Het grote schisma in de hemel

Het drama van de begintijd

Het woord ‘schisma’ komt van het Griekse werkwoord ‘schizo’ dat splijten betekent. In het spraakgebruik komt het alleen voor als scheuring in de kerk, waardoor de eenheid wordt verbroken. Het duidt op een afsplitsing waarbij allereerst organisatorische redenen in het geding zijn, maar verder ook leerstellige redenen. Vrij bekend is het grote schisma van 1054, toen de scheiding plaatsvond tussen de oosters-orthodoxe kerk en de rooms-katholieke kerk. Sinds die tijd is het aantal scheuringen in de kerken zeer groot geweest. Denk bijvoorbeeld aan de reformatie, de scheiding tussen rooms en protestant. Niet alleen kerken maken een scheuring mee, ook de enkel goede God was betrokken bij een verschrikkelijk schisma dat desastreuze gevolgen heeft gehad. Naast het Koninkrijk van God was er daarna sprake van het rijk van satan. Ook onder de hemelingen was er een scheuring, zodat duidelijk werd wie onder de engelen betrouwbaar waren (1 Cor.11:19).

Het doel van de schepping

Het was van het begin af aan het verlangen van God, dat er een mensheid zou komen, die zijn beeld zou dragen en van zijn niveau zou zijn. Hij zocht een levenspartner die bij Hem paste, die zijn troon zou delen en in wie de totale volkomenheid van de Godheid lichamelijk zou wonen, dit wil zeggen die door de inwoning van zijn Heilige Geest deel zou krijgen aan zijn natuur. Deze groep mensen zou zeer groot moeten zijn, want in hen zou het totale creatieve vermogen en de veelkleurige wijsheid van de Almachtige worden geopenbaard. God wil immers alles zijn in allen, zodat Hij eenmaal zijn scheppingswerk kan voortzetten met een hemels parlement waarmee Hij een onverbrekelijke eenheid vormt.

Omdat de mens in twee dimensies moet functioneren, vereiste het geweldige plan van God een zorgvuldige voorbereiding zowel in de onzienlijke als in de zienlijke wereld. Er zou eerst in de hemel en op aarde een voor de mens passende omgeving moeten komen, waardoor hij in staat zou zijn deze dubbele functie goed te vervullen. Met de huidige kennis van nu is dat proces zo’n 13,7 miljard jaar geleden begonnen en resulteerde in een aarde zoals die was vóór de zondvloed. De engelen had God daarvóór al geschapen want zij waren al aanwezig bij de schepping van de aarde zoals het boek Job vermeldt:

  • ‘Waarop zijn haar pijlers neergezonken? Of wie heeft haar hoeksteen gelegd, toen de morgensterren samen vrolijk zongen en al de zonen van God juichten?’ Job 38:6,7 (vergelijk Ezechiël 28:13).

Zo ontstonden op aarde een flora en een fauna waarover de mens zou heersen en waarvan hij gebruik kon maken. Opdat hij zijn aardse macht zou kunnen uitoefenen, schonk de Schepper hem kennis, wijsheid en creativiteit, ‘met heerlijkheid en luister’. Hij maakte hem naar zijn beeld ‘bijna’ goddelijk (Psalm 8:6,7). Er staat dat God de mens naar zijn beeld en gelijkenis schiep (Gen.1:27). De volgende fase zou dan zijn dat hij ook als evenbeeld zou functioneren. Hij zou daartoe moeten metamorfoseren of van gedaante veranderen, zoals er staat:

  • ‘De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel’ (1 Cor.15:47). De apostel Johannes drukt deze verandering zo uit: ‘Geliefden, nu zijn wij kinderen van God en het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Maar wij weten dat, als Hij geopenbaard zal worden, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is’ (1 Joh.3:2).

De herschapen mens zal dan de macht en het gezag hebben in hemel en op aarde. Hij zal op de troon van God zitten als een volmaakt geestelijk wezen, zoals Jezus daar op dit moment al is. Er staat dat God eerst de hemel schiep, dat betekent dat Hij eerst de geestenwereld formeerde waar Hijzelf bij hoorde. Deze wezens zijn volkomen onzichtbaar voor het natuurlijke oog. Ook de ziel en de geest van de mens zijn onzichtbaar, hoewel ze bij de natuurlijke mens alleen gericht zijn op wat van de aarde is, net zoals dit met levensgeest van planten en dieren het geval is. De natuurlijke mens is dus geen burger van een rijk in de hemelen (Fill.3:20).

