Een zoon van God

‘Abba, Vader’

Het is gewoonweg grandioos om als opnieuw geboren christen aangesproken te worden als ‘zoon van God’. In Galaten 4:6 en 7 staat: ‘Omdat u zonen bent, heeft God de Geest van zijn Zoon uitgezonden in onze harten, de Geest die: Abba, Vader roept. Dus bent u niet meer slaaf, maar zoon; en als een zoon, ook erfgenaam van God’. Door het levende en blijvende woord van God, dat eeuwig leven verwekt en onveranderlijk is, in geloof te aanvaarden, wordt ons denken vernieuwd en worden wij opnieuw geboren, dus kinderen van de goede God. Voortaan oriënteren wij ons niet meer op de aarde maar op de hemelse gewesten, want daar heeft onze Vader ons ‘mee een plaats gegeven in Christus’.

Bij de schepping werd Adam gevormd uit de elementen van de aarde; daarna blies God de ménselijke geest in hem, waardoor hij in de zichtbare wereld als ‘zoon van God’ kon functioneren met kwaliteiten die ver uitgingen boven die van de levensgeest van de dieren. Bij de herschepping ontvangen kinderen van God bovendien de góddelijke geest, waardoor zij in de onzichtbare wereld als zonen van God kunnen werken met de gaven van de godheid. De geest van de christen is zo verbonden met de Geest van God en krijgt ‘deel aan de goddelijke natuur’. De Heilige Geest schrijft de wetten van het hemelse Koninkrijk in het hart en het verstand. Hij geeft ook kracht om aan de satan weerstand kunnen bieden, zodat men echt vrij wordt.

In de genoemde tekst wordt tot de ware christen gezegd: ‘Jij bent een zoon van God, een erfgenaam’. Jij bent geen slaaf meer van de wet en ook geen slaaf meer van de zonde. Als mondige zoon heb jij recht op de hele erfenis, die door God aan onze geloofsvader Abraham werd beloofd. De Heilige Geest is daarvan het onderpand, dat God schenkt vanwege een eeuwigdurende relatie.

Dit goddelijke zoonschap wijst op een persoonlijke rijkdom, op een meer dan overwinnaar zijn. Wie het aanvaardt, weet zich een uitverkoren christen, want onmondigheid verdwijnt voor de volwassenheid. De zoon heeft zijn plaats ingenomen in de hemel en zal niet meer ‘met elke wind meewaaien, met wat er maar verkondigd wordt door mensen die tot alles in staat zijn wanneer ze anderen listig en doortrapt op een dwaalspoor willen brengen’. Zijn instelling is niet vleselijk, maar hij denkt en handelt vanuit zijn hoge positie.

In ons roept de Geest: ‘Abba, Vader’. Het Griekse woord ‘pater’, vader, is de vertaling van het Aramese ‘abba’, dat de lezers van Paulus brieven niet kenden. ‘Abba’ is een woord dat Jezus vele malen in zijn moedertaal, het Aramees, heeft gebruikt. Volgens woordgeleerden kan het weergegeven worden door ‘mijn Vader’, waardoor de algemene term ‘onze Vader’ meer persoonlijk overkomt en een sterke gevoelswaarde krijgt. Ook nu nog mogen ‘de zonen van God’ in hun zingen en bidden met dit Aramese woord hun intieme relatie met de Vader uitdrukken, zoals Jezus dit ook deed.

Paulus spreekt hier zelfs in enkelvoud: ‘Als je zoon bent, dan ben je erfgenaam door toedoen van God’ en uit louter genade. Hij legt daarmee de christen wel een unieke belijdenis op de lippen, want zeg het nu maar eens hardop: ‘Ik ben een zoon van God’. Het zal u goed doen. U hoeft dus niet de leugen te belijden: ‘Ik ben een groot zondaar voor God en ook nog gedoemd dit tot mijn dood toe te blijven’. Hiermee onderstreept u dat de duivel uw vader is en u zijn wens volbrengt. Als u zo’n negatieve slogan gelooft, doet u dit tot bevestiging van eigen ongerechtigheid. Als u dit voortdurend met uw mond uitspreekt, getuigt u tot eigen verderf.

In de worsteling tegen de boze geesten zal men zich moeten verheffen. Daarmee ontzegt men de door God verworpen demonen het recht de heerlijke naam van ‘zonen van God’ te dragen. In geloof mag men deze eretitel voor zichzelf opeisen. ‘Als uw hart gelooft, zult u rechtvaardig worden verklaard; als uw mond belijdt, zult u worden gered’. Wie gelooft dat hij een rechtvaardige is, zal ook als zodanig herkenbaar worden. Wie gelooft dat hij een zoon van God is, zal als zodanig geopenbaard worden. Een rechtvaardige zoon van God lééft uit dit geloof en heeft niet langer een twijfelachtig en onzeker bestaan.

Het epithon-ornans (versierende uitdrukking), goddelijke zoon en erfgenaam, schenkt autoriteit en kracht om tijdens een niet aflatende strijd, door toedoen van de God van Vrede, de satan spoedig onder de voeten te vertreden. In de oorlog bij Armageddon schreeuwen de tegenstanders onder leiding van de antichrist: ‘Laat ons de erfgenamen doden, opdat de erfenis aan ons komt’. In deze beslissende slag zal echter blijken, dat Christus eenmaal is gestorven ‘om vele zonen tot heerlijkheid te brengen’.

‘Want echt waar, God neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het geestelijk zaad van Abraham aan!’