Het recht op genade

Genade en recht. Voor sommigen zijn dit twee tegenovergestelde begrippen. Waar het recht geldt, kent men geen genade. En wie genade voor recht laat gelden, doet eigenlijk aan het recht tekort. Bovendien, om genade moet je vragen, bijvoorbeeld door het indienen van een gratieverzoek. Doe je dat niet, dan geldt het recht. Kerken leggen vaak de nadruk òf op de genade òf op het recht. Wat het laatste betreft, weten sommigen te verklaren hoe bepaalde rampen gezien moeten worden als een rechtvaardig goddelijk oordeel op menselijk falen: de mens is slecht en ondergaat het oordeel van God. Wie de genade van God benadrukt, verkondigt dat de mens in wezen niets te vertellen heeft, verdorven als hij is. Hij mag blij zijn dat God om hem geeft, maar hij hoeft nergens op te rekenen, want alles is genade. De mens is slecht. Hij hopen dat God om ondoorgrondelijke redenen hem uitverkiest om zijn genade te bewijzen.

Laatst was er een tv-programma waarin gasten hun mening konden geven. De vraag was: hebben gehandicapten recht op bepaalde voorzieningen? Een van de antwoorden kwam van een gehandicapte gelovige vrouw die rechten had gestudeerd. Dit antwoord was tweeledig. Eerst werd gesteld dat er op grond van de wetgeving inderdaad rechten bestonden op voorzieningen. Het beroepsmatige, juridische antwoord was dus: ja. De andere kant betrof de geloofsovertuiging en het antwoord dat daaruit voortkwam was: nee. Van Gods kant bezien, kan men nergens aanspraak op maken. ‘We’ zijn zondaren en alles is genade.

Nationaal recht boven goddelijk recht?

Wanneer iemand zegt dat hij aan de wetgeving van zijn overheid meer rechten kan ontlenen dan aan zijn god, dan moet de god die hij dient van een lagere orde zijn dan zijn regering. Of hij heeft een verkeerd beeld van de enige God. Aangezien uit het gesprek duidelijk bleek dat het ging om de almachtige God, de Vader van Jezus Christus, moet het laatste het geval zijn.

  • Als een christen, die gebreken heeft (en wie is er zonder?), slechts bij een wereldse overheid een rechtmatige claim kan laten gelden, dan zal hij daaruit meer hoop kunnen putten dan uit zijn geloof in God.
  • Als bovendien de overheid er is als dienares van God en dus in dienst van God staat om ons goed te helpen (Romeinen 13:14), zou er dan geen beroep mogelijk zijn bij degene aan wie de overheid verantwoording schuldig is?
  • Als, ten derde, de christen alleen rechten kan ontlenen aan een tijdelijke, wereldse overheid en niet aan God, hoe staat het dan met de niet-gelovige? Moeten we nu maar concluderen dat God de mensen als rechteloze wezens op aarde laat ronddolen, overgeleverd aan de willekeur van menselijke machthebbers en dat het christen zijn slechts een verzekeringspremie is voor de hemel na het sterven?

Wat is genade?

Genade is een kernwoord in het evangelie. De uitspraak ‘alles is genade’ komt echter in de Bijbel niet voor! Het is een wat vage uitdrukking, die ook de indruk wekt dat de mens zonder enige actie moet afwachten of God bereid is hem een aalmoes te geven. In Efeze 2:8 en 9 staat bijvoorbeeld:

  • ‘Want uit genade bent u behouden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; niet uit werken, opdat niemand zou roemen.’

De verlossing gaat dus van God uit en vindt geen grond in de een of andere prestatie van de mens zelf. God is het die Jezus Christus op de aarde heeft doen komen. Deze heeft, zonder hulp van andere mensen, de verlossing van de mensheid uitgevoerd. Hij heeft de verzoening tussen God en mensen tot stand gebracht. Hij heeft een hoopvolle toekomst bekend gemaakt en in die hoop is men behouden. Het schenken van de genade is dus een daad van God, maar het aanvaarden ervan is een actie van de mens. Zo is er na het bekend maken van de verzoening de oproep: laat u met God verzoenen.

