Gerechtigheid

Met het woord gerechtigheid wordt vaak alleen de negatieve kant benadrukt. Terwijl het juist een heel positieve lading heeft: De mens die een rechtvaardige geworden is, heeft geen schuld meer en hij bevindt zich nu in een toestand alsof hij nooit zonde had gedaan. Veel kerkmensen komen echter nooit zover, zij blijven voornamelijk op zichzelf gericht: was ik nu maar rechtvaardig, bereikte ik nu maar de volmaaktheid. Zo kan de mens, alle goede bedoelingen ten spijt, verzanden in een egocentrische levenshouding. Gerechtigheid heeft men dan nodig om in de hemel te komen. In de Bijbel staat echter duidelijk wat gerechtigheid werkelijk is: het is niet alleen maar afwezigheid van iets (in dit geval schuld of zonde); het woord heeft een veel positievere inhoud. Zo zijn er trouwens meer van die termen: onberispelijk bijvoorbeeld betekent veel meer dan alleen maar dat er niets meer te berispen, bekritiseren valt. Gerechtigheid heeft een oneindig veel diepere betekenis dan afwezigheid van ongerechtigheid. Zij is een heel intense aanwezigheid van iets.

Gods rechtvaardigheid

Van God zelf wordt gezegd dat Hij rechtvaardig is en dat is wellicht de meest diepgaande eer, die een mens Hem kan bewijzen. Want daarmee doen psalmisten en profeten een abstracte uitspraak over een steriele eigenschap van God: Hij is zondeloos. En hiermee vertolken ze iets wat hun hele bestaan raakt. Gerechtigheid is namelijk in de Schrift een relatiebegrip. Je kunt niet op je stoel gaan zitten rechtvaardig te zijn, nee, je bent rechtvaardig ten opzichte van de ander.

  • God is rechtvaardig, maar dat is geen omschrijving van: Hij doet nooit een vlieg kwaad; zelfs niet van: Hij geeft ieder het zijne. Een dergelijke definitie is veel te kil en te koudbloedig.

David bidt: ‘Bevrijd mij door uw gerechtigheid’ (Ps.31:2). In deze Psalm getuigt hij van zijn neergebogenheid, van de benauwdheden van zijn ziel, kortom van zijn hulpeloosheid. En wat is zijn reactie? Hij doet een beroep op Gods gerechtigheid. Dat is dus geen statische, theoretische hoedanigheid, want daar zou David op dat moment niets aan hebben. Nee, het is voor hem een heel concrete, uiterst existentiële zaak, een zaak die zijn totale bestaan raakt. Het houdt in dat God hem niet prijsgeeft aan zijn vijanden, dat God voor hem een beschuttende rots wordt, een sterke vesting (een bastion) om hem te redden. Dat is gerechtigheid: de bevrijding van de hulpeloze, van de bedreigde, van de vereenzaamde. Dat laatste aspect roert David in dezelfde Psalm ook aan:

  • ‘Mijn vijanden spotten met mij, buren wijzen mij na, kennissen schrikken van mij: ze zien mij op straat en gaan op de loop. Ik ben vergeten, als een dode, weg uit het hart, als een kruik die in scherven ligt – er staat: verloren geraakt’ (vers 12,13).

David is een mens zonder broer, een mens alleen geworden. En juist hier komt de gerechtigheid van God tevoorschijn. God wordt de naaste van hem die geen naaste heeft. God neemt het op voor de uitgestotene, voor de verworpene. Om het te formuleren met de woorden van David: ‘Omdat U mijn ellende ziet, U hebt gelet op mijn ellende’. Of concreter vertaald: Omdat U mijn neergebogenheid hebt gezien. ‘U bespeurt hoezeer ik in nood zit’ (eigenlijk dieper: U hebt opgemerkt de benauwdheden van mijn ziel (vers 8). Zo heeft David het ervaren: toen ik geen vrienden en familie meer had, is God mijn broer geworden. Gerechtigheid is heel tastbaar en levensecht: God kent, God ziet, God bevrijdt.

