God is enkel goed en straft niet

Het wezen van God

Het woordje ‘god’ is algemeen Germaans. Onze verre voorouders gebruikte het al in heidense tijden. In verschillende woordenboeken wordt als vaststaand aangenomen dat ‘god’ en ‘goed’ identiek aan elkaar zijn. In het Oude en Nieuwe Testament wordt vaak verklaard dat God goed is.

Wie over Gods wezen nadenkt, moet de waarschuwing van Paulus serieus nemen. Hij zegt dat de heidenen de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door iets wat lijkt op het beeld van een vergankelijk mens (Rom.1:22,23). Zij maken dus een vergelijking met hoe zij over mensen denken. Dit gebeurt niet alleen door schilderijen en idolen, maar ook als men maar blijft beweren dat God goed én kwaad doet. De Heidelberger b.v. weigert nog steeds de permanent Godslastering in haar leugenboek weg te nemen. Men neemt dan de gedachte over van de slang in het paradijs, die tot het eerste mensenpaar zei dat zij als God zouden zijn. Het omgekeerde zou dan waarheid zijn: God zou als de mens zijn. Het Oude en Nieuwe Testament leren echter dat God één is. God heeft dus geen tegenstrijdige eigenschappen in zich. Hij denkt alleen het goede, doet alleen het goede en inspireert alleen het goede.

Godslasteringen

In zijn ‘Institutie’ citeert Calvijn de bekende beroepsmonnik Augustinus als volgt: 

  • ‘God heeft op wonderbare en goddelijke wijze de mens gehaat en liefgehad…’

Gods positieve gezindheid t.o.v. de mens wordt dus door Calvijn in een haat-liefdeverhouding veranderd. In God woont echter de volmaakte liefde waar geen plaats is voor enige vorm van haat. God eist ook niet iets van de mens waar Hij zelf niet aan zou kunnen voldoen. Wij mogen niet haten, God doet dit ook niet. Hij wacht alleen maar af, want Hij is geduldig. Hij wil niet dat sommigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. Hij is eindeloos geduldig. God is echter geen goedzak en ook geen ‘ons lief Heertje’, want Hij handelt programmatisch en systematisch en volgens onveranderlijke wetten. Hij kan daarbij rustig de dingen laten gebeuren want:

  • ‘Wie onrecht doet, laat hij nog meer onrecht doen. En wie vuil is, laat hij nog vuiler worden. En wie rechtvaardig is, laat hij nog meer gerechtvaardigd worden. En wie heilig is, laat hij nog meer geheiligd worden’ (Op.22:11).

Als dit alles tot zijn einde gekomen is, zal blijken dat het goede sterker is dan het kwaad en de liefde sterker is dan de haat van vandaag (verg. de moorddadige uitspraken in sommige heilige instituten met hun walgelijke clowns). Meer dan een miljard mensen zijn door hen betovert. Het licht zal de duisternis verdrijven, tot ze niet meer zijn zal. Wanneer de schepping eenmaal aan Gods plan voldoet, zal blijken dat wetten van God volmaakt zijn. Alle duisternis zal uiteindelijk zichzelf vernietigen, dankzij Jezus Christus onze Heer mét zijn gemeente (Op.20:10).

God is enkel goed

We moeten Gods goedheid zeker niet gaan romantiseren. God handelt naar een vast patroon en naar een eeuwig voornemen. Daarbij zijn zijn plannen altijd constructief en positief. Er is geen verandering noch een terugkomen op zijn plan bij Hem. In de oordeelsdag staat Hij precies hetzelfde tegenover de mens als vandaag. De onbeweeglijke waarheid is: ‘Want zo lief heeft God de wereld’. God straft niet door ziekte, leed, ongeval, armoede, mislukking van de oogst of door watersnood, zoals de voorvaders hebben geleerd en nog steeds in de kerken, fanatiek beleden wordt. Gods werk is nooit destructief of afbrekend. In zo’n God kunnen wij niet geloven, want zoiets past niet bij zijn wezen. Zijn wezen zien we terug in zijn geliefde Zoon, Jezus Christus. Wat bij oprechte, goedwillende mensen niet in het hoofd opkomen zal, zit er bij God ook niet in.

  • Stel dat God zou straffen door de ellende van de mens te vergroten. Dan zou dit betekenen dat Hij het loon van de zonde zou uitbetalen. Dat doet God niet, maar de duivel wél. Hij keert het bij zijn aard passend loon uit aan degene die voor hem werkt en dat zijn er vandaag miljoenen. God blijft echter altijd trouw aan zijn schepping die Hij nooit prijsgeeft. Zijn enige doel is het behoud en de verlossing van de mens. Hij wil alleen redden.

