigen wat sinds de grondvesting van de wereld verborgen gebleven is’ (Matth.13:17,35). Hij openbaarde ons God, die geest is, als een liefhebbend vader. Hij bracht een evangelie dat de ogen opende voor engelen en duivelen. De geestelijke wereld die alle eeuwen voor de mensen verborgen was geweest, openbaarde Hij ons. Hij zei: ‘Die het kwade zaad zaaide, is de duivel’. Hij kwam om de vijanden van God en de mens te ontmaskeren en hun werken te openbaren. Hij kwam niet om de werken van de mensen te verbreken, maar die van de duivel.

De enige vijanden die Jezus had, waren de onreine geesten. Wanneer een van zijn vrienden Hem een verkeerd advies geeft, richt de Heer zich niet tegen deze apostel, maar zegt: ‘Ga weg, achter Mij, satan!’ Hij openbaarde dat de oorzaak van alle ziekte en zonde in het rijk van de duisternis ligt. Werp de demonen uit en biedt hen weerstand; dan komt het Koninkrijk van God in vrede, gerechtigheid en blijdschap. De Farizeeën hadden, zoals de leiders in deze tijd, deze sleutel van de kennis weggenomen. Daarom bezaten zij geen boodschap voor tollenaren, zondaren, zieken, gebondenen en bezetenen. Wie van de machten van de duisternis bevrijd is, is van de veroorzakers van zonde en ziekte verlost. Het genezingsproces kan dan beginnen. Onze strijd is immers niet tegen vlees en bloed, maar ‘tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten’ (Ef.6:12).

Het werk van de duivel is om de mens uit de wetten van God te krijgen. Hij is de auteur van alle wetteloosheid en daarom is zonde en ziekte van de duivel. De boze geesten beïnvloeden de mensen, verleiden hen, huizen in hen en zij dwingen dingen te doen, die tegengesteld zijn aan de wetten van God. Zij gebruiken de ziel en het lichaam van de mens om hun antigoddelijke gedachten onder de aandacht te brengen. De wereld ligt in het kwaad, dus onder de druk en invloed van de machten van de duisternis. De demonen zaaien onrust en ruzie, wekken twijfel en angst op, veroorzaken het liegen en het haten van de mens, brengen hem tot onreinheid en verslaving en maken hem hoogmoedig. Van de demonen kan gezegd worden: zij blijven bij u en willen in u zijn.

De strijd

Opnieuw geboren christenen kennen maar één strijd en dat is tegen de duivel en zijn legers. De Bijbel vermaant: ‘Stel uzelf niet langer in dienst van de zonde als een werktuig voor het onrecht, maar stel uzelf in dienst van God’ (Rom.6:13). Wanneer zij zondigen, laten zij zich door de boze machten gebruiken. Zij moeten daarom van al hun vijanden bevrijd worden, om de Heer te dienen in heiligheid en gerechtigheid zonder vrees (Luc.1:71-74) Zij bidden niet: ‘Verlos mij van mijzelf’, maar: ‘Verlos mij van het kwaad!’ Zo leerde de Heer zijn leerlingen bidden. Wie tegen zichzelf strijdt, is een dwaas. Wij zijn geen vijanden van onszelf. Wij moeten immers de ander liefhebben als onszelf. Niemand haat zijn eigen vlees. Daarom bidden wij niet: ‘Verbreek mij maar geheel’. Jezus kwam niet om ons te verbreken, maar om ons te herstellen en te genezen. Hij heelt gebrokenen van hart. Hij troost het hart, dat huilend tot Hem vlucht.

De vijand probeert de mens te verbreken. Hij wil hem naar geest, ziel en lichaam beschadigen. God heeft echter geen lust in menselijke wrakken en puinhopen. Davids geest werd in hem verbroken en zijn hart was verslagen, nadat hij overspel had bedreven met Bathseba. In zijn grote nood bad hij: ‘Een verbroken geest en verbrijzeld hart wordt door U, O God, niet veracht’ (Ps.51:19). God had zijn geest niet verbroken, maar de zondemacht.

Een van de vruchten van de Heilige Geest is de zelfbeheersing. Toch zijn er vrome geesten, die geloven dat zij zichzelf verliezen moeten. Maar Jezus zei: ‘Want wat baat het een mens, als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest’ (Luc.9:25). Wie zichzelf verliest, wordt een speelbal van demonen. Hij wordt een ontmantelde stad, waarin de wilde dieren binnen dringen om hun verwoestend werk te verrichten. Vele mensen zijn zo vergroeid met de machten van de duisternis, dat zij leren zelf zo te zijn. Zij zeggen: ‘Zo ben ik nu eenmaal. Ik heb dit al van mijn jeugd af gehad en gedaan’. De machten die in hun voorgeslacht werkten, legden van hun jeugd af aan ook al beslag op hen en hun eigen persoonlijkheid kwam nooit uit de verf.