Bevrijdend door gerechtigheid

De profeet Jesaja zegt in hoofdstuk 45 dat de heidenen bidden tot een god, die niet verlossen (eigenlijk: bevrijden) kan (vers 20). Daartegenover komt dan de uitspraak: ‘Een rechtvaardige, verlossende God is er buiten Mij niet’ (vers 21). Nauwkeurig vertaald: een godheid, rechtvaardig en bevrijdend, er is geen andere god dan Ik alleen.

Wat is het unieke van deze God, waarin onderscheidt Hij Zich van alle goden? Eén kenmerk springt eruit, dat is het waarmerk: deze God is rechtvaardig. En dan komt er niet nog een tweede kenmerk bij: Hij is daarnaast ook nog bevrijdend; nee, het is in wezen één karaktertrek. Hij is rechtvaardig en daaruit volgt dat Hij bevrijder is. Het zijn twee begrippen die elkaar volledig dekken. Juist omdat Hij een God van gerechtigheid is, neemt Hij de bevrijding met kracht en met vasthoudendheid ter hand. Daarom kan Hij dan ook meteen de oproep laten klinken: ’Wend u tot Mij, en laat u redden (weer: bevrijden), alle uithoeken van de aarde’ (vers 22). Zo is heel dit gedeelte van Jesaja gebouwd op die twee basisgedachten: gerechtigheid en bevrijding. Want die horen onlosmakelijk bij elkaar.

Hoe concreet dit punt verstaan moet worden, komt heel treffend tot uiting in vers 24 van datzelfde hoofdstuk: ’Alleen bij (beter: in) de Heer, zal men van Mij zeggen, is gerechtigheid en sterkte’. Hier staat in de grondtekst een meervoud: gerechtigheden. Dat zijn Gods rechtvaardige en dus bevrijdende daden. Die meervoudsvorm kan men bijvoorbeeld ook vinden in het lied van Deborah. Daar bezingt zij de gerechtigheden of rechtvaardige daden van de Heer en dan gaat het heel concreet over de bevrijding uit de hand van Sisera. God neemt het op voor de verdrukten (Richt.5:11). Gerechtigheid is dus de waarachtigheid in houding en handelen, zowel naar binnen als naar buiten, waardoor God zelf tot zijn recht komt en waardoor Hij de mens tot zijn recht doet komen.

Navolgers van God

God neemt het op voor de mens die het zelf niet redt. Nu is de mens geroepen om op zijn beurt gerechtigheid te doen. Zo is hij de navolger van God, wat het kernthema is van heel de Schrift. In Genesis 37 en 38 staan twee verhalen over broers: het eerste handelt over Jozef en zijn broers, de broers die denken te kunnen leven zonder hun broer. Het tweede verhaal gaat uit van Juda en zijn broers. Het woord ‘broer’ komt in deze hoofdstukken respectievelijk twintig en acht keer voor. ‘In die tijd trok Juda van zijn broers weg’ (letterlijk: hij daalde af), zo luidt het begin van Genesis 38. De eerstgeborene van Juda sterft kinderloos. Dan zegt Juda tot zijn tweede zoon: ’Ga naar de vrouw van je broer en zorg dat je een kind verwekt voor je broer’ (eigenlijk: en doe uw zaad opstaan voor uw broer, vers 8).

