Gedachten van God

God is geest en Hij leeft alleen in de onzienlijke wereld. Niemand heeft Hem ooit met het natuurlijke oog kunnen zien. Wie tot God nadert en met Hem gemeenschap zoekt, kan dit alleen bereiken langs de weg van de geest. De omgang met God kan niet worden bereikt door inspanning, door vrome daden in de zichtbare wereld. De enige manier om met God te leven is door het overnemen van de gedachten van God.

Zoals een mens altijd bezig is met gedachten en plannen, zo is ook God vervuld met zijn eeuwig voornemen. Het hoofdthema van zijn denken, voor zover Hij dit geopenbaard heeft, is de mens die aan zijn Schepper gelijk mag worden, die deel krijgt aan de goddelijke natuur. Dit bevoorrechte wezen is de ‘mens van God’, zoals de Maker hem van eeuwigheid voor zich zag, de geestelijk volwassen man of vrouw.

De volmaakt geestelijke mens Jezus was voortdurend met dit onderwerp bezig. Hij kwam om te herstellen, te genezen, te bevrijden en van schuld te verlossen. Bij zijn vertrek beloofde Hij de doop met Heilige Geest, zodat de mens van God volmaakt zou worden, tot alle goede werken volmaakt toegerust. De Heer was zo met de gedachtewereld van zijn Vader verweven, dat Hij er geen enkele andere mening op na hield. Daarom was Hij ‘in de gestalte van God’. Hij was de eerste mens zoals God het bedoelde. Daarom hield Hij niet aan zijn gelijkheid met God vast, maar is als mens gehoorzaam geweest tot aan de kruisdood. De apostel Johannes schreef dat men aan Jezus gelijk kan zijn. Dit kan alleen als men alle gedachten van de Heer overneemt. Dit gebeurt door Gods Heilige Geest, die het uit het Zijne neemt en het aan de mens verkondigt. Jezus zelf nam het weer uit de denkwereld van zijn Vader.

Nu zegt de profeet Jesaja dat Gods gedachten hoger zijn dan de menselijke gedachten. Ze hebben dus een andere dimensie en zijn van een verheven niveau. Daarom zal de christen naar zijn innerlijke mens op moeten stijgen. Hij moet immers de dingen bedenken die boven zijn en niet die van de aarde. Hij kan dit, want de Geest die in hem woont, doorzoekt alle dingen, zelfs de diepst verborgen gedachten van God. Wat een geweldig evangelie! Wie Gods gedachten overneemt, wordt vernieuwd in zijn denken. Hij wordt opnieuw geboren door het levende en blijvende woord van God, dus door zijn gedachten. Hij neemt zo de positieve instelling van God ten opzichte van de mens over. God zal zijn alles, maar dan ook alles, in allen, wanneer zijn volk ál zijn gedachten heeft overgenomen. Dan spreekt het steeds de woorden van God. Dan wordt geconstateerd: wij zijn uit God; wie God kent, hoort naar ons!

Wie de gedachten van God overneemt, wordt blij. Dat kan niet anders. Men gaat de vreugde van het Koninkrijk van God ervaren doordat de gedachtewereld vernieuwd wordt. Men wordt op deze manier opgetrokken in hemelse gewesten. Daar wordt men bestemd tot vorsten en machthebbers, tot een koninklijk volk, tot een nieuwe, geestelijke schepping. Daar kan men met Maria zeggen: ‘Mijn hart juicht om God, mijn Redder’. Zij ervaren van binnen uit een onuitsprekelijke, verheerlijkte vreugde, die het verstand te boven gaat.

Vanuit deze overdracht van goddelijke gedachten, vanuit deze deelname aan de verheven en hoge raad van God, ontstaat de eenheid onder de Geestvervulde christenen. Zij zijn niet één in de natuurlijke wereld, maar zij zijn één omdat zij de woorden van Jezus bewaren. Ze zijn één, zoals de Vader en de Zoon één zijn. Daaruit blijkt dan de liefde tot hun Heer.

Opnieuw geboren christenen hebben de opdracht om een weg te banen voor de gedachten van God in de harten van zijn volk. Daarom moeten zij ook waarschuwen tegen al die aardsgerichte leringen, die de geestelijke mens omlaag voeren. De weg naar beneden is altijd de gemakkelijkste en er zijn zelfs kinderen van God, gedoopt in Gods Geest, die afglijden naar de lagere, aardse gewesten. Opnieuw geborenen mogen en kunnen niet zwijgen, want de valse leringen, zoals de aardse Israëlaanbidding en de misleidende eindtijdtheorieën zijn volop en overal in de wereld doorgedrongen.