Verlossing

Het begin van de verlossing is, dat de mens zich van de zondemacht distantieert. Hij moet niet langer zeggen: ‘Dat doe ik’, maar ‘dit wordt door mijn vijand veroorzaakt’. Dat iemand zonde doet is al erg genoeg en dat hij zich door satan laten gebruiken stelt hem schuldig, maar als hij zich laat identificeren met het kwade, snijdt hij zichzelf de pas af om bevrijd te worden. Een mens kan alleen maar verlost worden van iets dat niet bij hem hoort, maar nooit van wat deel uitmaakt van zijn eigen wezen. Dit zou zijn persoonlijkheid verminken. Zo komt de gevangene tot vrijheid en wordt de geboeide verlost van zijn ketenen.

Het evangelie van Jezus Christus is er een van redding, bevrijding, verlossing en genezing. Het begint met de schuldvergeving. In het geloof neemt de mens aan dat Jezus zijn zonde aan het kruis verzoend heeft. In de zichtbare wereld stortte de Heer daar zijn bloed en in de onzichtbare wereld gaf Hij op het altaar, dat in de hemel is, zijn leven. De zondevergeving is in de hemelse gewesten gebeurd. Men kan dit niet zien, maar alleen in het geloof aanvaarden. Zo hoort ook het opnieuw geboren worden bij de onzichtbare wereld. Het is een ingaan in het Koninkrijk van God en een ingevoegd worden in het lichaam van Christus. De geboorte op aarde is het begin van een tijdelijk leven, maar de geboorte uit God in de onzienlijke wereld is het begin van het eeuwige leven.

Iemand die Jezus aangenomen heeft en een kind van God geworden is, is daarmee nog niet vrij van de zonde. Zijn schuld is vergeven, maar hij moet nog verlost worden, dat wil zeggen losgemaakt worden van de vijandelijke machten. Als dit niet gebeurt, kan de redding in hem niet functioneren. Daarom bidt de gelovige: ‘Verlos mij van het kwaad’. Wanneer een christen op één sector van zijn leven geen baas in eigen ‘huis’ is, dan is hij een gebondene en moet hij bevrijd worden. De gebonden christen roept het uit: ‘Wat ik wil, doe ik niet en wat ik niet wil, doe ik. Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen?’ Het antwoord luidt: ‘Jezus Christus!’ Deze doet dit door de wetten van de Geest. ‘Want de wet van de Geest van het Leven heeft u in Christus Jezus (zijnde) vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood’ (Rom.8:2).

De wetten van de Geest functioneren door gebed, Bijbel lezen, vasten, handoplegging, het uitdrijven van demonen in de naam van Jezus, het zalven van zieken, het ontvangen van de doop in Gods Heilige Geest, de werking van de geestelijke gaven en het beleven van de gemeenschap met broers en zusters. De geest van de christen moet losgemaakt worden van de boze geesten. Dat is bevrijding. Door de doop in Heilige Geest wordt de geest van de mens verbonden met de Heilige Geest. ‘Die zich aan de Heer hecht, is één van geest met Hem’ (1 Cor.6:17). Dat is een nieuwe verbondenheid, die enkel vreugde, redding en kracht met zich brengt.

Men moet weer leren tegen de duivel leren strijden. In dit opzicht horen wij het voorbeeld van Jezus te volgen. Het is nodig bekleed te worden met kracht uit de hoogte, dat is kracht uit de onzienlijke wereld ontvangen. Een ware christen zoekt geen aardse of tijdelijke schatten, maar hemelse of eeuwige. Wij willen wandelen op de hoge weg, die de heilige weg genaamd wordt. De profeet Jesaja zegt hiervan:

  • ‘Daar zal een gebaande weg lopen, ‘Heilige weg’ genaamd, geen onreine zal die betreden. Over die weg zullen zij gaan, maar dwazen zijn er niet te vinden. Geen leeuw of roofdier zal daar komen, geen enkel wild dier dwaalt er rond, ze blijven er allemaal weg, alleen zij die verlost zijn zullen daar gaan. Wie door de Heer bevrijd zijn, keren terug. Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige vreugde. Gejuich en vreugde trekken de stad binnen, gejammer en verdriet vluchten eruit weg’ (Jes.35:8-10).