Horen, maar niet willen begrijpen

  • ‘Ik weet dat u Abrahams nageslacht bent, maar u probeert Mij te doden, omdat Mijn woord in u geen plaats krijgt. Ik spreek over wat Ik bij Mijn Vader gezien heb; u doet dus ook wat u bij uw vader gezien hebt. Zij antwoordden en zeiden tegen Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tegen hen: Als u Abrahams kinderen was, zou u de werken van Abraham doen. Maar nu probeert u Mij te doden, een Mens Die de waarheid tot u gesproken heeft, die Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet. U doet de werken van uw vader. Zij zeiden dan tegen Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben één Vader, namelijk God. Jezus dan zei tegen hen: Als God uw Vader was, zou u Mij liefhebben; want Ik ben van God uitgegaan en gekomen. Want Ik ben ook niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden ….
  • Waarom begrijpt u niet wat Ik zeg? Omdat u Mijn woord niet kunt horen. U bent uit uw vader de duivel en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar vanaf het begin en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen. Maar Mij – omdat Ik de waarheid spreek – Mij gelooft u niet. Wie van u overtuigt Mij van zonde? En als Ik de waarheid spreek, waarom gelooft u Mij niet? Wie uit God is, hoort de woorden van God; daarom hoort u niet, omdat u niet uit God bent’ (Johannes 8:37-46).

Jezus brengt het evangelie van het koninkrijk der hemelen. Hij zegt daarbij dat er mensen zullen zijn die dit niet zullen verstaan, niet zullen begrijpen. Hij, die deze woorden van Jezus niet begrijpt, wordt een prooi van de duivel, die komt en rooft ook datgene nog wat al in zijn hart gezaaid is. De vogels van de hemel, beeld van satans demonen, slaan hun slag, omdat mensen Gods Woord niet begrijpen zoals God het bedoeld heeft. Men hoort de woorden wel, maar men kan de woorden niet overzetten naar de geestelijke wereld. De Heer wijst er op dat er steeds ongeestelijke en onverstandige mensen zijn, tragen van hart. Paulus zegt dat ongeestelijke mensen niet begrijpen en niet aanvaarden wat uit de Geest van God is (1 Cor.2:14), zij vinden het een dwaasheid: ‘Wij echter prediken Christus, de Gekruisigde, voor de Joden een aanstoot en voor de Grieken een dwaasheid’ (1 Cor.1:23). De woorden van God zijn ook alleen maar geestelijk te beoordelen. Opnieuw geboren christenen willen daarom geestelijke mensen worden.

Een ongeestelijk mens redeneert vanuit de situatie, waar hij is en wat hij ziet. Hij wil zekerheden hebben in de natuurlijke wereld en neemt keer op keer maatregelen om zijn bestaan te veraangenamen. De ongeestelijke mens zoekt oorzaken voor ziekte, zonde en gebondenheden in de natuurlijke wereld. De schuldvraag wordt bij mensen gelegd of in het eigen verdorven ik. De geestelijke mens leeft vanuit het Woord van God en wat de Heilige Geest hem openbaart. Hij ziet de verwekkers van zonde en ziekte in de geestelijke wereld. Hij strijdt dan ook met geestelijke wapens, zoals Jezus deed. Het Bijbel lezen brengt de ongeestelijke mens in conflict met wat deze ervaart in het natuurlijke leven, deze werelden komen niet met elkaar overeen:

  • ‘Met begrijpen zal het niet gaan, ik neem het maar onbegrepen aan…’

De ongeestelijke mens hult zich in dit soort nevels. Met zo’n redenering stelt hij zich passief en als een slachtoffer op. Hij vindt het wel best, hij zegt: ‘Ik zie niet van bovenaf hoe God werkt en hoe alles in elkaar zit, ik blijf mijn hele leven tegen de onderkant van het borduurwerk aankijken. Ik zie alles door elkaar lopen, kan er geen touw aan vastknopen, maar ik moet het maar gewoon geloven…’ Dat is dan wel niet aantrekkelijk, maar hij wil het er mee doen, er moet per slot van rekening nog wat overblijven om te geloven. Dit is echter absoluut on-Bijbels, het komt niet overeen met: ‘De verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel’ (Dan.12:3). God geeft de mens Zijn Leraar van de Gerechtigheid, de Leraar die als taak heeft om de leerling dingen te laten begrijpen. Die Leraar was Jezus Christus en is nu Gods Heilige Geest, door Jezus Christus. God wil dus juist dat men Hem begrijpt en zo ook de woorden, die Jezus uitsprak, begrijpt.

