Engelen

  • ‘Wat zijn zij anders dan dienende geesten, uitgezonden ten behoeve van hen die de redding zullen erven?’ (Hebreeën 1:14).

Ooit een engel gezien? Waarschijnlijk niet. In feite is dat ook niet nodig. Zij zijn door God gezonden. Ze zijn er om Gods kinderen te dienen met hun voorzieningen, hun bescherming; maar ze doen dat in alle stilte. Voortdurend nemen ze daarvoor van de Vader hun orders in ontvangst. Jezus zegt b.v.: ‘Pas op dat je niet op één van deze kleinen neerkijkt, want Ik zeg jullie: hun engelen in de hemel zien voortdurend mijn Vader in de hemel’ (Matth.18:10). Waar nodig, zendt God zijn engelen uit tot welzijn van zijn kinderen. Aan Hem het initiatief. Ook Jezus besefte dat, getuige zijn uitspraak bij zijn gevangenneming:

  • ‘Of denk je dat Ik mijn Vader niet te hulp kan roepen? Dan zal Hij Me dadelijk bijstaan met meer dan twaalf legioenen engelen’ (Matth.26:53).

Dienstknechten

Een enkele maal laten engelen zich waarnemen. Zo’n verschijning kan soms een overrompelende ervaring zijn. Men mag zich echter niet door het bijzondere van zo’n openbaring in beslag laten nemen. Dat moest ook de apostel Johannes nog leren: ‘Ik, Johannes, hoorde en zag dit allemaal. Toen ik het gehoord en gezien had, viel ik neer voor de voeten van de engel die het mij had getoond, om hem te aanbidden. Maar hij zei: Dat nooit! Ik ben slechts een dienstknecht zoals u en uw broers, de profeten, en zij die de woorden van dit boek trouw bewaren. Aanbid alleen God!’ (Openb.22:8,9).

Onsterfelijk

Engelen horen tot een andere orde. Ze zijn onsterfelijk, ze kennen geen sekseverschillen en planten zich dan ook niet voort. Ooit legde Jezus de Sadduceeën uit, dat de gelovigen na de opstanding zouden zijn ‘als de engelen in de hemel’: ‘De kinderen van deze wereld huwen en worden uitgehuwelijkt, maar zij die waardig zijn bevonden om deel te krijgen aan de andere wereld en aan de opstanding uit de doden, huwen niet en worden niet uitgehuwelijkt. Zij kunnen immers niet meer sterven, want ze zijn aan engelen gelijk en als kinderen van de opstanding zijn het kinderen van God’ (Luc.20:34-36).

Talrijk

De Bijbel laat zien, dat de engelen zeer talrijk zijn. Samen vormen zij een reusachtig, machtig leger. Geen wonder dan ook dat hun Schepper en Heer beschreven wordt als de ‘Heer van de legers’: ‘Duizend maal duizenden dienden Hem en tienduizend maal tienduizenden stonden voor Hem’ (Dan.7:10). ‘Dan zal Hij Me dadelijk bijstaan met meer dan twaalf legioenen engelen’ (Matth.26:53). ‘Plotseling was er bij de engel een heel leger uit de hemel; ze loofden God met de woorden’ (Luc.2:13). ‘Nee, u bent genaderd tot de berg Sion en de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, tot tienduizenden engelen’ (Hebr.12:22).

Rangorden

Aangezien orde een van de geestelijke wetten van de hemel is, mag men verwachten dat de engelen onderscheiden kunnen worden naar hun rang en taak: ‘Jezus Christus, die ten hemel opgestegen zetelt aan Gods rechterhand, nadat engelen en machten en krachten aan Hem onderworpen zijn’ (1 Petr.3:21,22). ‘Want in Hem is alles geschapen, in de hemel en op de aarde, het zichtbare en het onzichtbare, tronen en hoogheden, heerschappijen en machten. Alles is door Hem en voor Hem geschapen’ (Col.1:16). ‘Dezelfde sterkte en kracht heeft Hij betoond in Christus, toen Hij Hem opwekte uit de doden en liet zitten aan zijn rechterhand in de hemel, hoog boven alle heerschappijen, machten, krachten en hoogheden en boven elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze maar ook in de toekomstige wereld’ (Ef.1:19-21).

  • De engel van de Heer

De ‘Engel van de Heer’ wordt in de Bijbel aangeduid als de engel die het volk als Gods directe vertegenwoordiger redding brengt: ‘In al hun nood was ook Hijzelf in nood: zij werden gered door de engel van zijn tegenwoordigheid. In zijn liefde en mededogen heeft Hij hen zelf verlost, Hij tilde hen op en heeft hen gedragen, alle jaren door’ (Jes.63:9).

