Dat ‘eigenlijke’ was wèl aanwezig in de Woorden van God. Zo bracht Hij door de boodschap aan zijn knechten (Hebr.1:1), zijn eeuwige plan stukje bij beetje naar buiten: een mensheid, samengevat onder de Christus, waarin God alles in allen zal zijn Wanneer Hij Zich uitte, was dàt plan altijd in Zijn gedachten. Met Zijn uitgesproken Woord, Logos, Joh.1:1 (en geen drie-eenheid), bedoelde Hij twee dingen tegelijk. Er was een ‘tweede spraak’ in verborgen. Terwijl de Woorden van God hun uitwerking hadden voor de tijd en de situatie waarin ze gesproken werden (bv. uittocht, tabernakel wet, beloofde land enz.) lag er echter steeds de tweede, eigenlijke bedoeling in opgesloten: het geheim van Christus (Col.2:20). Daar doelt ook Paulus op als hij schrijft:
- ‘Alle dingen zijn door Hem (niet Jezus, maar het Woord, Gods Logos) geschapen’ (Col.1:16b).
Het Woord van God staat hier vol van. De profeten die Gods gedachten mochten verwoorden en doorgeven, hebben daarnaar gezocht en gespeurd (1 Petr.1:10-12) want daar gaat het immers om. Maar alleen met de sleutels van het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen, waarbij ook de doop met Gods Geest hoort, is opening van verstand en woord mogelijk, zodat die tweede betekenis gehoord en gezien wordt. Als er één is die dit alles begreep en in zijn schrijven deze sleutels zelf ook hanteerde, dan is dat Paulus. Voor zijn lezers is dit niet gemakkelijk. Zelfs Petrus weet daarvan mee te praten zoals hij in 2 Petrus 3:15,16 aangeeft.
Paulus noemt het geheim van God kortweg ‘Christus’ (Col.2:2b). Daarin vat hij alles samen wat God met de mensheid wil bereiken. Met ons huidig taalgebruik zouden we kunnen stellen dat God een ‘concept’, een ontwerp heeft gemaakt waarin zijn eeuwig plan getoond wordt. In de eerste twee hoofdstukken van de Efezebrief schrijft Paulus daar in het kort over (Ef.3:3). Dat plan is alleen te realiseren onder leiding van de Christus (Ef.1:10). Daarom noemt hij het kortweg ‘Christus’. De apostel ziet dat concept steeds weer als die tweede spraak opduiken in het Oude Testament. Lees 2 Corinthiërs 4:6, maar ook 1 Corinthiërs 10:4b:
- ‘zij dronken uit de geestelijke rots die met hen meeging en die rots was de Christus.’
De uitdrukking ‘geestelijke rots’ wijst erop dat het hier gaat over beeldspraak en niet over de aanwezigheid van de mèns Jezus Christus in die dagen.
Petrus schrijft dat de profeten door de Geest van Christus werden geïnspireerd. Met andere woorden: hoewel God tot hen sprak door middel van zijn Geest over allerlei zaken die in hun tijd actueel waren, doelde Hij steeds weer op ‘het grote concept’, Zijn plan. Hij sprak als het ware in overdrachtelijke zin. Op dezelfde manier verwoordt Paulus in Colossenzen 1:15-17 de door alles heen werkende Christus gedachte in het handelen van God. Hij had de schepping zo geconstrueerd dat de Christus voor het uitoefenen van zijn belangrijke taak gebruik kon maken van het ordenende stelsel: ‘Alles is tot Hem geschapen’.
Naam en functies
Er is verschil tussen de mens Jezus, Gods Zoon en het begrip ‘de Christus’. De naam Jezus duidt op de persoon, de naam Christus op een functie. Het is namelijk zo dat oorspronkelijk het ‘Christus concept’ bij God aanwezig was in Zijn Logos. Zou er geen kink in de kabel gekomen zijn door het ontstaan van het rijk van de duisternis en de zondeval van de mens, dan zou Gods plan zich van begin af aan ontwikkeld kunnen hebben in en met een volmaakte mensheid onder leiding van de Christus: Adam, de zoon van God (Luc.3:38). Er zou geen Lam van God nodig zijn geweest en alles wat daar uit voortvloeit.
Nu het echter anders is gelopen (Lucifer en zijn engelen vielen af), heeft de enkel goede God in zijn grote wijsheid alsnog de oplossing uit zijn goede schepping naar voren gebracht, zodat zijn plan door kon gaan: de mens Jezus van Nazareth, de Zoon van God. In Hem vallen nu twee taken samen:
- De oorspronkelijke Christus functie. Vanwege deze laatstgenoemde taak mag de Heer terecht (de laatste) Adam genoemd worden.
- Het Lam van God zijn om de zonden van de wereld weg te nemen. Daardoor is Hij de verlosser en hersteller van de gevallen schepping.
Terecht zegt Petrus in zijn pinkstertoespraak:
- ‘Dus moet ook het hele huis van Israël zeker weten, dat God Hem èn tot Heer èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus die u gekruisigd hebt’ (Hand.2:36).
Christus concept
De oorspronkelijke Christus functie was bij God in zijn Logos. De Christus persoon was een door God geliefde mens die leiding zou gaan geven aan zijn schepping:
- ‘U hebt Mij liefgehad vóór de grondvesting van de wereld’ (Joh.17:24b). Hij zou de eerste zijn onder allen en alles. Hij was het begin.
- ‘Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem’ (Col.1:17). Dit zou werkelijkheid worden zodra deze Leider van de mensheid er invulling aan zou gaan geven.