Ongeestelijke christenen hebben de leer over het ongeestelijke Israël gebracht. Er wordt ruimte gemaakt voor hunkering naar allerlei gevoelservaringen en naar de streling van de zintuigen, dit neemt de plaats in van het verlangen naar de blijdschap die gevonden wordt in de gemeenschap met God. Hierdoor wordt de tekst waar:

  • ‘Hij zorgde ervoor dat een deel van het sterrenleger naar de aarde viel en hij vertrapte het’  (Dan.8:10; 8:1-13).

Wij hebben de goddelijke opdracht om de geestelijke bedekking te verscheuren die Gods heerlijke gedachten over zijn volk verborgen houdt (2 Cor.3:15). Wij wijzen niet alleen met de vinger omhoog, maar verkondigen ook die ene weg die de mens echt naar boven voert, zodat deze zijn plaats zal kunnen innemen bij het Lam op de top van de berg Sion.

Geen verwachting of een verkeerde verwachting

Het leven van een mens wordt bepaald door wat hij verwacht. Het leven van de gemeente wordt bepaald door wat zij verwacht. Alleen die gemeente die verwachting heeft, gaat het einddoel bereiken. Jesaja zei al in verband met de eindtijd: ‘Maar wie hoopt op de Heer, krijgt nieuwe kracht’. Nu is het niet genoeg, om alleen maar verwachting te hebben. Immers zijn er zovelen die zeggen: wij verwachten de Heer. De vraag is dan echter: wat bedoelt men daarmee? Hoe verwacht men Hem? En waar? Met een paar kreten of leuzen komt men niet door de eindtijd heen.

Voor veel mensen is hoop een vrij vage aangelegenheid. Men komt niet verder dan: we zullen het beste er maar van hopen. Dat betekent dan zoveel als: het kan vriezen en het kan dooien. Maar vanuit het Bijbelse denken kan men hoop omschrijven als: zekerheid met betrekking tot de toekomst. En juist hier probeert de tegenstander het volk van God krachteloos te maken. De opzet van de duivel is: de verwachting van de gemeente te kraken. Op dit terrein verslaat de vijand zijn duizenden.

Twee gevaren bedreigen in dit verband het volk van God: geen verwachting of een verkeerde verwachting. Denk aan het volk in de ballingschap, waarover Jesaja spreekt. Wat was in feite het grootste probleem? Dat was gebrek aan inzicht in de toekomst. Een dof pessimisme beheerste hun denken. Ze zeiden bijvoorbeeld: ‘De Heer heeft mij verlaten en de Heer heeft mij vergeten’ (Jes.49:14). Hun gedachte was: mijn weg is voor de Heer verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij. Een sombere kijk op de toekomst ging bij hen hand in hand met een negatief beeld van God. Wie God niet kent, kent ook zijn toekomst niet. Wie een zwart godsbeeld heeft, ziet ook de toekomst zwart.

Kinderen van God in ballingschap

Wat zijn nu de gevolgen van een dergelijke houding ten opzichte van de toekomst? Jesaja typeert het volk als een gehandicapte, kromme man. Gebrek aan visie, of een verkeerd gerichte visie, heeft een verlammend effect. Men voelt zich opgesloten en dan nog erger: men wordt krom, met als gevolg: men kan alleen nog maar naar beneden kijken, men ziet uitsluitend het aardse. Jesaja schildert het zo: ‘De verdrukkers zeiden: ‘Ga liggen, dan lopen we over je heen!’ En je maakte je rug als de grond, een weg waarover men kon gaan’ (Jes.51:23).

  • Vandaag de dag zijn er heel wat kerkmensen in ballingschap. Zij hebben geen visie. Ballingen zijn ze, zonder doel, moe en futloos. Zingen is er niet bij, of hoogstens een lied van heimwee: Zouden wij ook eenmaal komen? Hun motto is: Maar hopen dat het niet lang meer duurt.

Maar dan komt Jesaja met zijn boodschap: er is hoop voor ballingen. Er is een weg om te ontkomen, om te ontsnappen. Hoe komt het volk van God uit zijn ballingschap? God is een God die uitnodigt: Kinderen, kom naar huis! Dat staat bovenaan op Gods programma voor de eindtijd: mijn volk moet weer komen op eigen bodem. Daar ziet de Vader naar uit. Dat is vreugde voor God: zonen komen thuis. Maar hoe? Wat is de weg? Jesaja spreekt daarover in datzelfde hoofdstuk 51:14:

  • ‘Weldra wordt de geketende bevrijd; hij zal niet sterven, niet afdalen in het graf, het zal hem aan niets ontbreken’.