In Hebreeën 10:28 wordt gezegd dat er geen pardon is voor wie de wet van Mozes naast zich neerlegt. De schrijver voegt er aan toe, dat iemand die beweert dat het verlossingswerk van de Zoon van God voor hem niets betekent en zo God lastert, zwaarder straf verdient dan de zwakke en arme wereldgeesten ooit kunnen uitdelen. Er ontstaat een oneindige afstand tussen God en zo’n mens, omdat deze de duisternis liever heeft dan het licht.

Voor eeuwig verstoten

Niet een ‘eigengereide’ maar een ‘zuchtende schepping’ wordt door de zonen van God gered. De zwaarste straf die een zondaar ondergaan kan is:

  • ‘Om voor eeuwig te worden verstoten ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit’ (2 Thess.1:8,9; Op.20:15).

De verloren zoon koos echter tóch de goede weg

De ellende van de verloren zoon bestond hierin, dat hij zich ver van het huis van zijn vader bevond. Gelukkig veranderde zijn instelling en keerde terug naar zijn goede vader. Vondel schreef: ‘Buiten God is het nergens veilig’. Wie zich buiten het licht begeeft, is in de duisternis. Wee daarom de mens, die in ‘de buitenste duisternis’ terecht komt, want hij was voor het licht geschapen. Op het domein waar alleen God een claim heeft, wordt ook niet gestraft met natuurlijke middelen. In de gemeente van Jezus Christus bestaan geen kerkelijke straffen. Deze treft men vaak in instellingen aan, waarvan de leiding natuurlijk en aardsgezind is.

‘Aan de satan overleveren’

In Corinthe was een man, die door zijn zondig leven op een ergerlijke manier aanstoot gaf. Paulus verweet de gemeente dat zij ‘de mens die kwaad doet’ niet uit haar midden had verwijderd. Hij eindigt zijn vermaning met de uitspraak: ‘Verwijder wie kwaad doet uit uw midden’ (1 Cor.5:13). Wie niet deugt, valt niet in de zonde, maar lééft er bewust in. Er zijn vandaag helaas veel mensen die dat doen. Paulus legde de hardnekkige zondaar geen straf op, maar ‘leverde hem over aan de satan’. De geestelijke bescherming die in de gemeente was, werd weggenomen. De zondaar bevond zich na deze uitspraak geheel in de macht van de satan, want buiten de gemeente is het ook nergens veilig.

Dodenstad of Jeruzalem?

Wie het kwaad tolereert, heeft deel aan de duisternis ‘en wat is de verwantschap tussen gerechtigheid en wetteloosheid?’ (2 Cor.6:14). Van Jezus wordt gezegd, dat Hij zichzelf niet aan bepaalde mensen toevertrouwde, omdat Hij wist wat in de mens was (Joh.2:23-25). Dit gold dan niet voor tollenaars en zondaars, maar voor hen die geestelijk blind en doof waren en bij wie het hart verhard was. Denk aan de Schriftgeleerden, de Farizeeërs en de nieuwste Staphorster Varianten reloaded.

De vraag komt naar voren of wij als opnieuw geboren christenen er verkeerd aan doen als wij iemand waarschuwen. Laat ons dan allereerst bedenken dat wij op het terrein van de overste van de wereld leven, de satan. Deze heeft hier op aarde zijn claim. In een normale wereld behoort het kwaad beteugeld worden door de overheden, die in dienst staan van God. Hun zwakke, arme, menselijke geesten – de Bijbel noemt ze wereldgeesten in tegenstelling tot hemelgeesten – proberen het kwaad op een natuurlijke manier te stuiten. De overheid werpt echter geen demonen uit en bevrijdt geen gebonden mensen. Zij hoort de goede burgers te beschermen en de criminelen te straffen, zodat haar onderdanen een stil en rustig leven kunnen leiden. Desnoods gebruikt zij geweld om dit te realiseren, zolang haar geweten tenminste nog niet geheel is dichtgeschroeid met brandijzers. Aan de resultaten daarvan is helaas te zien dat we in de laatste dagen leven.

Wetteloosheid in de eindtijd – De geesten van het beest, de antichrist en hun aardse aanbidders

Ook de Mozaïsche wet rustte op het principe van de arme en zwakke wereldgeesten (Gal.4:3). Ook deze wet hield geen enkele rekening met boze geesten of psychische achtergronden. In de onzienlijke wereld zijn echter de natuurlijke overheden arm en zwak, omdat zij niet in staat zijn het zondeprobleem op te lossen of ook de zondaar innerlijk te veranderen. Ze zijn dan ook niet bestand tegen de explosies van criminaliteit en alle andere wetteloze ellende in de eindtijd, wanneer de geest van de antichrist massaal doorwerkt. Alleen de autoriteiten in de hemelse gewesten, de zonen van God, zijn in staat door de wetten van de Geest de zuchtende schepping te bevrijden.