Genade is niet alleen het ontvangen van verlossing en vergeving, maar ook het kennen van het geheimenis van Gods wil, zo betoogt Paulus in Efeze 1:7,8. Genade is daarom niet een zoethoudertje voor zondaren, maar een krachtbron voor rechtvaardigen. Zij zijn namelijk gerechtvaardigd door Gods genade (Tit.3:7). Genade is niet een goddelijke meevaller, waar men verder geen aanspraak op kan maken, maar het is een vaste grond. Het is goed dat het hart zijn vastheid vindt in genade (Hebr.13:9). Opnieuw geboren christenen worden opgeroepen vrijmoedig te naderen (actie!) tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te vinden en zo hulp te krijgen op de juiste tijd (Hebr.4:16).

Bij genade moeten we dus niet denken aan een extraatje van God voor enkele uitverkorenen, maar aan de basis van herstel voor alle mensen. Een door God gewild herstel.

Recht op genade 

Heel veel kerkmensen durven het niet te zeggen, maar een mens heeft recht op genade. Recht is gebaseerd op wetten. Door wettelijke regelingen is men in veel gevallen niet meer afhankelijk van iemands goede of slechte humeur. De wet gebiedt. Nu is er wat de eeuwige wetten betreft maar één wetgever: de Schepper van de mens. Zijn Woord is wet, zijn Woord gebiedt. Heel de schepping heeft te maken met de goddelijke wetten. De dode materie, zoals zon, maan en sterren, gehoorzaamt zonder meer. De mens heeft de mogelijkheid om af te wijken en het deel van de schepping dat onder zijn invloed staat, ondergaat daar de gevolgen van. Dat is een gevolg van het feit dat Adam de zonde de wereld heeft binnen laten komen. Daar hebben zijn nakomelingen niets meer aan kunnen veranderen. Nog steeds is er zonde in de wereld, met alle nare gevolgen daar van: dood en vergankelijkheid.

Maar juist omdat noch Adam, noch zijn directe nakomelingen in staat zouden zijn om zonde en dood van de aarde te verdrijven, heeft God onmiddellijk zijn maatregelen bekend gemaakt. Hij kondigde aan dat het zaad van de vrouw de overwinning zou behalen. Dit door God uitgesproken woord was wet. De beloofde overwinning moest komen en kon niet meer ongedaan worden gemaakt.

Toch heeft deze goddelijke uitspraak in de daarop volgende tijd beslist niet altijd bij de mensen op de voorgrond gestaan. In Israël waren het de profeten die de komst van de Verlosser weer onder de aandacht van de mensen brachten. Maar vond de Heer bij zijn komst geloof op aarde? In de tijd van Jezus waren er enkelen die volhardend geloofden. Zo was daar Simeon, die de vertroosting voor Israël verwachtte en Anna, die God diende met vasten en bidden, nacht en dag (Luc.2:25,37).

In Lucas 18:7 spreekt Jezus over mensen die dag en nacht tot God roepen. Hij laat weten dat God hun recht zal verschaffen. Zonde en dood zijn namelijk een groot onrecht onder het volk van God. Dat was toen zo en dat is nu zo. Onder het volk zijn er nog te weinig die dat door hebben en tot God om recht roepen. Omdat Simeon en Anna dat wel deden, waren hun ogen geopend toen het heil in de wereld kwam. Eindelijk gerechtigheid! Simeon kon zeggen:

  • ‘Nu, Meester, laat U, zoals U gezegd hebt, uw knecht in vrede gaan; want mijn ogen hebben uw verlossing gezien, dat U voor de ogen van alle volken hebt toebereid, een licht dat een openbaring zal zijn voor de heidenen en een glorie voor uw volk Israël’ (Luc.2:29-32).