De engelen zijn zonder uitzondering geschapen om de mens te dienen, die het geluk zal erven (Hebr.1:14). Zij kennen geen ontwikkeling of groeiproces en zij kennen ook geen voortplanting: ‘Toen u geschapen werd, was u helemaal klaar’, te weten de schitterende talenten, die vergeleken kunnen worden met allerlei edelstenen, die hen als het ware versierden en hun schoonheid uitdrukten (Ez.28:11-19). Ook was hun aantal af. Onder de heilige engelen is sprake van een groepering van tienduizend maal tienduizendtallen, ofwel miljarden engelen die voor God stonden (Dan.10:7; Hebr.12:22 en Openb.5:11). Van de afgevallen engelen wordt alleen al een aantal vermeld van tweemaal tienduizend tienduizendtallen, dat bij de grote rivier, de Eufraat, nog gebonden is (Openb.9:16).

De dienst van de cherubs

Toen God Zich aan de priesterprofeet Ezechiël in Babel openbaarde, zag deze in een wonderlijk visioen tijdens een storm in de donkerte van een zware wolk met uitschietende bliksemflitsen zoiets dat de vorm had van een troon. In dit visioen stond de hemelse troon in verband met de heerlijkheid van God, maar tegelijkertijd zag de profeet op die troon ‘een gedaante, die er uitzag als een mens’ (Ez.1:26). Men kan hierbij met een kleine wijziging de woorden uit Johannes 12:41 toepassen: ‘Dit schreef Ezechiël op, omdat hij zijn heerlijkheid zag en van Hem, Jezus.’ In zijn verheerlijkt lichaam blijft Hij uitgebeeld in de gedaante van een mens. De altaarachtige wagentroon werd gedragen door vier cherubs. De profeet is vaag in zijn beschrijving, want hij moet als het ware tegen een verblindend licht opkijken. Boven de troon zag hij, genade en zegen voorspellend, nog de regenboog, het teken van Gods eeuwig verbond met de mens.

  • Alles wijst erop dat Ezechiël hier over de voor ons bedoelde genade profeteerde en de Geest getuigenis gaf van alle heerlijkheden die op het lijden van Christus zou volgen (1 Petr.1:10,11).

In het begin spreekt Ezechiël over de vier merkwaardige troondragers als over vier ‘wezens’ of vier ‘gestalten’, maar later is het alsof het hem duidelijker wordt en heeft hij in hoofdstuk 10 veelvuldig over cherubs. We hebben dus te maken met een groep engelen of hemelboden, die de naam ‘cherubs’ dragen. Dit woord betekent ‘lichtgestalten’ (Babylonisch kariboe, dat is lichtwezen). Een cherub zag er volgens Ezechiël zo uit: vier aangezichten: aan de voorkant als een mens, aan de zijkant als leeuw en stier, aan de achterkant als een adelaar. Ook de verdere beschrijving heeft te maken met de levende aardse schepping, die zij in het bijzonder moeten dienen of beschermen. Zoals wij geen voorstelling mogen maken van de troon van God als een stoel in de hemel, zomin moeten wij ons daar concreet natuurlijke ‘dieren’ voorstellen. Zoals de boze en onreine geestenwereld vaak als dieren worden uitgebeeld, zo zien wij dit hier bij de cherubs.

De taak van Lucifer

In de profetieën van Ezechiël krijgt men in kort bestek een overzicht van het verlossingsplan van God. Aan het eind leest men over een herstelde tempel en een herbouwd Jeruzalem, maar men vindt er ook de klaagzang over de trotse vorst van Tyrus en krijgt daarmee plotseling een doorkijkje in de hemelse gewesten, waarin de val van de satan wordt beschreven. De hoogmoedige en gewelddadige vorst van Tyrus in Ezechiël 28:11-19 is de personificatie van de ‘lichtdrager’, die in Jesaja 14:12 de ‘morgenster’ of met de Latijnse benaming ‘Lucifer’ wordt genoemd. Hier wordt dan de val van de antigoddelijke macht uit Genesis 5 beschreven:

  • ‘Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid. Je leefde in Eden, in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn, met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen. Op de dag dat je geschapen werd lagen ze klaar. Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je was door Mij neergezet op de heilige berg van God, waar je wandelde tussen vurige stenen. Je was onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen tot het moment dat het kwaad vat op je kreeg. Door al het handeldrijven raakte je verstrikt in onrecht en geweld en je zondigde; daarom, beschermende cherub, verbande Ik je van de berg van God en verdreef Ik je van je plaats tussen de vurige stenen. Je schoonheid had je hoogmoedig gemaakt, je had je wijsheid en luister verkwanseld. Daarom heb Ik je op de aarde neergeworpen … je bent een schrikbeeld geworden, tot in eeuwigheid zul je er niet meer zijn!’

Cherubs moeten dus het hoogste wezen van God beschermen, beschutten of dragen, namelijk zijn Gedachten en zijn Woord. Vers 14 zegt: ‘Je was een cherub, je was door mij neergezet op de heilige berg van God’. Lucifer was het hoofd van deze hoogste engelenorde. Hij wandelde tussen vlammende stenen, de lichtdragende engelen, die de troon dragen zoals de priesters dit de ark deden. Zij zijn uitverkoren om het licht van het woord van God door te geven, het eeuwig evangelie (Openb.14:6). In Psalm 103:20 staat van hen:  ‘Prijs de Heer, u die zijn boden bent, sterke helden die doen wat Hij zegt, gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt’. Deze zonen van God, deze vorsten in de geestelijke wereld, stellen zich voor de Heer op om geïnstrueerd te worden door Zijn gedachten en zij geven dit weer door aan degenen die onder hen staan (Job 1:6). Een aartsengel of zeer voorname engel onder hen is Gabriël, die voor God staat (Lucas 1:19).

De cherubs weten niet alles, maar zij willen graag weten wat het plan van God is (1 Petrus 1:12). Als hoofd van ontelbare hemelingen had Lucifer een ‘uitgebreide handel’. Hij was de organisator die de zorg had dat de engelen volgens zijn instructies handelden. Lucifer, de morgenster, wordt in Jesaja 14:12 ook ‘zoon van de dageraad’ genoemd, want hij was de eerste van de oude schepping. Later komen de andere zonen van God en dan de gewone engelen. Ook Jezus wordt de blinkende morgenster genoemd, omdat Hij het begin is van Gods nieuwe schepping (Openb.3:14, 22:16). Voor allen die met Hem het rijk van satan onderwerpen, geldt: ‘Wie overwint en mijn werken tot het eind toe bewaart .. Ik zal hem de morgenster geven’, dit wil zeggen: Ik voeg hem bij de machtige Overwinnaar, Jezus Christus, de Zoon van God.

De val van Lucifer

Lucifer was het hoofd van de beschuttende cherubs. Hij had de opdracht er voor te zorgen dat alles wat uit Gods mond kwam, precies werd uitgevoerd. Zijn voornaamste taak was om de lege plaats op de troon van God te beschutten, dus toe te zien dat het volle woord van God daar gestalte kreeg. Zo had Adam later in het Eden op aarde ook een beschuttende taak. Hij moest deze hof bewerken, in stand houden en bewaken. Na de schepping van de hemel koos God de planeet aarde, die net als alle hemellichamen nog woest en leeg was, uit om haar te ordenen. Deze chaos en duisternis was niet een gevolg van de val satan. Deze viel pas door zijn hoogmoed en bij het nader inzien van Gods plan met de mens. Satan wilde zelf op de troon zitten en niet de mens(heid) die God begeerde (Jacobus 4:5). De Schepper handelde met de aarde als een beeldhouwer die langzaam een ruwe klomp steen gestalte geeft.

Hoe meer de schepping vorderde, hoe groter de blijdschap in de hemel was en hoe meer eer voor de Schepper. De ‘handel’ van de grote beschuttende cherub werd hiermee uitgebreid. De volledige gedachte van God betreffende de mens was ook niet aan de engelen bekend gemaakt. Zo lang Adam nog niet in een hemels wezen veranderd was, moest hij nog beschut worden door cherubs, zoals een onvolwassen kind door zijn ouders. Voor hem gold: ‘U hebt hem voor een korte tijd benéden de engelen gesteld’ (Hebr.2:8). Ook voor Adam gold: ‘Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen, die over je waken waar je ook gaat. Hun handen zullen je dragen, je voet zul je niet stoten aan een steen’ (Psalm 91:11,12).

