Leven in de wereld en onberispelijk blijven

  • ‘Als je in het evangelie gaat geloven, mag je dan werkelijk niks meer, is dan alles wat je in de wereld zoekt zonde?’

Deze vraag werd ons onlangs gesteld. Er zijn veel mensen die zo denken. Gelovig zijn en in de wereld leven, zijn dat twee tegenstrijdige zaken? Moet een opnieuw geboren christen zich als een wereldvreemde kluizenaar gedragen met alleen maar belangstelling voor Bijbel en gebed? Als dit werkelijk het geval zou zijn, zouden opnieuw geboren christenen zich niet met gemeentebouw moeten bezig houden, maar zouden zij kloosterorden moeten stichten. Ver van het aards gedoe, achter dikke kloostermuren, zich voedend met hemels voedsel – dat zou dan de methode zijn om tot een echt geestelijk mens op te groeien. Het is echter Gods bedoeling niet dat ze met zijn allen daarvoor in retraite gaan.

  • ‘Vader, Ik vraag niet of U hen uit de wereld weg wilt nemen, maar of U hen wilt beschermen tegen de duivel’ (Joh.17:15).

Dit bad Jezus in het zogeheten hogepriesterlijk gebed. Gelovigen hoeven zich dus niet volledig af te zonderen van de wereld waarin zij leven. Jezus bidt niet dat zij uit de wereld weggenomen zullen worden, maar dat zij bewaard blijven voor de verleiding van de duivel. Het gaat erom dat de duivel geen beslag op hun leven zal leggen, zodat zij een levende gemeenschap met de Heer kunnen hebben.

Er zijn ‘gelovigen’ die met deze dingen helemaal geen moeite hebben; met het grootste gemak bewegen zij zich in de wereld. Zij voelen zich er opperbest in thuis; van vreemdelingschap tussen de ongelovigen, die hen omringen, hebben zij geen last. Dit zijn dan vaak mensen die hun ‘geloof’ voor de zondagmorgen gereserveerd hebben; veel diepgang bezitten zij niet. Maar dit is een houding die Gods goedkeuring nooit kan wegdragen. 

Een oprecht christen zal in de omgang met mensen die zijn geloof niet delen, steeds weer merken dat hij ‘anders’ is. Hij zal zich niet boven hen verheffen, maar ervaart dat zij eigenlijk in een andere wereld leven dan hij. Wanneer de mogelijkheid zich voordoet, zal hij de ander wijzen op de noodzaak van levensvernieuwing, van een overgaan naar de geestelijke wereld, waar andere normen gelden dan de natuurlijk denkende mens hanteert. Een opnieuw geboren christen is immers gesteld als een licht in de wereld, als een stad op een berg, van wie het licht niet verborgen kan blijven. En dat licht is nodig, want de wereld verkeert in duisternis.

Het goede zaad overwoekerd

Zo leven gelovigen tussen mensen die alleen maar oog hebben voor natuurlijke zaken en daar helemaal in opgaan. Geld verdienen en genieten, halen wat er te halen valt, daar gaat het dan alleen maar om. Deze mensen zijn ongeestelijk bezig; zij hebben de wereld lief en alles wat in de wereld is. En daar maakt God bezwaar tegen:

  • ‘Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem’ (1 Joh.2:15).

Liefde tot de wereld staat dus diametraal tegenover de liefde tot God. Wie de wereld liefheeft, kan God nooit in waarheid dienen. Ook al zou men het ergens nog wel willen; het lukt gewoon niet. Zo kan het gebeuren dat het zaad van het evangelie in het hart van iemand is gaan ontkiemen. De bewuste persoon heeft besloten voortaan rekening te gaan houden met de wil van God. De zuigkracht van de wereld is echter zo sterk dat het goede zaad al gauw overwoekerd is en er op den duur niets meer van het nieuwe leven te ontdekken valt. In de gelijkenis van de zaaier heeft Jezus deze situatie in beeld gebracht. Op zichzelf zal zo iemand zich misschien niet schuldig maken aan grote zonden, toch blijft hij buiten het klimaat van Gods Koninkrijk.

Schatten verzamelen

Maar al te vaak hoor je de opmerking: ‘Wij zijn wel in deze wereld, maar wij zijn niet ván de wereld’. En daar is de kous mee af. Maar mag je dan niet meer van de wereld genieten? De vraag is wat dan met ‘de wereld’ bedoeld wordt. De aarde, die God geschapen heeft, de bergen, de bossen, de meren, de dieren- en plantenwereld, de mensheid? Ja, déze wereld, waar God met liefde op neerziet, mag men liefhebben. Dit wordt zelfs van de mens verwacht, waarbij men de Schepper zal eren voor zijn machtig scheppingswerk. Een ware christen mag zich verheugen in al het goede wat God geeft, het goede van de aarde; hij mag het met vreugde uit Gods hand ontvangen.