Nu is bekend dat zaad een van de hoofdmotieven is van het eerste Bijbelboek. Het zaad moet voortgeplant worden, want daarin wordt de Naam (de Naam van de Heer) voortgeplant. Onan echter wil zijn broer geen zaad geven; hij is dus geen rechtvaardige. Vervolgens weigert Juda zijn derde zoon aan Tamar te geven, zodat hij ook niet sterven zal net als zijn broers. Aan het eind van deze geschiedenis blijkt Tamar zwanger te zijn van Juda. Hij moet erkennen: ’Zij staat tegenover mij in haar recht, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sela gegeven’ (vers 26). Er staat eigenlijk: zij is rechtvaardig, meer dan ik. Dat gaat dieper dan dat ze in haar recht staat; het houdt in dat zij een rechtvaardige was. Dat wil zeggen: zij kwam op voor de broer, in dit geval de gestorven broer. Zij stelde zichzelf in de waagschaal om zaad te verwekken voor de broer. Als Juda het verzuimt, zal Tamar het op zich nemen.

Dit is de ware gerechtigheid: inspringen en aanvullen waar een ander tekort schiet, plaatsbekledend optreden ten behoeve van de broer. Zo vormt Tamar het tegenbeeld van de broers van Jozef. Zij lieten hun broer vallen, ze maakten hun broer tot handelswaar, terwijl Tamar alles op alles zet om de broer tot zijn recht te laten komen. Dat is in de Schrift de rechtvaardige: de mens die zich totaal inzet, zodat zijn broer tot zijn recht komt. Zo laten twee verhalen zien wie de rechtvaardige is en wie niet.

Alle gerechtigheid vervullen

Dezelfde grondgedachte komt terug in Mattheüs. Het eerste woord dat Jezus in dit evangelie spreekt, is een woord over gerechtigheid. Jezus wil Zich laten dopen. Johannes verzet zich daartegen. Het was immers een doop tot bekering en vergeving van zonden en dat had Jezus niet nodig. De vraag dringt zich op: wat betekende de doop voor Jezus? Dit zei Hij er zelf van: ‘Want zo horen wij de gerechtigheid volledig te vervullen’ (Matth.3:15). Met andere woorden: Jezus deed dit om zich volledig een te maken met zijn broers. Immers, gerechtigheid is het opnemen voor de broer. Als Jezus Zich laat dopen, wil Hij dit uitbeelden: Ik ben gekomen om naast mijn broers te staan, om naast hen te gaan tot in de dood en tot in het graf. Hier ben Ik om heel de weg broer met hen te zijn, tot de laatste grens; alle gerechtigheid zal Ik vervullen, alle, niets minder dan dat. Ik zal de ware broer zijn, voor hen die geen broer meer hadden, voor hen die het woord van Jeremia aan den lijve hebben ondervonden: ‘Wacht u, ieder voor zijn naaste, en vertrouwt niet op enige broer’ (Jer.9:4). Hier ben Ik om de gerechtigheid volledig, tot het einde toe, te realiseren. Op dit fundament begint Jezus zijn optreden. Met dit woord en met deze daad legt Hij de grondslag van heel zijn mens-zijn en van heel zijn roeping open.

De wet vervullen

Hiermee hangt samen een ander woord van Jezus, in de Bergrede, waar Hij verklaart dat Hij gekomen is om de Wet (Thora) en de profeten te vervullen. In wezen is dat identiek. Het vervullen van de Schrift is het vervullen van alle gerechtigheid; die twee zijn één (Matth.5:17). Want de Thora (de vijf boeken van Mozes) en de profeten vormen één magistraal getuigenis van: de tsedaqah, de gerechtigheid van God. Hierop sluit aan de uitspraak van Jezus in vers 20: ‘Want Ik zeg u: Als uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die van de schriftgeleerden en farizeeën, zul je het koninkrijk der hemelen zeker niet binnengaan’. Nu kan men dit woord ook op deze nieuwe manier begrijpen.

Wat is overvloedige gerechtigheid? Dat is een grenzeloos opkomen voor de broers. En dat is inderdaad meer dan wat de farizeeën opbrengen, want zij trekken een grens. Zij behartigen alleen de belangen van hun eigen groep en voor de anderen geldt: ‘vervloekt is dat volk dat de wet niet kent.’ Maar Jezus gaat weer terug naar de oorspronkelijke zin van de Thora en Hij zegt: jij zult het anders doen, jij laat je niet inperken, jouw gerechtigheid zal overvloedig zijn, onbegrensd.