Ook Jezus werd in de tijd dat Hij door de Vader geheiligd werd, beschut door engelen (Joh.10:36). Denk er maar aan hoe de engel Jozef opdroeg om met het kind en zijn moeder naar Egypte te vluchten. Ook Jezus kende deze bescherming, want tot zijn leerling zei Hij: ‘Steek je zwaard terug op zijn plaats. Weet je niet dat ik mijn Vader maar te hulp hoef te roepen en dat Hij mij dan onmiddellijk meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking zou stellen?’ (Matth.26:52,53). Volwassen als de Heer was, had Hij noch de bescherming van een medemens noch die van de engelen nodig, want Hij wist dat Hij de strijd alleen zou strijden en overwinnen zou! Bij de verzoeking van onze Heer in de woestijn was gebleken hoe de afgevallen cherub Lucifer nog deze taak van de engelen kende, toen hij Psalm 91 aanhaalde.

Op de heilige berg van de ‘goden’ was Lucifer de allergrootste. ‘Goden’ zijn volgens Ex.4:16 inspirators. Mozes werd daar de god van Aäron genoemd. Ook de engelen waren geroepen de woorden van God te inspireren of over te brengen. Denk maar aan de wetgeving die door middel van de engelen plaats vond. Het is wel duidelijk dat Lucifer na zijn val dit vermogen zwaar misbruikte door de waarheid te veranderen in de leugen.

Oorspronkelijk wandelde Lucifer tussen ‘de vlammende stenen’. Hij was vol wijsheid en de organisator in het Koninkrijk van God. Zo lang de mens op aarde bleef, beschutte Lucifer hem zodat hij zich ongestoord kon ontwikkelen. Toen Adam echter in de hof van Eden werd geplaatst en de vrucht van de Levensboom begon te eten, veranderde Lucifer van houding. Het hield immers in dat de mens ‘aan de tafel van God ging eten en drinken’. God ging voor hem het Koninkrijk klaar maken, dat wil zeggen dat het Koninkrijk van God voor hem ‘dichtbij gekomen was’ (Lucas 22:29,30). De Heer zocht gemeenschap met de mens en begon rechtstreeks met hem te spreken en wel buiten de engelen om ‘die zijn woorden uitvoerden’.

Lucifer zag hoe naast de zonen van God uit de engelenwereld er ook zonen van God uit de mensen de hemel werden binnen gevoerd. Ja, in een ontwikkelingsfase zou het woord van God vlees worden en zou de mens opstijgen boven de engelen, want de metamorfose was begonnen en de laatste geschapene zou de eerste zijn. De eerstgeborene van de schepping voelde zich gepasseerd en in zijn rechten aangetast, toen God zijn plan met de mens ging openbaren. Niet hij, maar de mens zou de hemelse heerschappij ontvangen. Een mens zou de eerstgeborene worden van de totale schepping en zìjn macht en gezag zou zowel op de aarde als in de hemel zijn (Col.1:15). Lucifer accepteerde alleen de natuurlijke mens, maar de geestelijke beschouwde hij als de ‘coming man’ die hem overvleugelen zou:

  • God heeft de mens immers geschapen voor de eeuwigheid, als afspiegeling van zijn eigen Wezen. Maar de duivel heeft uit jaloezie de dood in de wereld gebracht (De wijsheid van Salomo 2:23,24).

God had Lucifer en de engelen met een vrije wil geschapen, dat wil zeggen dat zij binnen de grenzen van hun taak zelfstandig konden beslissen. Zij waren medewerkers van de Schepper. Deze Lichtengel moest dan wel leven en blijven bij ‘ieder woord dat klinkt uit de mond van God’ (Matth.4:4). Hij beschutte en beschermde met blijdschap Gods schepping, totdat hij de mens als zijn meerdere moest erkennen. Zijn verwachting werd de bodem ingeslagen en dit bracht hem tot verkeerde gedachten. Zijn aspiratie was immers ‘om op te stijgen boven de hoogten van de wolken en zich aan de Allerhoogste gelijk te stellen’ (Jes.14:14). Toen hij weigerde zich te laten inspireren door de goddelijke gedachte betreffende de mens, werd het contact met het woord van God verbroken en maakte dit plaats voor eigen meningen en inzichten.