Jezus kwam in aanraking met mensen, die niets begrepen van wat Hij zei. De joden hadden een offerdienst en ze hielden zich nauwkeurig en stipt aan de ceremoniën, maar ze begrepen niet wat de diepere betekenis van het offer was. Ze zagen wel de stad van God, het Jeruzalem op aarde, zoals ook de miljoenen vandaag, maar hadden geen idee van het geestelijk Jeruzalem en de stad van God. Hun denken was alleen gericht op het uiterlijke, hun doen en laten was daarop gebaseerd en tot in de kleinste details geperfectioneerd. De uiteindelijke bedoeling van het offer ontging hen totaal.

  • ‘Toen Hij dit sprak, geloofden velen in Hem’ (Joh. 8:30)

Mooi is dat, er waren ook mensen die geloofden in Jezus. Zij voelden wel aan dat er bij Jezus geen enkele vroomheid was, dat Hij geen show opvoerde, maar dat Zijn woorden waar waren. Zo zei ook Nicodémus, namens alle leiders van het Sanhedrin: ‘Wij weten dat u van God bent gekomen als leraar; want niemand kan die tekens doen, die U doet, tenzij God met Hem is’ (Joh.3:2). Men zei van Johannes de Doper en van Jezus dat zij van God gezonden waren. Dat geloofden ze allemaal wel. De Galileeërs zagen de tekens die Jezus deed en zeiden ook: ‘Deze is werkelijk de profeet, die in de wereld komen zou’  (Joh.6:14). Zij wilden Jezus koning maken, zoals meer Joden dit wilden doen. Ook vandaag verwachten ze nog steeds de Messias, maar zij weigeren te accepteren dat Deze al 2000 jaar geleden gekomen is.

  • ‘Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn leerlingen en u zult de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrijmaken’ (Joh.8:31,32).

Jezus zei dit tegen de Joden, die in Hem geloofden, op het moment dat het Loofhuttenfeest afgelopen was en de Joden uit verre streken naar huis gegaan waren. In Mijn woord blijven wil zeggen: Het zaad is gestrooid in jullie hart en jullie geloven Mij, maar volhardt nu ook in dat geloof. Dat is de voorwaarde: jullie moeten in Mijn woord blijven, jullie moeten wat in je hart gezaaid is blijven vasthouden. Net zoals Hij dat zei in Joh.7:37: ‘Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken’. Als je dorst hebt, ga tot Jezus en er zullen stromen van levend water uit je binnenste vloeien, dat is Gods Heilige Geest. De Joden erkenden toen dat Jezus een profeet was, maar de voorwaarde is wel dat ze nu ook de woorden van Jezus vast moeten houden. Niet alleen geloven in Zijn Naam, maar ook de waarheid begrijpen.

In Johannes 2:23 staat ook al dat velen in Zijn Naam geloofden, omdat zij de vele tekens zagen, maar ‘Jezus vertrouwde Zichzelf niet aan hen toe, want Hij wist wat in de mens was’. Deze gelovigen wilden de woorden van Jezus wel opnemen, maar door onderscheiding van geesten wist Jezus dat zij Zijn woorden niet accepteerden. Zijn woord bleef aan de oppervlakte, het drong niet door in de hemelse gewesten. Zij wilden zich door Hem laten inspireren, maar ze hoorden ook andere stemmen. Jezus wilde Zijn volgelingen bekend maken met de waarheid, want deze waarheid zou hen vrijmaken.