Er is een scheiding tussen hen die God dienen en degenen die daar niets voor voelen. Dat merken veel christenen op hun werk, waar zij dagelijks zich tussen zulke mensen bevinden. En dan hoeft er nog niet eens gevloekt of grove taal uitgeslagen te worden. Zij die in de wereld (en voor de wereld) leven, hebben nu eenmaal een andere levenshouding dan Gods kinderen. Aan dezen de taak het klimaat van Gods Koninkrijk te verspreiden. Niet besmet worden door de omgeving die God niet kent, maar in de duisternis hun licht laten schijnen.

Anders leren denken

Wie een eerlijk antwoord wil op de in het begin van dit artikel geponeerde vraag, kan dit vinden in het woord van God.

  • ‘Wie nu een vriend van de wereld wil zijn, wordt een vijand van God’ (Jac.4:4).

Dat is duidelijke taal. Vraag u dus af: ben ik een vriend van de wereld of sympathiseer ik er alleen maar een beetje mee? In de Bergrede is het Jezus zelf die deze dingen aan de orde stelt. Hij zegt: ‘Verzamelt u geen schatten op aarde, verzamelt u schatten in de hemel’ (Matth.6:19,20). Een oproep om bezig te zijn met de geestelijke dingen, met het Koninkrijk van God. ‘Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn’, vervolgt Jezus. Dus: als u zich bezighoudt met de zichtbare wereld, bent u daar uw schatten aan het verzamelen en dan is daar ook uw hart (uw inwendige mens). ‘De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid’ (1 Joh.2:17). Alle reden om de inhoud van uw leven niet te zoeken in het aardse, dat vergankelijk is.

Wanneer iemand nog zit met de vraag: mág ik dit en mág ik dat, is dit een bewijs dat hij daar nog behoefte aan heeft en dat zijn geestelijke verlangens minimaal zijn. Het heeft geen zin zo iemand te zeggen dat hij aan die verlangens geen gehoor moet geven. Stel, dat hij dit inderdaad niet zou doen, dan nog blijft dat innerlijk verlangen bij hem bestaan. Dit is niet de oplossing, dat is duidelijk. Gods kinderen moeten leren anders te gaan denken, hun gerichtheid moet veranderen. De dingen van het Koninkrijk van God zullen boven alles moeten gaan, zonder dwang of druk. Gewoon, omdat men gaat inzien wat het belangrijkste en wat het enige echte is.

De dingen waar de wereld zich mee bezighoudt, hoeven op zichzelf niet altijd slecht te zijn, ze weerhouden de gelovige echter het werkelijk goede te beleven. Het natuurlijke vormt vaak een blokkade voor het geestelijke. Daarom zal men zich waar mogelijk ervan distantiëren. Wie vanwege zijn werkkring moet optrekken met hen die niets van het geloof willen weten, heeft al genoeg moeite om in de zuivere sfeer van Gods Koninkrijk te blijven. Welnu, dan zou zo iemand toch wel dwaas zijn om in zijn vrije tijd opnieuw het gezelschap te kiezen van mensen die net als zijn collega’s in een sfeer leven die niet bij een christen past.

Natuurlijk mag een waarachtig christen zich bekwamen in natuurlijke zaken of er een hobby op na houden. Ook mag hij zijn behoefte aan ontspanning op een gezonde manier bevredigen. In heel zijn doen en laten zal hij zich bewust moeten zijn dat hij nu eenmaal op aarde leeft, waar de duivel de mens voor zich probeert te winnen. De Heer daarentegen wil de mensen voor de duivel bewaren, zodat zij geestelijk gezond blijven en verder kunnen groeien tot het volle zoonschap. Zij zullen dan echter niet zelf het klimaat van de vijand opzoeken.

‘Toon mij uw vrienden en ik zal zeggen wie u bent’, luidt een gezegde. Wie zich als gelovige nog thuis voelt in wereldse sfeer, zal zich in het ware geestelijke klimaat niet op z’n gemak voelen. Zulke mensen horen dan meestal bij de randgevallen in de gemeente van Jezus Christus. Wie enerzijds de dingen bedenkt die ‘beneden’ zijn, zal moeilijk ertoe komen zich bezig te houden met de dingen die ‘boven’ zijn. En dat vraagt de Heer nu juist.

Mag ik naar de bioscoop, het theater, het voetbalstadion, de kaartclub; mag ik me met politiek bemoeien, mag ik lid zijn van een ‘wereldse’ vereniging, enzovoort, enzovoort? Anders gezegd: is er een wet die dit verbiedt? Antwoord: nee, zo’n wet bestaat er niet. Het grote gebod wat Jezus noemde is: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand’ (Matth.22: 37). Als u de Heer werkelijk wil dienen, zult u te rade moeten gaan bij Gods Heilige Geest. Wees waakzaam en bedenk of de dingen waar u mee bezig bent u geestelijk geen schade berokkenen en uw groei afremmen. Dit zal bepalend zijn voor wat u wel of niet gaat ondernemen. Hou er wel rekening mee dat u door allen gehaat zult worden.