Het evangelie vàn God

Het eeuwig evangelie – Hebt u zich er ook mee geïdentificeerd?

Het Marcusevangelie begint met de mededeling, dat er een goed nieuws prediking is, die de naam het evangelie van Jezus Christus draagt. Dit was de speciale boodschap waarmee de Heer Jezus het land doortrok. De evangelist spreekt in dit verband ook over het evangelie van God (1:14). Dit is de leer die door God werd bedacht en door Jezus Christus werd geopenbaard. Het is heerlijk, bevrijdend en uniek naar zijn aard. Het is zuiver hemels gericht, want het wordt ook genoemd het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Vóór de volheid van de tijd had geen enkel mens ooit gehoord van dit evangelie van God. Jezus Christus was de eerste die er over sprak en Hij zei:

  • ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws’ (Marc.1:15). Aan het einde van zijn rondgang op aarde, zei de Heer tot zijn leerlingen: ‘En dit evangelie van het Koninkrijk – dat Ik zelf heb verkondigd – zal in de hele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn’ (24:14).

Dit laatste betekent: dan zal geopenbaard worden welke mogelijkheden, welk geluk, welke overwinningen en welke zegen dit evangelie van God inhoudt. Buiten dit evangelie van het Koninkrijk der hemelen is er geen ander evangelie meer mogelijk.

Paulus schreef: ‘Het verbaast me dat u zich zo snel hebt afgewend van hem die u door de genade van Christus heeft geroepen en dat u zich tot een ander evangelie hebt gekeerd. Er is geen ander evangelie, er zijn alleen maar mensen die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien. Wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat ik u verkondigd heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel – vervloekt is hij! Ik heb het al eerder gezegd en zeg het nu opnieuw: wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat u hebt ontvangen – vervloekt is hij!’ (Gal.1:6-9). Zonder dit evangelie is men immers overgegeven aan de machten van de duisternis.

Paulus had zich zo vereenzelvigd met dit evangelie van God, dat hij tot de oudsten van de gemeente in Efeze zei: ‘Ik hecht echter niet de minste waarde aan het behoud van mijn leven, als ik mijn levenstaak maar kan voltooien en de opdracht uitvoeren die ik van de Heer Jezus ontvangen heb: getuigen van het evangelie van Gods genade’ (Hand.20:24). In 1 Timotheüs 1:11 schrijft hij over ‘het evangelie van de heerlijkheid van gelukzalige God, dat mij is toevertrouwd’. God is vol heerlijkheid en Hij schenkt door middel van zijn evangelie deze heerlijkheid.

Jezus heeft voor het eerst dit evangelie bekend gemaakt en het op betrouwbare wijze aan de apostelen overgeleverd. Daarom schreef Paulus: ‘ik moet in volledige toewijding aan zijn evangelie een dienaar van Christus Jezus voor de heidenen zijn, zodat zij een God welgevallig offer kunnen worden, geheiligd door de heilige Geest’ (Rom.15:16). De apostel Paulus had zich zo met dit sublieme en exclusieve evangelie geïdentificeerd, dat hij het had over ‘mijn evangelie en de prediking vàn – en niet óver – Jezus Christus, naar de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen, maar nu geopenbaard’ (Rom.16:26).

Dit evangelie dat met uitsluiting van iedere andere boodschap het herstelplan van God beschrijft, is gebaseerd op de oneindige en onwankelbare liefde van God tot de mens. Het vond zijn ontstaan niet in deze wereld maar in God, en het verschaft de mens de mogelijkheid tot de onzienlijke God te naderen en zijn Koninkrijk binnen te gaan. De mens moet dit evangelie vàn God geloven, dat is met zijn geest de realiteit van de onzienlijke wereld grijpen en daaruit leven.