  • ‘Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit slaaf van iemand geweest; hoe kunt U dan zeggen: U zult vrij worden?’ (Joh.8:33).

‘Vrij maken’. Als gelovigen dat horen, komt er meestal weerstand. Mensen willen wel geloven, accepteren wat er gezegd wordt, maar als die woorden hen moeten vrijmaken… Mensen voelen zich vernederd, want als ze moeten worden vrijgemaakt, wordt gesuggereerd dat ze gebonden mensen zijn. En dat kan toch niet, een kind van God kan toch niet gebonden zijn? Maar Jezus zei dit ‘dan’ (vers 31) tegen hen, want Hij zei dit omdat Hij de gedachten van hen kende, Hij wist wat er in hun hart was. Het plan van God had geen ingang in hun harten, ze wilden wel in het klimaat van Jezus zijn, met de tekens en wonderen, het brood en de visjes, maar Zijn woorden m.b.t. Gods plan landden niet in hun hart. Als ze de waarheid over Jezus en over het herstelplan zouden aanvaarden, zouden ze pas werkelijk vrij zijn. Zij werden echter afgeremd door hun vooroordelen, hun tradities en hun gebondenheden.

  • De waarheid maakt je rijk in 2 dimensies, in de zichtbare en onzichtbare wereld. Die waarheid leert je zien wie in je is, wie je inspireert en wie je leidt.

De Joden hielden wel van het woord ‘vrij maken’, want ze zuchtten onder het juk van de Romeinse overheersing. Over het algemeen geloofden zij dat de Messias hen zou bevrijden van dat juk. Deze Joden, die wel in Jezus geloofden, hadden zich echter niet vrij gemaakt van het kerkelijk denken in die dagen. Als zij die woorden van Jezus over vrijmaking hoorden, dachten zij aan de dingen in de natuurlijke wereld. Daarom botste het met Jezus, zij werpen Hem voor de voeten dat zij van Abrahams nageslacht en dus vrij zijn. Zij ontkenden daarmee niet dat zij ooit onder vreemde overheersing geleefd hadden, zoals in Egypte, in de tijd van de Rechters of de ballingschap. Maar zij waren zeker geen slaven, dat bewijst de Joodse geschiedenis wel: de Joden waren bijna nooit slaaf, zij werden altijd wel op een of andere manier vrijgekocht.

De Joden begrepen de woorden van Jezus niet, daarom probeerde Hij het nog eens uit te leggen:

  • ‘Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde. En de slaaf blijft niet eeuwig in het huis; de zoon blijft er eeuwig. Als dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult u werkelijk vrij zijn’ (Joh.8:34-36).

Jezus legde hier uit dat je een slaaf bent als je zonde doet. Een slaaf moet luisteren naar zijn meester, welnu deze meester heet zonde. Paulus’ woorden sluiten hier naadloos bij aan als hij zegt:

  • ‘Weet u niet dat aan wie u uzelf als slaaf ter beschikking stelt tot gehoorzaamheid, u slaaf bent van wie u gehoorzaamt: óf van de zonde tot de dood, óf van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid? Maar God zij dank: u was wel slaaf van de zonde, maar nu bent u van harte gehoorzaam geworden aan het voorbeeld van de leer waaraan u overgegeven bent. En – vrijgemaakt van de zonde – bent u dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid’ (Rom.6:16-18).

Door de leer en visie, door het onderwijs van Gods Geest zijn opnieuw geboren en Geestvervulde christenen geen slaven meer van de zonde, maar ze zijn vrijgemaakt. Zo kunnen ook de Joden door het onderricht van Jezus vrijkomen. Het naamchristendom laat zich liever vernederen door te beamen dat ze een slaaf van de zonde zijn. Zo gaan zij maar voor een klein deel de weg van het geloof. Iemand die de woorden van Jezus hoort en gelooft, is niet in Christus als hij niet volhardt in de woorden van Jezus. Zo ontstaat er scheiding tussen de natuurlijke en geestelijke mens.