Later zou van de eerstgeborene van de schepping gezegd worden: ‘De eniggeboren Zoon, die aan de boezem van de Vader is, teken van innig contact, die heeft God doen kennen’, omdat Hij ál diens gedachten volledig overnam (Joh.1:18). Van de ‘zoon van de dageraad’ wordt echter gezegd: ‘Hij is niet in de waarheid staande gebleven’ (Joh.8:44). Hij is de vijand geworden van het Woord waaraan hij zich houden moest en daarom werd hij de vader van de leugen. Het werk van Lucifer in het rijk van God hield op en hij zocht zijn werkterrein op de aarde om daar het plan van God met de mens tegen te werken.

De valstrik van de satan

God distantieerde Zich van Lucifer, omdat Hij onveranderlijk aan zijn plan, om de mens op zijn troon te zetten, vasthoudt. Toen in deze ‘onberispelijke’ cherub ‘onrecht werd gevonden’ werd hij ‘voor eeuwig verstoten, ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit’ (2 Thess.1:9). In hem was geen herstel ingeschapen en daarom is terugkeer van deze gevallen engel uitgesloten. Bij de val van Lucifer denken wij aan de benen van de letter V. Zij beginnen samen, maar gaan dan voor altijd en steeds verder uit elkaar. Omdat Lucifer het woord van God losliet, was hij afgesloten van de kennisbron en ‘werd ook zijn wijsheid vernietigd’, maar zijn kracht bleef. Deze werd voortaan gebruikt voor ‘geweld’.

Na zijn val wordt hij de tegenstander of de satan genoemd, de duivel, de aanklager van de broers en zusters die hij omlaag wil halen en tegen wie hij zogenaamde, ingebeelde rechten hanteert om hen uiteindelijk te vernietigen. Hij viel uit de hemel van het Koninkrijk van God, omdat dit ‘rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de Heilige Geest’ inhoudt (Romeinen 14:17). Hij vormde in de onzienlijke wereld een ander rijk, dat van de ongerechtigheid en wetteloosheid, van de haat en de depressie: het rijk van de duisternis. Om hem heen verzamelden zich de ontevreden engelen, die zich ook verongelijkt voelden door de plaats die hun door God was gegeven.

In 1 Timotheüs 3:6,7 waarschuwt de apostel de geestelijk ambitieuzen voor het vallen in de strik van de satan, dat is om iets te grijpen waarop men geen recht heeft. Jezus sprak over zulke ‘strebers’ dat zij met geweld het Koninkrijk van God willen binnendringen. Ook spreekt de apostel in dit verband over mensen die vanwege hun opgeblazenheid in het oordeel van de duivel vallen. Het oordeel of het vonnis van de duivel was, dat hij buitengesloten werd van het koninkrijk van God. Als hooggeplaatsten in het Koninkrijk van God ten val komen, slepen zij meestal veel anderen mee (Openb.8:12).

Het mopperende volk was voor Mozes minder gevaarlijk dan de opstand van Korach, Dathan en Abiram met de 250 mannen van naam. Hun zonde was dat zij zich aan Mozes gelijk stelden en spraken: ‘Alle leden van de gemeenschap zijn heilig en de Heer is in hun midden. Waarom voelt u zich dan boven de gemeenschap van de Heer verheven?’ (Num.16:3). Maar Mozes was degene die voor hen de stem van de Heer verstond en door gaf. Zij wilden echter in een theocratie het cultureel marxisme invoeren. Net als vandaag: een met dwang, geforceerde gelijkheid voor allen. Zo had Lucifer zich gelijk willen stellen aan de Allerhoogste en zo zijn gedachten laten prevaleren. Hoe totaal anders was de opstelling van Johannes de Doper, die een hoge roeping van God ontvangen had. Toen de dopelingen massaal naar Jezus gingen, zei hij: ‘Een mens kan alleen ontvangen wat hem door de hemel gegeven wordt. Hij moet groter worden en ik kleiner’. Hij viel niet in de strik van de duivel, maar werd de grootste man van God uit het oude verbond. Hij kende zijn toegewezen plaats.

