Het Koninkrijk van God

Wat is de boodschap geweest, die de evangelieverkondigers van het Nieuwe Testament gebracht hebben? Zij brachten de boodschap van het ‘Koninkrijk van God’.

Jezus en het Koninkrijk

De Meester zelf koos ‘de komst van het Koninkrijk’ als zijn voornaamste onderwerp: ‘Maar nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea de goede boodschap van God verkondigen en zei: De tijd is rijp en het koninkrijk van God is ophanden. Bekeer u! Heb geloof in de goede boodschap’ (Marc.1:14,15). In feite deed Jezus niet anders dan de boodschap van het Koninkrijk van God prediken, tijdens de drie jaren dat Hij rondreisde in het land Israël: ‘Maar Hij zei: Ook andere steden moet Ik de goede boodschap brengen van het koninkrijk van God, want daartoe ben Ik gezonden’ (Luc.4:43). Toen Jezus na zijn opstanding regelmatig aan zijn leerlingen verscheen, vormde opnieuw het Koninkrijk van God het belangrijkste thema van hun gesprekken: ‘Aan hen heeft Hij veertig dagen lang herhaaldelijk bewezen dat Hij na zijn lijden weer in leven was. Hij vertoonde zich aan hen en sprak over het koninkrijk van God’ (Hand.1:3).

De eerste christenen en het Koninkrijk

Geen wonder, dat ‘het vertellen over het Koninkrijk van God’ in de tijd van de eerste gemeente, de belangrijkste opdracht van Jezus’ volgelingen vormde. Zo lezen we: ‘Maar toen ze Filippus gingen geloven, die hun de goede boodschap bracht van Gods koninkrijk en de naam van Jezus Christus, lieten ze zich dopen, mannen zowel als vrouwen’ (Hand.8:12). Ook een apostel als Paulus koos ‘de prediking van het Koninkrijk’ als belangrijkste opdracht voor zijn bediening – tot aan het einde van zijn loopbaan toe. Op zijn laatste ‘zendingsreis’ nam hij afscheid van de gemeenten die hij opbouwde met de woorden: ‘Welnu, ik weet dat niemand van u die ik op mijn reizen het koninkrijk gepredikt heb, mij terug zal zien’ (Hand.20:25).

De aard van het Koninkrijk

Wie is de Koning van dit rijk? God zelf, samen met zijn Zoon, wie alle macht gegeven werd in hemel en op aarde. Zo herkende de apostel Johannes in een visioen Jezus als zijn Koning: ‘Op zijn mantel en op zijn dij staat een naam geschreven: Koning der koningen en Heer der heren’ (Op.19:16). Jezus zelf is de Koning in dit Koninkrijk van God. Geen Koning echter zonder troon, van waar hij zijn heerschappij uitoefent. Ook Koning Jezus beschikt over een troon. Hij nam deze in bij zijn hemelvaart: ‘Verhoogd aan Gods rechterhand heeft Hij de beloofde heilige Geest van de Vader ontvangen en uitgegoten; en dat is wat u ziet en hoort. David is immers niet ten hemel opgestegen; zelf zegt hij juist: De Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Ga zitten aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden als een voetbank voor uw voeten heb gelegd’ (Hand.2:33-35).

De troon van David waarop Jezus zich zette, bevindt zich in de hemel; het is de troon van God zelf. Jezus’ troon is niet van deze wereld, zoals ook zijn Koninkrijk niet van deze wereld is. Van deze bovenaardse dimensie van Gods Koninkrijk getuigde Jezus al eerder tegenover zijn rechter Pilatus: ‘Toen ging Pilatus het pretorium weer binnen en riep Jezus bij zich. ‘Bent U de koning van de Joden?’ vroeg hij…. Jezus antwoordde: Mijn koningschap is niet van deze wereld. Als mijn koningschap van deze wereld was, zouden mijn dienaars er wel voor gevochten hebben dat Ik niet aan de Joden werd overgeleverd. Mijn koningschap is echter niet van deze wereld’  (Joh.18:33,36). Het Koninkrijk dat Jezus en zijn volgelingen verkondigden, was niet politiek of nationaal, maar geestelijk van aard: ‘Toen Hem door de farizeeën werd gevraagd wanneer het koninkrijk van God zou komen, antwoordde Hij: Het koninkrijk van God komt niet zó dat je het kunt aanwijzen. Je kunt niet zeggen: “Kijk hier is het!” of: “Daar is het!” Ziet u, het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik’ (Luc.17:20,21).

De tekens van het Koninkrijk

Gods Koninkrijk is geestelijk van aard. De komst van het Koninkrijk van God is dan ook niet in de zichtbare wereld waar te nemen. Het wordt gevestigd in de onzienlijke wereld, wanneer Jezus daar zijn heerschappij uitoefent. Maar het valt wel te herkennen aan wat Gods heerschappij in mensenlevens praktisch uitwerkt. Jezus getuigde daarvan: ‘Maar als Ik met de hulp van de Geest van God de demonen uitdrijf, dan is kennelijk het koninkrijk van God onder u gekomen’ (Matth.12:28). Als Johannes de Doper zich afvraagt of de boodschap van de komst van Gods Koninkrijk wel in Jezus is vervuld, wijst de Heer hem op de uitwerking van zijn prediking in levens van mensen: ‘Jezus antwoordde hen: Ga Johannes vertellen wat u hoort en ziet: Blinden zien weer en kreupelen lopen, melaatsen worden rein en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de goede boodschap verkondigd’ (Matth.11:4,5). Later zou ook de apostel Petrus wijzen op de uitwerking van Jezus’ verkondiging als Gods Gezalfde. Door Jezus’ bediening vestigde God zijn Koninkrijk. ‘Hij trok goeddoende rond en genas allen die in de macht waren van de duivel, want God was met Hem’ (Hand.10:38).

