Kracht om te getuigen

  • ‘Trek heel de wereld door om aan elk schepsel de goede boodschap bekend te maken’ (Marcus 16:15).

Elke opnieuw geboren christen wil graag het evangelie van het koninkrijk der hemelen doorgeven aan anderen. Het is ook één van de belangrijkste levenstaken die hij heeft gekregen. Bij zijn afscheid, vlak voor zijn hemelvaart, gaf Jezus zijn volgelingen bovengenoemde opdracht. Om hen geschikt te maken voor deze omvangrijke en zware taak, beloofde Hij hun dat ze eerst bekleed zouden worden met de kracht van Gods Geest: ‘Maar wanneer Gods Heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en mijn getuigen zijn in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, en tot het uiteinde van de aarde’ (Hand.1:8). Had God hun deze kracht niet geschonken, dan zou deze verantwoordelijkheid hun te zwaar geweest zijn. Zonder de toerusting van de Heilige Geest ontaardt het uitvoeren van zo’n wereldomvattende taak onherroepelijk in een wettische kramp.

De doop in Gods Heilige Geest is onlosmakelijk verbonden met de prediking van het Woord van God. Dat is te zien in het leven van Jezus. Hij kon zijn openbare bediening pas beginnen, nadat Gods Geest op Hem was neergedaald bij zijn doop in de Jordaan door Johannes. Jezus zelf verwees naar deze persoonlijke ervaring, toen hij in de synagoge van Nazareth opmerkte:

  • ‘De Geest van de Heer rust op mij; daartoe heeft Hij mij gezalfd. Om aan armen de goede boodschap te brengen heeft Hij mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating aan te kondigen en aan blinden het licht in hun ogen, om verdrukten in vrijheid te laten gaan, en een jaar af te kondigen dat de Heer welgevallig is’ (Luc.4:18,19).

Na hun eerste pinksterervaring zochten de eerste christenen telkens weer de kracht van Gods Geest om daardoor de vrijmoedigheid te ontvangen, die ze nodig hadden voor de verkondiging van het Woord van God te midden van een vijandige en agressieve omgeving. Telkens als ze moesten vaststellen dat de kracht die ze op de Pinksterdag ontvingen, afgenomen was, zochten zij de Heer opnieuw. In Handelingen 4:31 staat: ‘Na hun gebed beefde de plaats waar zij bijeen waren en werden ze allen vervuld van de heilige Geest en verkondigden met vrijmoedigheid het woord van God’.

Vandaag de dag geloven kerkmensen nog wel, maar zij missen de overtuiging dat zij gedoopt moeten worden in Heilige Geest. In veel kerken wordt daar nauwelijks over gesproken. Vaak wordt het opnieuw geboren worden en gedoopt zijn in Heilige Geest weggemoffeld. Het doen van openbare belijdenis is zo het belangrijkste moment in het leven van een kerkganger. Op die manier missen zij het doel van de uitstorting van Gods Geest: de verkondiging van het evangelie aan de hele schepping. Trouwens, zij vinden het evangeliseren op zich al moeilijk want hoe maak je het evangelie aantrekkelijk als je elke dag te maken hebt met een straffende God?

Veel kerkgangers, die zeggen gedoopt te zijn in Heilige Geest, maken zich nauwelijks druk om de verkondiging van het Woord van God en zouden er niet eens toe in staat zijn. Een van de belangrijkste oorzaken is, dat zij dat Woord nauwelijks echt lezen, laat staan diepgaand bestuderen. Zij studeren wel maar proberen alles letterlijk uit te leggen. Als ze al over de Heilige Geest nadenken, zien ze de Geest als Persoon, als 1/3e Godheid. Misschien ondervinden ze nog enkele ogenblikken van geestelijke en emotionele beleving te ervaren, maar ze missen het inzicht om het Woord van God echt te bestuderen.

Om van het evangelie te getuigen, is kennis van de Bijbel onontbeerlijk. Jezus heeft zijn volgelingen echter tijdens drie jaar eerst opgeleid voor zij de ervaring met Gods Geest ontvingen. Het grootste deel van zijn openbare bediening wijdde Hij aan het onderricht in het Woord van God. Men noemde Hem dan ook ‘Rabbi’ of ‘Meester’. Hierbij komt nog dat Jezus’ leerlingen al vanaf hun prilste jeugd waren onderwezen en getraind in de Schrift. Het is daarom ook een misverstand te veronderstellen dat de leerlingen na de doop in de Geest zomaar voor de vuist weg predikten. De preek van Petrus tijdens het Pinksterfeest bestaat voor meer dan de helft uit Schriftcitaten. En de toespraak van Stefanus – van wie gezegd werd dat hij vol was van Gods Geest – bevatte maar liefst 53 (!) verwijzingen naar Schriftplaatsen.

Er bestaat geen enkele basis voor de veronderstelling, dat degene die vol is van Gods Geest het Woord van God zou kunnen prediken, zonder dat hij zich ervoor inzet om de Bijbel beter te leren kennen. Wie zich niet verdiept in het Woord van God, blijft steken in een vol enthousiasme en met ogenschijnlijk gezag prediken, maar de verkondiging heeft eigenlijk maar bitter weinig Bijbelse inhoud. Gods Woord is ongelooflijk belangrijk voor geestelijke groei. Het doorgeven van het eeuwig evangelie bestaat daarom niet uit een aantrekkelijk programma met veel show, zang en muziek, maar uit een gezonde prediking.

Christus’ opdracht aan zijn gemeente is het bekend maken van Gods Woord aan de hele schepping. Aangezien niemand iets kan prediken waar hij niets vanaf weet, zal het onmogelijk zijn om Jezus’ opdracht voor deze wereld te volbrengen, zonder de Schrift te bestuderen. Zoals de regen geen vrucht voort kan brengen als er niet eerst zaad in de grond wordt gezaaid, zo kan een uitstorting van Gods Geest geen redding en geestelijke groei produceren als niet eerst het zaad van het onvergankelijke Woord van God in de harten gevallen is. Een ervaring zonder het Woord van God leidt alleen maar tot ongezonde emotionaliteit en mystiek. Het is om deze reden dat de Heer ons niet alleen de opdracht geeft om te zoeken naar de kracht van de Heilige Geest, maar ons ook uitdaagt om zijn Woord voortdurend te bestuderen en te overdenken!