Geen aalmoes

In dit verband is het ook zo tekenend, wat aan het begin van Mattheüs 6 geschreven staat: ‘Pas op dat jullie je gerechtigheid niet doen voor het oog van de mensen’ (dat wil zeggen voor het front van). De Statenvertaling heeft hier: uw aalmoes. Het Hebreeuws heeft namelijk geen woord voor aalmoes. In de loop van de tijd heeft dat de kleur gekregen van liefdadigheid, neerbuigend iets geven aan die arme stakker die daar zit te bedelen. Het Hebreeuws echter gebruikt in plaats van aalmoes: gerechtigheid. Een mens geeft geen aalmoes aan een stakker, nee, een mens doet gerechtigheid aan zijn broer. Zo wordt op een unieke wijze tot uitdrukking gebracht: de ander is niet minder dan ik, integendeel, hij is mijn gelijkwaardige partner.

Deel hebben aan Gods gerechtigheid

Paulus schrijft in de tweede Corinthebrief: ‘Hem die geen zonde heeft gekend, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods gerechtigheid zouden worden’ (5:21). Tot zonde gemaakt: uitgestoten door allen, niet meer herkend, buitengesloten als een eenzame, een vreemdeling voor wie niemand broer wil zijn, opdat Hij Gods gerechtigheid zou worden, zodat Hij een broer voor allen zou worden. Een broer voor de mens die zijn broers verspeeld heeft. Zo is Jezus op unieke wijze de rechtvaardige geworden. De mens die instaat voor de verloren broer. De rechtvaardige is de mens die zijn plaats inneemt in de geschiedenis en die op zijn specifieke manier op de geschiedenis inwerkt.

Jezus werd gerechtigheid voor de mensheid. Maar dat niet alleen, het gaat nog verder, of beter gezegd: daar ligt nog meer in besloten, namelijk dat de mens gerechtigheid wordt in Hem. Met andere woorden: de uitwerking van Gods ontferming is dat men rechtvaardige wordt. Mensen die broer zijn voor de ander. Dat is niet iets extra’s, in de trant van: we zijn rechtvaardigen, maar nu moeten die rechtvaardigen zich ook nog eens een keer als broers gaan gedragen. Dat is een noodlottige gedachtegang, want dan splitst men het evangelie op en dan splitst men de mens op. Dan berooft men de naam ‘rechtvaardige’ van zijn kracht en inhoud.

Het doel is: opdat de mens gerechtigheid wordt. Let erop dat er niet staat: gerechtigheid hebben. Het is niet een bezit, dat men kan koesteren. De Schrift denkt helemaal niet in termen van bezit. Het gaat er niet om dat men iets heeft, maar men iets wordt. Gods naam is niet: Ik heb wat Ik heb, maar ‘Ik zal zijn die Ik zijn zal’. God kweekt geen bezitters, geen consumenten, God vormt broers. Men wordt niet gerechtigheid zonder meer, maar Gods gerechtigheid. Dat wil zeggen dat men een weg wordt waarlangs God recht kan doen aan hen die Hem niet zien. Als jij Gods gerechtigheid bent, dan ben je een boom waarvan het loof niet verwelkt, dus een boom die altijd schaduw biedt. Zo immers zal de rechtvaardige zijn volgens Psalm 1. ‘Mijn gerechtigheid is nabij’, zegt God (het NBG vertaalt: mijn zege is nabij, Jes.51:5). Dat houdt in: mijn armen zullen de volken richten, of rechtzetten. Ze zullen zien dat er een God is die om hen geeft. Zo is Gods weg. Een mens wordt gerechtigheid, waarachtigheid Gods. Dan ervaart een ander: ik heb een broer ontmoet. Een mens stond voor mij op en greep mijn hand.