Bevrijd voor het Koninkrijk

De heerschappij die God door middel van zijn Koninkrijk uitoefent, wordt openbaar waar de macht van de vijanden van dit Koninkrijk – satan en zijn engelen – wordt verbroken. Ze manifesteert zich ook waar mensen bevrijd worden en zich vrijwillig onder Gods heerschappij voegen. Geen Koninkrijk immers zonder onderdanen: ‘Hij heeft ons ontrukt aan de macht van de duisternis en overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon’ (Col.1:13).

Geboren in het Koninkrijk

Om onderdaan in Gods Koninkrijk te kunnen zijn, moet men daar (geestelijk) in geboren worden. Door bekering en geloof geeft de mens God gelegenheid hem innerlijk tot leven te wekken, zodat hij zich Gods heerschappij bewust kan worden, en een plaats in zijn rijk mag innemen: ‘Ons die dood waren door onze overtredingen (heeft Hij) met Christus ten leven gewekt. Hij heeft ons samen met Hem laten opstaan en laten zetelen in de hemelse regionen, in Christus Jezus’ (Ef.2:5,6). Wie zich tot God keert, mag een totale levensverandering ondergaan, waardoor Gods Koninkrijk realiteit voor hem wordt: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: alleen wie opnieuw geboren wordt, kan het koninkrijk van God zien. Waarachtig, Ik verzeker u: alleen wie geboren wordt uit water en geest, is in staat het koninkrijk van God binnen te gaan’ (Joh.3:3,5).

Het volk van het Koninkrijk

Wie door opnieuw geboren te worden deel gaat uitmaken van Gods Koninkrijk, zal ontdekken dat hij in dat rijk niet de enige onderdaan is – samen met anderen vormt hij het volk van de Koning: ‘Waardig bent U het boek te nemen en zijn zegels te verbreken; want U bent geslacht en U hebt hen gekocht voor God met uw bloed uit alle stammen en talen en volken en naties. U hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninklijk geslacht van priesters, en zij zullen heersen op de aarde’ (Openb.5:9,10). Als onderdanen van Gods Koninkrijk zullen de opnieuw geboren en Geestvervulde christenen zich dan ook bewust moeten zijn van de gezamenlijke taak die zij in dat rijk vervullen. Individualisme is dit Koninkrijk vreemd: ‘die ons gemaakt heeft tot een koninklijk geslacht van priesters voor zijn God en Vader (Openb.1:6).

Kennis van het Koninkrijk

Wie door opnieuw geboren te worden de realiteit van Gods Koninkrijk is gaan zien en ervaren, mag nu ook rekenen op geestelijk inzicht in de wetten die voor het leven onder Gods heerschappij van kracht zijn. God wil hem de nodige geestelijke wijsheid en kennis schenken, waarmee hij als waardig onderdaan van dat rijk kan leven: ‘De leerlingen kwamen Hem vragen: Waarom spreekt U tot hen in gelijkenissen? Hij antwoordde: Jullie is het gegeven de geheimen van het koninkrijk der hemelen te verstaan, maar hun niet’ (Matth.13:10,11). ‘Daarom gaat het met iedere Schriftgeleerde die leerling is geworden in het koninkrijk der hemelen als met een huisvader, die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt’ (Matth.13:52).

De kracht van het Koninkrijk

Hoewel het Koninkrijk van God zich niet in uiterlijke zaken manifesteert, is het toch aanwezig met een geestelijke vitaliteit die steeds verder in deze wereld doorwerkt: ‘Vanaf de dagen van Johannes de Doper tot nu toe lijdt het koninkrijk der hemelen geweld en geweldenaars lopen het onder de voet’ (Matth.11:12). ‘Het koninkrijk van God is geen kwestie van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest’ (Rom.14:17).

Verdrukking om het Koninkrijk

Waar God met zijn Koninkrijk door middel van Jezus’ gemeente in deze wereld het rijk van satan is binnengedrongen om dit neer te werpen en zijn heerschappij te vestigen, lijden Gods dienstknechten vaak verdrukkingen om dat Koninkrijk: ‘Wij roemen dan ook over u in de gemeenten van God, omdat uw geloof standhoudt onder al de vervolging en onderdrukking die u moet verduren: een bewijs dat Gods rechtvaardig oordeel u geschikt zal bevinden voor het koninkrijk van God, waarvoor u nu lijdt’ (2 Thess.1:4,5).

Uiteindelijk echter zal de aanwezigheid van Gods Koninkrijk in deze wereld overwinnen en zullen zijn onderdanen als koningen met Hem heersen: ‘Weet u dan niet dat de heiligen over de wereld zullen oordelen? Weet u niet dat wij over engelen zullen oordelen?’ (1 Cor.6:2,3). ‘Als wij volharden, zullen wij met Hem heersen’ (2 Tim.2:12).