Goedertierenheid

‘Chèsed’

Er zijn begrippen in de Bijbel die men op de klank af wel kent, maar die een veel diepere zin hebben. Dit geldt zeker voor de term goedertierenheid. De oppervlakkige hoorder komt niet verder dan de gedachte dat het wel iets met goedheid te maken zal hebben en soms oppert men dan maar, als exegetische noodsprong: God is goedertieren, dat betekent: Hij tiert van goedheid. Maar wat is de grondbetekenis van dit woord is, hoe wordt het in de Bijbel gebruikt?

In het Hebreeuws wordt voor goedertierenheid het begrip chèsed genoemd; dit woord stamt oorspronkelijk uit de feodale sfeer. Het beschrijft de verhouding tussen een leenheer en een leenman. Zij verbinden zich met elkaar; de leenheer onderhoudt, ondersteunt en beschermt zijn dienaar; de dienaar (leenman) stelt zich beschikbaar om met zijn heer mee te strijden waar dat nodig is. Vanuit deze oorsprong krijgt het begrip zijn contouren. Het is een grondhouding. Allereerst een grondhouding van God en dan ook een grondhouding van de mens, de mens namelijk die geroepen is om God na te volgen.

Wat is de grondhouding van God?

Hij verbindt Zich. Bij Hem is er niets van het vrijblijvende, het vluchtige. De chèsed is de meest fundamentele karaktertrek van God, de bron waaruit al zijn daden voortkomen, de basis waarop al zijn uitingen gegrond zijn. Wanneer van de mens verwacht wordt dat hij zal gaan op de wegen van God, dan is dat geen vage, algemene aanduiding maar dan zal men dat heel concreet moeten invullen: de wegen van God, dat is primair en van huis uit de weg van de chèsed. Wie Gods wegen wil gaan, zal die moeten onderzoeken, ‘zal er vertrouwd mee moeten raken om zijn paden te leren gaan’ (Ps.25).

God wandelt in de weg van de chèsed. Wie God wil vinden, zal Hem daar aantreffen. De chèsed is, bij wijze van spreken, de grondstructuur van het wezen van God. En zo gaat God ook het wezen van de mens maken, naar zijn eigen beeld. Zo zal dan ook de grondhouding in de gemeente horen te zijn. Dit sluit meteen een aantal gestalten uit: in het rijk van God is geen plaats voor de consument, voor de gebruiker, de mens die God en zijn zegeningen wil gebruiken. Welke gestalte is er dan wel in de gemeente? De dienaar, de strijder, die met God meestrijdt, de bondgenoot.

Verbanden

Een fundamenteel principe is dat een bepaald Hebreeuws woord zoveel mogelijk consequent met één en hetzelfde Nederlandse woord moet worden weergeven. Het is jammer dat de Bijbelvertalingen dit niet altijd doen, zodat het verband tussen sommige teksten verloren gaat. De Hebreeuwse mens was gewend de woorden van God te hóren en als hij de ene tekst hoorde, werd daardoor de andere tekst waarin hetzelfde kernbegrip voorkwam, in zijn geest opgeroepen. Zo hoorde hij verbanden tussen teksten, die ons vaak ontgaan. In Jesaja 40, de ouverture van de reeks profetieën die de terugkeer na de ballingschap bezingen, wordt een contrast getekend tussen het vlees en het woord van God:

  • ‘Alle vlees is als gras en al zijn schoonheid als een bloem van het veld’ (vers 6) … ‘maar het woord van onze God (dat is zijn belofte) houdt altijd stand’ (vers 8).

Waar gaat het hier nu over? Men is geneigd te denken: ja, dat weten we wel: schoonheid van bloemen is vergankelijk, een waarheid als een koe. Maar nu blijkt dat hier in de grondtekst het woord chèsed staat, dus dit moet vertaald worden als:

  • ‘Alle vlees is gras en al zijn goedertierenheid (Chèsed) is als een bloem.’