Hier gaat het over een geestelijke ballingschap; dat vereist dus ook een geestelijke oplossing. Iemand kan op aarde verhuizen zoveel hij wil, het zal hem niet dichter bij God brengen. Er is een geestelijke verhuizing nodig. In deze tekst komt dat duidelijk naar voren: zo is God. God is een God die vrij maakt. Dat doet het evangelie van Jezus Christus. En daar is God mee bezig: een volk los te maken uit de vaak eeuwenlange ballingschap. Maar daarvoor is één punt van fundamenteel belang. Dat is in feite de sleutel van het hele hoofdstuk van Jesaja 51. Dat is tegelijk ook de sleutel van het eindtijdgebeuren. Het volk van God komt niet zomaar, als het ware bij toeval, uit de ballingschap. Het gebeurt ook niet bij toverslag. God zegt niet: Nu neem Ik mijn volk in één moment op uit Babel en zet Ik het zo neer in Sion. Zo werkt God niet. God geeft een weg voor bevrijding, maar het volk zal zelf die weg moeten bewandelen. Zo is er ook in onze dagen een uitweg.

Gods gedachten overnemen

Maar wat is nu die sleutel? Jesaja 51 geeft het antwoord: Hoor naar Mij. Wat is het gevolg, als dit volk gaat horen naar God? Dan ontvangen zij Gods gedachten. Dit is de kern van de zaak. Er is maar één weg uit de ballingschap, dat is: de gedachten van God overnemen. Daar lag immers juist het probleem van dit volk. Waarom hadden ze geen verwachting? Omdat ze de gedachten van God niet bezaten. Vaak onderschat men de betekenis van het denken. Velen houden zich bezig met alles wat er in de zichtbare wereld gebeurt, maar zij missen de gedachten van God en daardoor zijn zij stuurloos en krachteloos. Alleen wie zich de gedachten van God eigen maakt, komt door de eindtijd heen.

Waarom zijn die gedachten van God zo belangrijk? Allereerst: zij vormen het houvast. Zij zijn het enige vaste punt in het midden van alle beroering en verwarring. God is zo goed dat Hij ons zijn denken wil meedelen. God houdt het niet voor Zichzelf. God zegt tot de mens: Kom maar bij Mij, dan zal Ik je vertellen hoe Ik erover denk. Ik laat je niet de mist ingaan. Zo goed is God dat Hij zegt: Ik zal je leren denken. Want dat zal je nodig hebben in de tijd die komt.

De leerlingen zaten in de storm op het meer en raakten in paniek. Natuurlijk kun je zeggen: een begrijpelijke reactie. Maar waar zat het bij hen in wezen op vast? Ze waren wel leerling, maar hadden de gedachten van de Heer nog niet. Meester, wij vergaan, roepen ze uit. Was dat de gedachte van God? De leerlingen verwachtten ondergang. Zij hadden dezelfde toekomstvisie als velen vandaag: ze steken het meer over, maar het doel bereiken ze niet, de overkant halen ze niet. Halverwege het meer zijn ze er niet meer.

Als Jezus wakker gemaakt wordt, blijkt Hij andere gedachten te hebben. Hij bestraft de wind. Waarom deed Hij dat? Omdat Hij inzicht had in de onzienlijke wereld. Hij zag daar twee dingen. Hij zag de gedachte van God: God wil dat het doel, de overkant, bereikt wordt. Hij stuurt de mens niet het meer op om halverwege onder te laten gaan. En omdat Hij die gedachte van God zo duidelijk onderkende, onderscheidde Jezus ook de tegenkracht, die erop uit was om die gedachte van God te torpederen. Jezus had door waar die storm vandaan kwam. Hij wist uit welke (onzienlijke) hoek de wind waaide. Daarom: hoe meer men vertrouwd raakt met de gedachten van God, hoe sneller en beter men ook de gedachten van de vijand onderkennen kan.