Zwaar verzet

Ook wij geven dit evangelie van God dat de weg aangeeft om het Koninkrijk van God binnen te gaan, opnieuw bekendheid. Het is vanzelfsprekend dat dit pogen op zwaar verzet stuit van ongeestelijke christenen, die niet in hun denken wilden vernieuwd worden, dat is zich bekeren. Zulke tegenstanders bereiken echter geen hoger niveau dan de gelovigen uit het oude verbond voor wie de onzichtbare wereld een gesloten boek bleef. Paulus schreef echter: ‘Wij richten ons niet op de zichtbare dingen maar op de onzichtbare, want de zichtbare dingen zijn tijdelijk, de onzichtbare eeuwig’ (2 Cor.4:18). Daarom wordt dit evangelie van God het ‘eeuwige evangelie’ genoemd, want Gods gedachten ten opzichte van de mens zijn onveranderlijk en Jezus Christus is als het woord van God ‘gisteren en nu vandaag dezelfde en tot in eeuwigheid’ (Hebr.13:8).

Omdat dit evangelie met eeuwige en onveranderlijke maatstaven uit de onzienlijke wereld werkt, is het verbonden met het eeuwige oordeel over de mens. De engel met het eeuwige evangelie roept: ‘Vrees God en geeft Hem eer, want het uur van zijn oordeel is gekomen’ dat is dus de uiteindelijke scheiding tussen het goede en het kwade (Openb.14:6,7). Petrus schreef: ‘Want het is nu de tijd, dat het oordeel, deze scheiding, begint bij het huis van God; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie van God?’ (1 Petr.4:17).

Wanneer christenen aan dit evangelie van het Koninkrijk der hemelen ongehoorzaam zijn, komen ze niet verder dan de rechtvaardigen uit het oude verbond. In hun denken zijn ze niet overgeplaatst in de hemelse gewesten waar Christus is (Ef.2:6). Ze spreken nooit over ‘hun burgerschap van een rijk in de hemelen’ (Fil.3:20). Het Koninkrijk der hemelen waar God is, waar Christus is, waar de heilige engelen zijn, maar waar aan de andere kant ook het koninkrijk van de satan is met zijn onheilige engelen, is voor hen terra incognita of onbekend land. Alleen door een totale vernieuwing van denken krijgt de opnieuw geboren christen inzicht in de dingen die boven zijn, die dus geestelijk zijn.

Het koninkrijk van God nabij gekomen

Door de prediking van het evangelie van Jezus Christus komt het Koninkrijk van God naar ons toe. Dit Koninkrijk was vanaf de schepping van de hemel, maar het was voor de mens na de zondeval een afgesloten gebied, want ‘de hemel is de hemel van de Heer, maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven’ (Ps.115:16). Dit was de vaststelling van de mens in het oude verbond, maar het blikveld van veel kerkmensen in het nieuwe verbond is niet veel ruimer. Zij kunnen hun hart niet op de juiste manier ‘verheffen’.

Toen Jezus zijn prediking over het Koninkrijk der hemelen begon, waren er in de onzienlijke wereld van het Koninkrijk van God tot dat tijdstip alleen God en zijn heilige engelen. Bij zijn doop in de Jordaan werden voor Jezus echter de hemelen geopend. Toen werd Hij als eerste mens gedoopt met Gods Heilige Geest, die op Hem neerdaalde als een duif. Op dat ogenblik ging Hij als eersteling van een nieuwe schepping het Koninkrijk van zijn Vader binnen. Een stem uit de hemel zei: ‘Dit is mijn Zoon, de geliefde, in Hem heb Ik vreugde’.

Jezus was toen de volmaakt geestelijke mens, die kon zeggen: ‘En niemand is opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel neergekomen is, namelijk de Mensenzoon, Die in de hemel is‘ (Joh.3:13 St. Vert.). Na Hem zouden velen de enge poort van een zuiver geestelijk denken binnengaan en de smalle weg opgaan die ten leven leidt. Jezus zei dat Hij uitgezonden was om de blijde boodschap van het Koninkrijk van God te verkondigen (Luc.4:43). Door zijn prediking kwam dit Koninkrijk binnen handbereik. De hoorder werd een wereld binnengeleid die volkomen vreemd voor hem was. Hem werd duidelijk gemaakt dat er geestelijke mensen moesten komen, die burgers van een rijk in de hemelen zijn, die de dingen bedenken die boven zijn en niet die op de aarde zijn. Zij zouden ook door middel van de Heilige Geest de toerusting ontvangen om zich in deze onzichtbare wereld te kunnen bewegen (Fil.3:20; Col.3:1,2).