Chèsed is niet schoonheid; een goede weergave van het begrip zou wellicht zijn: verbondstrouw, bondgenootschap of solidariteit. Wat is dus de boodschap die Jesaja wil overbrengen? De verbondstrouw van het vlees (dat is de aardse mens) is zo kortstondig als een bloem, even prachtig bloeiend, maar zo weer verwelkt. Daartegenover stelt de profeet: ‘maar het woord van onze God (dat is zijn belofte) houdt altijd stand’. Letterlijk:

  • ‘Het woord van God zal opstaan (of staat overeind) voor altijd.’

Nu is er nog een tekstverband waar het beeld van gras en bloem voorkomt, namelijk in Psalm 103:

  • ‘De sterveling – zijn dagen zijn als het gras, als een bloem van het veld, zo bloeit hij’ (vers 15).

Opnieuw een aanduiding van vergankelijkheid. Maar wat nu zo frappant is, in vers 17 wordt gesproken over goedertierenheid:

  • ‘maar de chèsed van de Heer God is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie Hem vrezen’.

De chèsed van God is eeuwig. Deze Psalm en dit woord van Jesaja spelen op elkaar in; maar dan moet men wel in beide gevallen chèsed op dezelfde manier vertalen; anders raakt het verband zoek.

Er is nog een derde tekst die hierop aansluit, Hosea 6:4. Daar zegt God tot Juda:

  • ‘Uw liefde is als een morgenwolk en als een dauw die in de vroegte vergaat’.

Hier staat opnieuw chèsed, maar helaas is het nu opeens weergegeven met liefde:

  • ‘Want in liefde (chèsed) heb Ik behagen en niet in slachtoffer’.

Zo verklaart God in het zesde vers van hetzelfde hoofdstuk. Hosea is trouwens bij uitstek de profeet van de chèsed; hij is heel speciaal de man die het volk terugroept tot de verbondenheid met zijn God, de verbondenheid met Gods hart:

  • ’Ik zal u Mij tot bruid werven door goedertierenheid (chèsed) en ontferming’

Zo klinkt het in hoofdstuk 2:18. Gods chèsed gaat uit naar de mens en nu is het de bestemming van de mens, op zijn beurt chèsed te betonen aan de ander en aan de hele schepping. Zo wordt de mens navolger van God.

Een heel uniek voorbeeld vinden we in het boek Ruth. Driemaal treffen we chèsed in dit Bijbelboek aan; dit motiefwoord toont ons een prachtige kerngedachte. De eerste keer gaat het over de chèsed die God betoont als antwoord op de chèsed die mensen aan elkaar bewijzen:

  • ‘De Heer bewijst u liefde (chèsed), zoals u die bewezen hebt aan de gestorvenen en aan mij’ (1:8).

Hier is het nog een wens, maar in hoofdstuk 2:20 is het een feit geworden:

  • ‘Gezegend is hij door de Heer, die zijn goedertierenheid (chèsed) niet onttrokken heeft aan de levenden noch aan de doden’.

Het hoogtepunt komt in hoofdstuk 3:10 waar Boaz zegt tot Ruth:

  • ‘U hebt met uw laatste liefdedaad (chèsed) de eerste nog overtroffen’.

In de eerste tekst betonen (letterlijk: maken of doen) Orpa en Ruth chèsed, in de tweede tekst is het Boaz, die zijn chèsed niet onttrekt (letterlijk: niet verlaten heeft) en in de derde is het Ruth. Zo openbaart God zich in daden van mensen.

Door dit verhaal van onbegrepen verdriet loopt als een rode draad de chèsed van mensen, waardoor anderen in de nacht van hun bestaan de chèsed van God weer gaan zien. Het is het vermogen je in de leefwereld van een ander te verplaatsen. De gemeente mag niet opgesloten zijn in zichzelf; zij zal baken van chèsed zijn, haven van verbondstrouw, omdat zij zich verbonden voelt met de zoekende mens en met de zuchtende schepping.