  • Aartsengelen

Michaël wordt als een ‘aartsengel’ voorgesteld. Als een van de eerste en belangrijkste engelen. Als aanvoerder van Gods engelenleger: ‘Zelfs de aartsengel Michaël heeft het niet gewaagd om een smadelijk oordeel tegen de duivel uit te spreken, toen hij met hem een discussie had en streed om het lichaam van Mozes; hij zei slechts: De Heer mag u straffen!’ (Judas 9). ‘Want wanneer het bevel gegeven wordt, als de stem van de aartsengel en de trompet van God weerklinken, dan zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen, en eerst zullen de doden opstaan die in Christus zijn’ (1 Thess.4:16).

Ook de engel Gabriël – hoewel niet als aartsengel aangeduid – komt als een van de belangrijkste engelen naar voren. Deze engel bevindt zich in Gods onmiddellijke tegenwoordigheid en brengt de mens ook diens boodschappen over: ‘Ik was nog aan het bidden toen Gabriël, de man die ik vroeger in een visioen had gezien, naar mij kwam toevliegen. Hij sprak met mij en hij zei: ‘Daniël, deze keer ben ik gekomen om u te onderwijzen’ (Dan.9:21,22). ‘De engel gaf hem (Zacharias, de toekomstige vader van Johannes de Doper) ten antwoord: Ik ben Gabriël, die God bij staat. Ik ben gezonden om met u te spreken en u dit heuglijke nieuws te brengen’ (Luc.1:19).

  • Cherubs en serafs

De Bijbel noemt twee afzonderlijke ‘klassen’ engelen, met een specifieke taak: ‘Hij verjoeg dus de mens uit de hof van Eden en aan de oostkant van de hof plaatste Hij de cherubs en de vlam van het wentelend zwaard, om de weg naar de boom van het leven te bewaken’ (Gen.3:24). ‘Serafs stonden boven Hem opgesteld, elk met zes vleugels: twee om het gelaat te bedekken, twee om de voeten te bedekken, twee om te vliegen. Zij riepen elkaar toe: Heilig, heilig, heilig is de Heer van de machten; en heel de aarde is vol van zijn heerlijkheid. De deurpinnen in de dorpels schudden van het luide geroep en de tempel stond vol rook’ (Jes.6:2-4).

Aanbidding

Engelen ervaren vóór alles de behoefte om God te aanbidden, het ligt in hun aard. Daartoe werden zij immers ook geschapen: ‘U alleen bent de Heer, u hebt de hemel gemaakt, de hoogste hemel en alle hemellichamen, de aarde en de zeeën met alles wat daar leeft. U geeft aan alles het leven, voor u buigen de hemelse machten’ (Neh.9:6).

Bekrachtiging

Engelen zijn dienende geesten, die de Heer uitzendt om zijn kinderen bij te staan. Zo zond God zijn engelen om Jezus te ondersteunen na diens verzoeking in de woestijn tijdens veertig dagen: ‘Toen liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen om Hem van dienst te zijn’ (Matth.4:11). Ook bij zijn verzoeking in de hof van Gethsémané werd Jezus door een engel ondersteund: ‘Toen verscheen Hem een engel uit de hemel die Hem kracht gaf’ (Luc.22:43).

Bescherming

Engelen worden uitgezonden om Gods volk te bewaren en te beschermen, hun uitstel te geven voor komende verdrukking: ‘En ik zag een andere engel opstijgen van de opgang van de zon, met het zegel van de levende God. Hij riep met luide stem tot de vier engelen, aan wie macht gegeven was om schade toe te brengen aan land of zee: Breng geen schade toe aan land of zee of aan de bomen voordat wij de dienstknechten van onze God met het zegel op hun voorhoofd getekend hebben’ (Openb.7:2,3).

Redding

God zendt zijn engelen uit om zijn volk te redden: ‘Toen hebben wij de Heer aangeroepen en Hij heeft ons verhoord. Hij zond een engel en leidde ons uit Egypte’ (Num.20:16). ‘De engel van de Heer zet wachtposten uit rond degenen die hem vrezen: zo brengt Hij redding’ (Ps.34:8). ‘Er zal geen kwaad over je komen, geen plaag dringt door tot je tent. Zijn eigen boden zal Hij opdragen om je te beschermen, waar je ook gaat. Zij zullen jou op handen dragen, zodat je voet zich niet aan een steen stoot’ (Ps.91:10-12).

Ondersteuning en begeleiding

Engelen ondersteunen ook de gebeden van Gods kinderen: ‘En er kwam een andere engel, die met een gouden wierookvat bij het altaar ging staan. Hem werd veel reukwerk gegeven, om het samen met de gebeden van al de heiligen te offeren op het gouden altaar voor de troon. De rook van het reukwerk steeg, samen met de gebeden van de heiligen, uit de hand van de engel omhoog, voor het aanschijn van God’ (Openb.8:3,4). Engelen staan ook de gelovigen bij in het uur van hun dood:

  • ‘Toen kwam de arme te sterven; de engelen droegen hem in de schoot van Abraham’ (Lucas 16:22).