Het Koninkrijk van God werd gescheurd door de zonde van Lucifer. Er ontstond een tegenrijk dat later verbonden werd met de valse kerk uit het nieuwe verbond, het grote Babylon. Lucifer trok zich niet in stilte terug, maar hij probeerde de schepping van God, waaraan hij niet gebouwd had, te verwoesten. Hij bracht een enorme scheuring teweeg en bracht daardoor velen in verwarring en tot ondergang. Daarmee is hij een waarschuwing voor allen die het werk dat anderen gebouwd hebben, proberen te verstoren. Hij werd een dief en rover in de schepping van God. De duivel werd de organisator van het rijk van de duisternis en heerst daar met geweld. Hij is de veedrijver, die de gesel gebruikt en de volken overweldigt. Later zou de Mensenzoon, die het gelijk zijn aan God niet vasthield – en ook niet zelf 1/3e deel van God was – zeggen: ‘Leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart’ en op Zijn woord zullen de zachtmoedigen de aarde erven.

Op de heilige berg

  • ‘Van de berg van God verbande ik je en verdreef ik je’.

Op deze hoge en verheven berg die het beeld is van de Heilige Geest, staat de troon als beeld van de heerschappij van God. Op deze troon zit aan de rechterhand van de Vader de Mensenzoon aan wie alle macht in hemel en aarde is toevertrouwd. Hij is het vlees geworden Woord van God (Gods Logos) en dit is niet vruchteloos teruggekeerd, maar heeft alles gedaan wat God wil en waarvoor het was uitgezonden. Ook zal dit woord veel zonen tot heerlijkheid brengen. Tot hen die honger en dorst hebben naar de gerechtigheid van het Koninkrijk van God, wordt ook in deze tijd gezegd:

  • ‘Maar u bent genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem en tot tienduizendtallen van engelen, tot een feestelijke vergadering en de gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn en tot God, de Rechter over allen en tot de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid zijn gekomen en tot de Bemiddelaar van het nieuwe verbond, Jezus en tot het bloed van de besprenkeling, dat van betere dingen spreekt dan dat van Abel’ (Hebr.12:22,24).

Gods woord heeft een enorme, niet te weerstane kracht. De Almachtige kon zich daarom permitteren engelen en mensen te scheppen met een vrije wil. Hij acht zijn schepping zo goed, dat zij toch aan zijn verwachtingen zal voldoen. In zijn woord was immers ook het herstel door het Lam vanaf de grondvesting van de wereld ingeschapen. In de mens in de hof van Eden was ook de tweede mens uit de hemel begrepen. In de laatste Adam zijn weer de zonen van God begrepen, want ‘als Hij Zichzelf tot schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nakomelingen zien’, mensen van God die op Hem lijken.

Johannes schreef over de toekomstige heilige berg van de goden: ‘Toen zag ik dit: het Lam stond op de Sion en bij het Lam waren honderdvierenveertigduizend mensen die zijn Naam en die van zijn Vader op hun voorhoofd hadden’ (Openb.14:1). Zij zijn het die God van eeuwigheid in zijn gedachten heeft gehad en die het aan God gelijk zijn niet hoeven vast te houden, want God is in hen alles in allen (1 Cor.15:28). ‘En in hun mond is geen leugen gevonden; zij zijn onberispelijk’. Ze hebben zich aan de waarheid gehouden en groeiden naar Hem toe, die het Hoofd is van de ware, onverdeelde en niet gescheurde gemeente.

Er is een langdurige strijd aan de gang tussen waarheid en leugen. Toen de tijd gekomen was zond God Zijn vleesgeworden Woord waarachter de volle kracht van zijn Geest staat. Dit woord gaat uit als overwinnaar en om te overwinnen (Openb.6:2). En de gemetamorfoseerde zonen van God komen achter Hem aan (Openb.19:13,14). Zij vernieuwen de hemel en de aarde:

  • ‘Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil op heel mijn heilige berg. Want kennis van de Heer vervult de aarde, zoals het water de bodem van de zee bedekt’ (Jesaja 11:9).