Het christelijk gezin

Een christelijk gezin wil beeld zijn van de gemeente van Jezus Christus. Daar zijn de huisgenoten verbonden door de band van de liefde. Ouders zullen met hun ongehoorzame kinderen bidden en satans demonen verdrijven. Met hun inzichten in het Koninkrijk van de hemelen zullen zij de harmonie en de vrede proberen te realiseren. Ze weten dat hun kinderen niet moeilijk zijn, maar het moeilijk hébben. Bij de opvoeding van hun kinderen zoeken zij hun kracht ook niet in menselijke wijsheid, maar in de wijsheid die van boven is. Omdat zij ‘geheel anders zijn’, gaan ze ook totaal anders met hun kinderen om. Zij weten ook dat zij deze inzichten en krachten meestal voor een deel hebben. Daarom vallen ze nog wel eens terug op de opvoedingsmethoden van de arme en zwakke wereldgeesten. Bij het oplossen van hun gezinsproblemen leren zij zichzelf steeds meer te verloochenen (zonder hun basis los te laten)! Wie nog kwetsbaar is of zich beledigd voelt, wint de strijd niet. Alleen de liefde van God, die in hun harten uitgestort is, stelt hen in staat de overwinning te behalen.

Het Griekse woord dat in het Nieuwe Testament voor ‘opvoeden’ gebruikt wordt, is ook een keer vertaald door ‘kastijden’. In Hebreeën 12:6 staat: ‘De Heer kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt’ (NBG-1951). Wat houdt dat in? Het gaat hier niet over een ongehoorzame zoon, maar alle zonen worden gekastijd of zoals het woordenboek het ook weergeeft: ‘met zweepslagen bewerkt.’ Het is niet vreemd dat er bepaalde ‘christenen’ zijn, die deze tekst zo uitleggen dat ze hun kinderen bij het straffen in ‘alle liefde’ met een stok of riem afranselen. Zij zien dit als ‘de tuchtiging van onze vaders naar het vlees’, om maar niet te spreken van onze vaders ‘in het vlees’. Maar houdt God er zulke Spartaanse opvoedingsmethoden op na? Zelfs bij voorbaat als wij nog niets hebben gedaan?

Het antwoord is dat God de gelovige kastijdt omdat Hij de mens niet uit de vijandige wereld wegneemt. De opnieuw geboren christen moet continu strijden tegen de zonde, ‘waarin we steeds weer verstrikt raken’. Ja, hij moet zelfs ‘in de strijd tegen de zonde zijn leven op het spel zetten’. Dit heeft alles te maken met de tuchtiging van de hemelse Vader in verband met onze strijd tegen de demonen, want door zijn ‘zonen’ moet de demonenwereld worden onderworpen. Zijn ‘zonen’ moeten in staat zijn om in de onzienlijke wereld te heersen. Zij hebben dit te (ver)dragen tot tuchtiging of tot opvoeding. Daarom mogen ze bij deze kastijding ‘niet de moed verliezen en het opgeven’, maar juist ‘de slappe handen opheffen en de knikkende knieën strekken’ en moeten zij blijven doorgaan, ook al zouden zij vanwege deze kastijding ‘kreupel’ lopen (verg. de 2 getuigen Op.6). Zij zullen toch weer genezen (Hebr.12:4-13). Toen de leerlingen nog niet konden strijden, bad hun Heer: 

  • ‘Heilige Vader, bewaar hen in uw Naam (Joh.17:11). Later schreef de apostel over de gevorderde zonen: Wij weten dat ieder die uit God geboren is, niet zondigt; maar wie uit God geboren is, bewaart zichzelf en satan heeft geen vat op hem’ (1 Joh.5:18).

Demonen verdrijven is zwaar werk. De geweldgeesten slaan bij het herstelwerk van de zonen vaak hard terug. Paulus had hier ervaring mee, toen hij continu op zijn zendingsreizen aangevallen werd door een engel van satan die hem met vuisten sloeg, dus hem op allerlei manieren in zijn evangelieboodschap dwars zat.

God heeft de wereld zo lief gehad, dat zijn eigen Zoon Zichzelf niet gespaard heeft. Jezus wandelde als Zoon in het Koninkrijk van God, maar onder veel verdrukkingen in deze wereld. Wie de Levenskroon ontvangen wil, zal daarom moeten standhouden in de moeilijke tijden. Hij zal in zijn lichaam meer of minder ook de littekens van Jezus dragen en in hij mag aanvullen wat er nog aan Christus’ lijden ontbreekt, ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente (Gal.6:17 en Col.1:24).