Aan het nageslacht van Adam werd recht gedaan. De genade van God was verschenen, verlossing brengend voor alle mensen (Tit.2:11). Dit was volgens het woord dat God ooit gesproken had. Iedere nakomeling van Adam heeft dan ook recht op deze genade. Daarom is de prediking van de genade die God geeft een rechtmatige zaak. Iedere overheid die dit probeert tegen te gaan, gaat in tegen het goddelijk recht en zal zich te zijner tijd voor de enige wetgever en rechter moeten verantwoorden. Wanneer de overheid, de dienares van God, door het uitvaardigen van wetten het leven van zwakken en onderdrukten probeert te beschermen, handelt zij (op het natuurlijke vlak) juist in overeenstemming met God, want God zelf doet dit door zijn genade ook. En waar wetten zijn, daar kan men zijn recht kennen.

Rechten van de gelovigen 

De rechts- en wetswinkels blijken in een behoefte te voorzien. Dat komt ook omdat men probeert duidelijk te maken wat nu wel de rechten zijn van de doorsneeburger. En de hulp is zo mogelijk gratis. Het enige wat men moet doen is van de geboden mogelijkheden gebruik maken, door te komen (actie!). Dit is nu precies wat God ook wil. Hij wil de mensen de ogen openen voor de rechten die zij hebben. Zij moeten daarvoor het evangelie geloven.

Heidenen weten niet dat zij recht hebben op het evangelie. Dat is in hun hart niet opgekomen en daarom moet het hun verteld worden. Hoe zouden zij geloven zonder het gehoord te hebben? Maar als zij het aanvaarden is er licht tot openbaring. Paulus bad voor de Efeziërs dat zij verlichte innerlijke ogen zouden hebben. Wij, net als de Efeziërs eens heidenen, mogen dat gebed vrijmoedig overnemen voor elkaar en voor onszelf. Waarom? Om te weten wat een geweldige toekomst er klaar ligt voor hen die geloven en hoe groot de kracht van God is waarmee Hij werkt, ons ten goede (Ef.1:18,19). De heerlijke toekomst die in het verschiet ligt, is die van volwassen zonen van God. Daaraan begint God niet te werken na ons sterven, maar nu.

Het werk van Jezus op aarde had ook als doel dat wij het recht van zonen zouden verkrijgen. Geen slaven meer, vrijwel zonder rechten, maar zonen met grote vrijheid. Wie de Geest uit God ontvangen heeft, heeft de geest van het zoonschap (Gal.4:5-7). De Hebreeënschrijver deelt ook mee dat God ons behandelt als zonen (Hebr.12:7). Dat kan wel eens zwaar zijn, omdat een zoon nu eenmaal meer verantwoording draagt dan een slaaf. Verantwoording die voortkomt uit vrijheid. En vrijheid betekent het niet beperkt zijn in je rechten. De rechten die zonen hebben, staan heus niet allemaal omschreven, ook niet in de Bijbel. Van rechten hoef je bovendien ook niet altijd gebruik te maken. Vanuit de vrijheid van het zoonschap kon Paulus opmerken: ‘Alles is mij wel geoorloofd, maar niet alles is nuttig, niet alles is opbouwend’.

Een belangrijk recht dat in de Bijbel wel genoemd wordt, is het recht om vrij te zijn van zonde. Wie met Christus gestorven is (omdat hij deel is gaan uitmaken van zijn lichaam), is juridisch vrij van zonde (Rom.6:7). Het is niet zo dat iedere christen dat ook al volledig als een realiteit in zijn leven ervaart. Doorgaans spreekt men het meest over zijn rechten in verband met de zaken waarin men juist onrecht ervaart. Nu, veel opnieuw geboren christenen ervaren nog het onrecht van zonde in hun leven, maar zij hebben er recht op om daar vrij van te zijn.

