Het doel van God en de weg van Jezus

Wanneer u deze website leest, komt u in contact met de gedachtenwereld van het evangelie van het koninkrijk der hemelen. Natuurlijk kunnen wij u maar enkele facetten van onze geloofsinhoud meedelen, maar wij bidden dat het niet bij deze eerste kennismaking blijft, maar dat u de getoonde reddingsweg verder zult onderzoeken in Gods Woord.

In kerken en groeperingen bezigt men de uitdrukking: het gaat om de eer van God en als Hij maar aan zijn doel komt. Wat men daar eigenlijk mee bedoelt, hebben wij nooit begrepen. Toen in onze kennissenkring een oude man op zijn sterfbed lag, waren zijn woorden: ‘Het is niet erg dat ik verloren ga, als God maar aan zijn eer komt’. Later begrepen wij op wat voor grote onkunde over de Bijbelse waarheden deze verschrikkelijke uitspraak gebaseerd was.

Wat is de eer van een fijn-instrumentmaker? Dat hij goede precisiewerktuigen vervaardigt of ze als nieuw herstelt. Zo is het ook met God. Hij is de schepper van de mens en heeft deze ‘bijna goddelijk gemaakt’, zegt David in Psalm 8. De schepping is echter door de zonde en door de ziekte aangetast en beschadigd, maar de Schepper heeft er plezier in haar helemaal te herstellen en haar op een hoger niveau te brengen dan zij ooit geweest is.

De verkondiging van het evangelie heeft in de eerste plaats deze doelstelling: het herstel, de genezing, de bevrijding en de verlossing van de verziekte en door de zonde aangetaste mens.

De apostel Paulus schrijft daarover in 2 Timotheüs 3:16,17: ‘Elke Schrifttekst die door God geïnspireerd is kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen en om op te voeden tot een deugdzaam leven, zodat een dienaar van God voor zijn taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust’. Dit is duidelijke taal. De zondige, verworden, geestelijk misvormde mens kan door het evangelie van Jezus Christus veranderen in een gaaf persoon, die in staat is goede werken te verrichten.

Op de vraag wat goede werken zijn, is het antwoord: alles wat Jezus gedaan heeft, zal de opnieuw geboren mens ook doen. De apostel beleed niet dat de mens een zondaar blijft tot zijn dood, want voor zo’n uitspraak is geen geloof in God nodig, maar toonde een weg die naar een machtig doel voert. Jezus zei tijdens zijn Bergrede: ‘U zult volmaakt zijn, zoals uw hemelse Vader volmaakt is’ en Hij getuigde ook: ‘Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft!’

Menselijke onmacht

Er zijn nog mensen die het goede willen doen. Zij willen niet liegen, niet stelen, niet ontrouw zijn of onreine dingen doen, niet hoogmoedig of jaloers zijn. Hun wens is dat hun kinderen eerlijke mannen en vrouwen worden, die in de maatschappij een eervolle plaats innemen. Zij zouden het verschrikkelijk vinden, als hun zoon een dief, een alcoholist of een nietsnut werd of als hun dochter in een verkeerd milieu terecht zou komen. Zij hopen op gave en gezonde kinderen.

Voor mensen die het goede zoeken naar lichaam, ziel en geest, die zoals de Bijbel zegt ‘hongeren en dorsten naar de gerechtigheid’, heeft de Heer Jezus zijn evangelie gegeven. Zij zoeken immers wel het goede, maar zij weten dat zij noch hun kinderen capabel zijn er veel van terecht te brengen. Zij struikelen en zondigen telkens weer. Zij doen hun best, maar het lukt hun niet. Denk aan wat de apostel Paulus eenmaal van zichzelf erkennen moest, toen hij het evangelie van Jezus Christus nog niet kende:

  • ‘Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik. Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, ben ik daar niet zelf de oorzaak van, maar de zonde die in mij heerst’ (7:19,20).

Paulus had een uitstekend inzicht in de oorzaak van het kwaad in hem. Er is een vijand van de mens in de onzichtbare wereld, die hem verleidt en dwingt slechte dingen te doen. Hoe vaak neemt iemand zich niet voor zijn drift te beheersen en niet meer lelijk tegen zijn vrouw en kinderen te zijn? De geringste aanleiding kan hem echter toch in woede doen uitbarsten. Ondanks zijn goede voornemens zich te beheersen, tuint hij er steeds maar weer in. Als een kind een driftbui krijgt, kun je het natuurlijk een pak slaag geven, maar met klappen val je een kind, dat in de onzichtbare wereld al overvallen wordt, ook nog vanuit de zichtbare wereld aan. Men spreekt immers van een aanval van drift.

Er zijn mannen die erg veel van hun vrouw houden en toch moeten ze telkens begerige blikken werpen op andere vrouwen. Zij willen dit niet, schamen zich ervoor en toch kunnen ze het niet laten. Zo zijn er mensen die een prooi zijn van depressieve gevoelens of van angstvoorstellingen. Hun verstand zegt dat hiervoor geen reden is en dat zij hieraan niet moeten toegeven. Toch blijven ze neerslachtig en zitten telkens diep in de put. Het zijn de onzichtbare machten die hun blijdschap roven en hun ziel beschadigen. Je hoort ze zeggen: ‘Het is voor mij te laat, van mij komt niets terecht, het gaat altijd weer mis. Ik durf niet meer alleen te zijn. Ik geef het maar op, ik wou dat ik maar dood was’. Zij hebben niet in de gaten dat er geesten uit de afgrond in hen gedrongen zijn en dat die machten door hen heen spreken. Deze demonen brengen hun klimaat met zich mee. Hun eigen angst, hun ellende, hun onreinheid, hun duisternis projecteren zij in hun slachtoffers. Zij worden zo verleugend dat zij denken zelf zo te zijn. De overweldigde zegt dan: ‘Ik ben nu eenmaal zo en ik kan mij niet meer veranderen’.

God zegt nergens in zijn Woord dat het voor iemand te laat zou zijn of dat hij zich niet bekeren kan of dat hij onverbeterlijk is. Dat is taal van de duivel en hij dwingt deze negatieve woorden uit te spreken. In zo’n situatie riep de apostel het uit: ‘Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?’ Hij bad hetzelfde als Jezus ons in het ‘Onze Vader’ leerde bidden: ‘Verlos ons van het kwaad’. Wie weet dat hij total loss is, moet dan ook totaal losgemaakt worden. De boeien moeten verbroken worden en de gevangenisdeuren opengeworpen. De kwade kostgangers die uw levenshuis ruïneren, moeten uitgeworpen worden en de Geest van God moet woning in u maken. Op de vraag:

  • ‘Wie zal mij verlossen uit dit lichaam, dat door boze geesten gedirigeerd wordt?’ klinkt het antwoord: ‘Dat doet God! Dank aan hem door Jezus Christus, onze Heer!’ (Rom.7:24,25).