Het schip komt tenslotte toch door de storm heen. Dit was alleen te danken aan het feit dat Jezus vasthield aan de gedachten van God. Dit is het geheim voor de gemeente in de eindtijd: het volk dat vasthoudt aan de gedachten van God, komt door de storm heen en zal de overkant bereiken. Want Jezus deed deze dingen niet zonder reden. Hij gaf ons een voorbeeld. In alles wat Hij deed, toonde Hij het beeld van de volmaakte mens. Jezus liet zien: dit is de mens van God. En die mens van God heeft één bron: de gedachten van God. Daar leefde Jezus uit, daar leefde Hij van en daar leefde Hij voor. Dat was iets totaal nieuws: Jezus was de eerste mens die zuiver, uitsluitend leefde uit de gedachten van God. En in Hem werd zichtbaar wat daarvan het resultaat is.

Gods gedachten, Jezus gedachten

Jezus had geen andere bronnen. De mensen kwamen en zeiden: Let op Herodes, hij wil U doden. Maar Jezus antwoordde: Let op, Ik drijf demonen uit en vandaag en morgen genees Ik mensen, en op de derde dag bereik Ik de voltooiing. Met andere woorden: Ik ben bezig de gedachten van God uit te voeren en daar ga Ik gewoon mee door, net zolang tot Ik klaar ben. Jezus wist: door te blijven in de volmaakte gedachten van mijn Vader zal Ik het volmaakte doel bereiken. Zo is Jezus ons voorgegaan. De leerlingen kwamen en zeiden: Let op de tempel. Wat een prachtige stenen! Maar Jezus was er kennelijk niet zo van onder de indruk. Er zal geen steen van op de andere blijven, luidde zijn reactie. Maar het evangelie van het Koninkrijk is wel blijvend en zal gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde gekomen zijn.

Jezus had één doel en dat hield Hij onveranderlijk voor ogen. Hij wist: er gaat van alles gebeuren maar de gedachten van God gaan het winnen in de hele schepping. Dat evangelie dat Ik breng, zal het einddoel bereiken. Ja nog sterker: dat evangelie zal het einddoel op gang brengen. De mensen kwamen en zeiden: Let op! Het is nu de tijd. Wij gaan U koning maken met geweld. Maar Jezus trok zich terug in het gebergte, helemaal alleen. Hij had de gedachten en het geweld van mensen niet nodig. Zijn weg was een geestelijke weg. Hij verwachtte niets vanuit de zichtbare wereld. Hij verwachtte alles, maar dan ook alles, van de gedachten van God. Noch Herodes, noch de tempel, noch de stem van het volk was voor Hem interessant. Dat waren voor Hem geen tekens van de tijd. Hij lette op iets anders. Hij lette op het uitbotten van de gedachten van God.

Jezus had een onverwoestbare visie. Daarom kon Hij zeggen: Met het Koninkrijk der hemelen is het net als met een mosterdzaadje. Jezus had de moed om door te gaan, omdat Hij wist: er zit een ongekende kracht in die gedachten van God. Zo’n mosterdzaadje heeft in de zichtbare wereld niet veel te bieden. Maar er zit wel een geweldige, onzichtbare kracht in. De gedachten van God zijn daarom onze krachtbronnen. De hele schepping is voortgekomen uit de gedachten van God. En het hele rijk van de duisternis zal uiteindelijk moeten zwichten voor de gedachten van de Allerhoogste. Wie gedachten van God heeft, heeft verwachting. Gefundeerde verwachting. Want die weet: er is een kracht in de geestelijke wereld, die sterker is dan alle gedachten van de duivel bij elkaar. Gods gedachten zijn een eeuwig bolwerk. Daar lopen alle machten van verderf en afbraak op te pletter. Gods gedachten in ons zijn onze kracht.

Gods gedachten zijn leven

Jesaja zei het al: hij zal niet sterven, niet afdalen in het graf. Dat was de gedachte van God over het volk in ballingschap. Zij zal leven van alle woorden die uit de mond van God uitgaat. Dit ene woord van Jesaja geeft ons een heel andere verwachting. Ballingen ontvangen een nieuw godsbeeld. Niet meer het beeld van een God die zijn volk vergeet, maar beeld van licht en luister, een God die leeft en leven geeft, in wie geen dood of duister is. Wie verbonden is met deze gedachten van God, zal leven. Net als Jezus. Het graf kon Hem niet houden.

Wie een goed godsbeeld heeft gekregen, heeft ook een goed toekomstbeeld. Zijn verwachting is niet gegrond op de aarde, op het zichtbare; zijn verwachting is gefundeerd in zijn God. Dat is de enige fundering die stand houdt. Zijn verwachting wordt niet afgesneden; zijn licht zal niet doven. Immers, hij kent zijn God. God opent ogen. God opent vergezichten in de hemelse gewesten. Zo is onze God. Er is hoop voor ballingen.