Een geheimenis

Vóór het optreden van Jezus waren de mensen volslagen onbekend met het rijk van God. Nooit was iemand daar binnengegaan. Niemand had ook ooit iets begrepen van de weerstanden die vanuit het koninkrijk van satan en dat van de dood aanwezig zijn, en in werking worden gesteld om de komst van het Koninkrijk tegen te houden. De profeten van het oude verbond hadden slechts in bedekte vormen en in beelden hierover geschreven. Hun profetieën dienden daarom niet henzelf, maar ons aan wie het eeuwig evangelie is verkondigd (1 Petr.1:10-12). Niemand had ooit overwinningen geboekt in de geestelijke strijd tegen ‘de boze geesten in de hemelse gewesten’ (Ef.6:12). Men had altijd gestreden tegen vlees en bloed.

Om te voorkomen dat zijn volgelingen ooit zichzelf zouden haten en bestrijden, had Jezus hen leren bidden: verlos ons – enkel en alleen – van de satan. Niemand was geschikt om de troon van God te bestijgen en niemand had hier zelfs over durven denken. Allen hadden geleefd in ‘de tijden van onwetendheid’ m.b.t. de onzienlijke wereld. Niemand had ooit God met zijn geestesoog gezien, maar Jezus doorbrak deze onkunde, want de eniggeboren Zoon, die aan het hart van de Vader is, die diens gedachten en diens reddingsplan volledig in Zich opgenomen had, heeft ons God doen kennen (Joh. 1:18). Zelfs de meest rechtvaardigen uit het oude verbond waren nooit tijdens hun aardse leven het Koninkrijk van God binnengegaan. Alleen uit de verte hadden zij de beloften van het nieuwe verbond gezien en begroet, hoewel de besten van hen beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde (Hebr.11:13).

Wie zijn Hebreeën?

De broer van de Heer schreef: ‘Nader tot God, en Hij zal tot u naderen’. Om dit te kunnen doen, moet men wel aan twee voorwaarden voldoen. Men moet geloven dat God bestaat en een beloner is voor wie Hem serieus zoeken (Jac.4:8 en Hebr.11:6). Vervolgens moet men geneigd zijn om de wereld die in de macht van satan ligt, los te laten om het betere en hogere te ontvangen. Als beeld van bovenstaande waarheid beschrijft de Bijbel een groep mensen, die het oude konden loslaten. Deze gelovigen uit het oude verbond waren Hebreeën, een woord dat in verband staat met zwerven en migreren. Abram de Hebreeër kan betekenen: ‘Abram die de Rivier (de Eufraat) overstak, die dus zijn vaderland verliet (Gen.14:13, vergelijk Jozua 24:2,3). Hij was dus niet verknocht aan het land van zijn voorvaders, maar emigreerde.

De brief aan de Hebreeën moet daarom gezien worden als geschreven aan passanten, die op aarde geen vaste woonplaats hebben. De Hebreeërs woonden in tenten en zwierven rond zonder vast domicilie (Hebr.11:9). De geestelijke betekenis ervan is, dat zij zoekers waren van het Koninkrijk van God:

  • ‘Zij allen zijn in geloof gestorven; wat hun beloofd was, zagen ze geen werkelijkheid worden, ze hebben slechts een glimp ervan begroet, en ze zeiden van zichzelf dat zij op aarde leefden als vreemdelingen en gasten. Door zo te spreken lieten ze blijken op doorreis te zijn naar een vaderland. En daarmee bedoelden ze niet het vaderland waaruit ze weggetrokken waren, anders waren ze daarheen wel teruggekeerd. Nee, ze keken reikhalzend uit naar een beter vaderland: het hemelse’ (Hebr.11:13-16).