- ‘Hij was tevoren gekend, vóór de grondvesting van de wereld’ (1 Petr.1:20a). Hij bestond nog niet, maar was door en bij God al gekend. Johannes de Doper zegt daarom: ‘Na mij komt een man die vóór mij geweest is, want Hij was er eerder dan ik’ (Joh.1:15,30).
Voor deze belangrijke taak had God in Zijn plan aan Jezus veel heerlijkheid toegekend. Dit was noodzakelijk voor wat Jezus moest gaan doen. Daarom had God Hem veel wijsheid, macht en gezag in twee werelden, kennis van zaken over Gods plan en zijn Geest gegeven. Deelhebbend aan de goddelijke natuur zou Jezus – als volmaakte mens van God – in staat zijn de schepping voor te bereiden op haar volheid in God.
Jezus had tijdens zijn aanwezigheid op aarde veel van die heerlijkheid ontvangen en er mee gewerkt. Toch was er nog meer heerlijkheid voor Hem, als Christus, bedacht. Dat wist Hij door openbaring. Hij kende de inhoud van Gods Logos die op Hem betrekking had. Zijn gebed was voor zijn heengaan dan ook:
- ‘En nu, verheerlijk U Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, voordat de wereld er was’.
Jezus beweert hier niet dat Hij vóór de schepping van de wereld al bestond of als baby speelde in de box bij zijn pappie en mammie zoals Rome leert, maar dat zijn heerlijkheid al vaststond in het plan van God. En die vroeg Hij op. Daar had Hij, vanuit God bezien, recht op. Zo wilde de Vader het. De vervulling liet niet lang op zich wachten. Na de hemelvaart heeft Jezus Zich gezet aan de rechterhand van God (Marcus 16:19). Wat dat betekent wordt uitgelegd in de artikelen over de Pre-existentie.
Voor God mensen gekocht met zijn bloed
Adam is door zijn zondeval niet aan heerlijkheid toegekomen. Er volgden voor de mensheid tijden van onwetendheid en vervreemding van het leven van God. ‘Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God’. Toen kwam de mens Jezus, de eniggeboren Zoon van God. Tijdens zijn opgroeien en vorming ontwikkelde bij Hem geleidelijk aan de bewustwording dat de Vader Hem als Adam, als Christus en als de eerstgeborene van de hele schepping verkozen had. En Hij bood zichzelf vrijwillig aan als verzoening voor de zonden van de hele wereld. Hierdoor is Jezus de eerste èn de laatste.
De nieuwe schepping, die in en door Jezus mogelijk werd voor alle mensen, is het oorspronkelijke plan dat God met de mens had. Maar doordat zijn plan destijds, door de zondeval, niet door kon gaan, komt God alleen maar één keer tot zijn doel door Jezus. Vandaar dat Jezus terecht door Paulus de ‘eerstgeborene’ van de hele schepping wordt genoemd. Hij is het begin! Jezus wist dit. Als de Joden Hem aanvallen en zich ter eigen verdediging beroepen op Abraham als hun oorsprong, spreekt de Heer die ware en sterke woorden uit: ‘Voordat Abraham was, ben Ik’ (vers 58). Niet Abraham is het begin, het fundament waar de Bijbelbelt zich op beroept (Psalm 105), maar Jezus Christus. In Hém alleen is de weg, de waarheid en het leven van God te vinden. Hij alleen is de enige oorsprong voor alle mensen geworden. Wie alsnog zijn plaats in het plan van god wil innemen en beantwoorden wil aan zijn bedoelingen, zal tot Jezus moeten gaan. In de Christus is de wijsheid van God vlees geworden. En deze wijsheid was van eeuwigheid in en bij God.
Het ‘ben’ Ik, en niet ‘was’ Ik, duidt er al op dat de Heer niet over een eerder bestaan van zichzelf spreekt, maar over het feit dat Hij het eeuwige fundament is en blijft. Dat zal altijd tegenwoordige tijd zijn. Dit blijft gelden; het is onvervangbaar, onuitwisbaar en onwankelbaar. Voor iedereen die Hem aanvaardt en gelooft, wordt Hij tot oorsprong, bron en begin. Alle dingen die God vanaf het begin voor de mens bedoelde, zijn in zijn Christus gepland: ‘in Hem zijn alle dingen geschapen’ (Col.1:16a). Daarbij hoort ook onze heerlijkheid, zoals 1 Corinthiërs 2:7 zegt: ‘de verborgen wijsheid van God die Hij al van eeuwigheid voorbestemd heeft tot onze heerlijkheid!’ Vóór de grondvesting van de wereld zijn ook wij in Hem uitverkoren om als zonen van God aangenomen te worden.
Bij zijn afscheid zegt Jezus in het Hogepriesterlijk gebed tegen zijn Vader dat Hij die heerlijkheid aan zijn volgelingen heeft gegeven. De gelovigen mogen immers delen in alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus. De in zonde gevallen mens kan echter geen deel krijgen aan de zegeningen van de Christus als hij niet eerst wordt vrijgekocht uit de macht van satan en Dood. Om dit mogelijk te maken was het nodig dat er een Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt, zou komen. Een verlosser die ook de beschadigde mens zou herstellen. Deze extra toegevoegde redding- en verlossingsdaad kon alleen volbracht worden door een onberispelijk mens. Dit geldt overigens ook voor de Christustaak. Alleen een volmaakte, geestelijk volwassen mens van God is in staat om beide taken op de juiste manier naar Gods wil uit te voeren. De enige mens die daarvoor in aanmerking komt, is Jezus van Nazareth, de Zoon van God. In Hem komen beide functies bij elkaar: het Lam van God èn de Christus. Daarom heet Hij Jezus Christus.