Jammer genoeg erkent niet iedere gelovige dat zonde een onrecht is in zijn leven. Vrij van zonde, van elke innerlijke misvorming en niet meer beïnvloedbaar door werkingen vanuit het rijk van satan: voor velen is dat een onrealistische gedachte, voor anderen een mooi, maar niet te bereiken ideaal, voor sommigen echter een hoop die zeker op aarde verwezenlijkt zal worden. Zonen hebben in ieder geval recht om op hun vader te lijken. Zo ook zonen van God. Jezus riep op tot dit verlangen toen Hij zei: ‘U zult volmaakt zijn, zoals uw hemelse Vader volmaakt is’ (Matth.5:48).

Blijven bidden

In Lucas 18 lezen we dat Jezus zijn leerlingen wilde leren om altijd te bidden. We weten ook dat in de daarbij vermelde gelijkenis God niet lijkt op de onrechtvaardige rechter. Integendeel. God heeft het recht lief en Hij waakt over de paden van het recht. Is God dan toch te ‘verbidden’ en moet er daarom aanhoudend tot Hem geroepen worden? Jezus zei eens dat er tijden en gelegenheden zijn waar de Vader rekening mee houdt. Zo zond Hij zijn Zoon uit in de volheid van de tijd (Gal.4:4). Het werken van God is niet vooruit te berekenen. Maar als God op aarde een werk verricht, heeft Hij wel graag dat de mensen door geloof daarop reageren. Zoals Simeon en Anna. Zij baden voortdurend en het gevolg was dat God bij hen een weerklank vond toen zijn verlossing, nog in een heel pril stadium, hun onder ogen kwam. Zij merkten op wat God deed.

Jezus wilde zijn volgelingen leren om ook waakzaam te zijn. Om onmiddellijk te kunnen reageren als er een bijzondere openbaring van God plaats vindt. God weet wat zijn volk nodig heeft. Als dan een rechter die slecht is toch nog recht verschaft, hoeveel te meer de goede Vader die in de hemel is! Jezus deed een soortgelijke uitspraak: ‘Als jullie dus, slecht als je bent, het goede weten te geven aan je kinderen, hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de heilige Geest geven aan degenen die Hem erom vragen’. En God gaf Zijn Heilige Geest, toen men in volhardend gebed was. Dat was zo’n gelegenheid waarbij God weer een verdere openbaring van zijn verlossing gaf. We mogen verwachten dat de redding van God, door Jezus Christus, nog verder zal geopenbaard worden. Maar zal er geloof in zijn evangelie zijn op aarde? Zullen er mensen zijn die er positief op reageren?

God is barmhartig

Sommige mensen denken dat het enige wat we nog van God te verwachten hebben, het laatste oordeel is. Het recht van God zou dan daaruit blijken dat er allerhande ellende over de mensheid uitgestort wordt als straf op de zonde. Nu weten we dat er inderdaad, naar het woord van Jezus, grote benauwdheid op aarde zal komen, die heel wat mensen in onrust zal brengen en ook nu al in onrust brengt. Daarom spreekt de Bijbel over een heden, over een tijd die nu aan de gang is. Zolang het heden duurt kan het volk van God ingaan (actie!) in de rust die God geeft (Hebr.4:6-11). En wie tot die rust van God ingegaan is, zal niet omkomen maar behouden worden.

Nu is het de tijd van het welbehagen en nu is het de dag van de verlossing (2 Cor. 6:2). God wil niet dat zondaren verloren gaan, maar zich bekeren en gered worden. God is niet onrechtvaardig, ook niet wanneer Hij zondaren, die door het geloof in Jezus zijn gekomen, tot rechtvaardigen verklaart (Rom. 3:26). God is niet onrechtvaardig, maar barmhartig. Daarom geeft Hij eerst het recht van de genade en daarna komt pas het recht van het oordeel. De barmhartige God wil dat zoveel mogelijk mensen van hun rechten gebruik zullen maken. Van het recht op genade en van de rechten die zij dan als kind van God hebben, door Jezus Christus.