Zij waren beeld van de nu nog zwervende en trekkende Godzoekers, die zijn ‘genaderd tot de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en voor duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn, voor de gemeenschap van eerstgeborenen, die in de hemel ingeschreven zijn, voor God’ (Hebr. 12:22,23). Ook dezen kunnen getuigen: ‘Onze stad is immers niet blijvend, wij kijken juist verlangend uit naar de stad die komt’ (Hebr.13:14).

Het is interessant te weten dat in de oudste handschriften de Hebreeënbrief onmiddellijk volgt op de brief aan de Galaten, ja, zij was er een deel van. De auteur uit Galaten 1:1 is dezelfde als die van de naamloze Hebreeënbrief. Dit verklaart wellicht de opmerkelijke uitlating in Galaten 6:11 volgens de Statenvertaling: ‘Zie, hoe grote brief ik u geschreven heb’ en de opmerking in 6:16, die als een introductie kan gezien worden op de Hebreeënbrief: ‘Vrede en barmhartigheid komen over hen, en ook over het Israël van God’. Neem daarom bovenstaande aanwijzingen ter harte en breng u steeds in herinnering dat u ook vreemdeling bent in een vreemd land (Ex. 18:13). Zo zei Jezus bijvoorbeeld, dat een rijke moeilijk het Koninkrijk van God kan binnengaan. Johannes schreef: ‘want alles wat in de wereld is – zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht – dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld. De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid’ (1 Joh.2:16,17).

Een typische eigenschap van religieuze geesten is, dat zij de aandacht van het Koninkrijk van God afleiden en richten op zichtbare dingen en op menselijke prestaties. Van de Farizeeën werd gezegd, dat zij geldgierig waren, evenals dit het geval was met Judas. Zij hadden het Koninkrijk van God voor de mensen toegesloten. Zulke godsdienstige mensen zijn onbereikbaar voor het evangelie van God, want dit richt zich op hen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Niemand kan twee heren dienen. Omdat Jezus zo’n scherpe onderscheiding van geesten had, wist Hij vanaf het begin, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem zou verraden (Joh.6:64). Zet daarom uw leven niet in om schatten op de aarde te verzamelen, maar blijf voortdurend bezig met de hemelse dingen.

De grondvesting van de wereld

Jezus verkondigde inzichten, die sinds de grondvesting van de wereld verborgen waren gebleven. ‘Katabole’, ‘grondvesting’ of ‘grondlegging’ is niet het algemeen gebruikte woord in het Nieuwe Testament voor fundering, fundament, grondvesten of grondslag. ‘Katabole’ heeft de betekenis van: neerwerpen, ten val brengen. Er zijn fundamentalistische uitleggers die daarom lezen: sinds de ineenstorting van de wereld. Dit zou dan zien op een pre-Adamitische ondergang van een maatschappelijk bestel door een grote vloed, waarvan sprake zou zijn in Genesis 1:22; 2 Petrus 3:5-8; Psalm 104:5-9 en Jeremia 4:23-26. In die tijd zou de aartsengel Lucifer met zijn aards koninkrijk in zijn opstand tegen God de nederlaag hebben geleden. Voor deze visie beroept men zich dan op Jesaja 14:12-14 ; Ezechiël 28:11-17 en Lucas 10:18.

De ‘Sprachliche Schlüssel’ wijst bij Mattheüs 13:35 er echter op, dat het werkwoord ‘katabole’ betekent: een begin maken door middel van het uitstrooien (neerwerpen) van záád: ‘De mensheid wordt beschreven als door God gezaaid’. Deze vertaling van ‘katabole’ komt overeen met Hebreeën 11:11 waar meegedeeld wordt, dat Sara kracht had ontvangen om moeder te worden. Er staat letterlijk: zij ontving kracht om het ‘uitgestrooide zaad’ te ontvangen.

De schepping ontstond dus door het uitgestrooide zaad van God, dat is ‘het Woord dat uit zijn mond uitgaat’ (Jes.55:11). Zo staat in 1 Petrus 1:23 dat wij opnieuw geboren of geregenereerd zijn uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God, dat ons vernieuwt in ons denken. Bij de schepping zei God: ‘Er moet licht komen; en er was licht’. In dit woord was de hele structuur van het licht begrepen: zijn snelheid, spectrum, straling en golflengte. Deze eigenschappen kwamen na het uitgesproken woord van God onmiddellijk te voorschijn. Toen God echter tegen de engelen zei: ‘Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis’ werd door dit zaad van God alleen de gave, volwassen, natuurlijke mens geschapen.

Het woord van God dat door een metamorfose de natuurlijke mens in een geestelijk moet omvormen, bleef echter latent in de mens aanwezig. Zoals er een ontwikkelingsfase in de mens is die hem geslachtsrijp maakt, zo wachtte het woord op een gevoelige periode, die de geestelijke mens te voorschijn kon brengen. Toen deze tijd gekomen was, nodigde God Adam en Eva uit om bij de levensboom ‘aan zijn tafel te eten en te drinken in het Koninkrijk van God’. Na de zondeval werd echter de toegang tot het hemelse paradijs of het Koninkrijk van God gesloten.

De volheid van de tijd

In de volheid van de tijd kwam Jezus met het evangelie van God. Door zijn prediking kwam het Koninkrijk van God nabij. Het paradijs werd ontsloten en de vertroostende woorden klinken: ‘Ik bestem jullie voor het koningschap zoals mijn Vader mij voor het koningschap bestemd heeft: jullie zullen in mijn koninkrijk eten en drinken aan mijn tafel’ en ‘Wie overwint zal ik laten eten van de levensboom die in Gods paradijs staat’ (Luc.22:29,30 en Openb.2:7).

Er is nu een grondvesting van een nieuwe wereld. Er wordt opnieuw gezaaid en ‘die het goede zaad zaait, is de Mensenzoon, en het goede zaad zijn de kinderen van het Koninkrijk’ (Matth.13:37,38). Dit kwaliteitszaad brengt door zijn prediking de nieuwe schepping voort, namelijk de kinderen van het Koninkrijk. Jezus zelf was de eerstgeborene, het hoofd of het begin van deze schepping van God (Openb.3:14).

Nu komen er werkelijk geestelijke mensen, die naar Gods beeld zijn en als zijn gelijkenis. Jezus was voortgekomen uit een natuurlijk volk en toch was voor Hem het aan God gelijk zijn geen diefstal (Fill.2:6). De rups had de vlinder voortgebracht. De achtergebleven cocon had verder geen waarde voor het Koninkrijk van God. Tot Israël werd gezegd: ‘Het Koninkrijk van God zal van u worden weggenomen en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt’ (Matth.21:43). Niet de rups vermenigvuldigt zich, maar de vlinder. Door middel van zijn evangelie werd uit Christus een nieuw en geestelijk volk geboren, zodat vervuld zou worden: ‘Als Hij zijn ziel tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij zaad zien’ (Jes.53:10 St. Vert.). De nieuwe schepping is niet uit bloed, noch uit de wil van de man, maar door middel van het woord van God geboren (Joh.1:13).

Herontdekking en verbreiding

De Heer Jezus heeft het evangelie van het Koninkrijk alleen gebracht aan ‘de verloren schapen van het huis van Israël’. Aan het einde van zijn aardse leven was het slechts een kleine groep leerlingen die de opdracht ontving zijn evangelie aan alle schepselen te prediken. Zij moesten echter eerst wachten, totdat zij vervuld waren met kracht uit de hoogte. Na met Gods Heilige Geest vervuld te zijn, begonnen zij al onmiddellijk het evangelie van hun Heer te verkondigen aan Joden en Jodengenoten uit vele landen en volken. Later ontving Paulus de speciale opdracht ‘ver weg tot de heidenen te gaan’. De tijd is nu aangebroken dat deze goede boodschap over de hele wereld verkondigd zal worden.