8. Het stervensproces en de dood

<<<<<

God zegt in Genesis 3:19 wat de gevolgen van de zonde zijn:

  • ‘Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug.’

God spreekt met Adam en Eva over het komende einde van hun leven op aarde, over het sterven. En daarmee komt Hij terug op de waarschuwing uit Genesis 2:17 in verband met het eten van de boom van kennis van goed en kwaad: ‘Als je daarvan eet, zul je zeker sterven’. Moeite en pijn zullen de mens achtervolgen totdat hij tot de aardbodem terug keert. Pas dan zal het voorbij zijn. De NBG-vertaling geeft in dit vers aanleiding tot een misverstand: “Totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent…” Het voegwoord ‘omdat’ verbindt het voorlopige einde van de mens ten onrechte aan zijn formatie uit stof. Alsof de mens gemaakt was om te sterven. Maar dat klopt niet! God zegt:

  • ‘Stof ben je, tot stof keer je terug’ (Gen.3:19b).

Dit ‘stof’ zijn van de mens doelt op de aanwezigheid van een natuurlijk, stoffelijk lichaam. Daarin is niets minderwaardigs. De hele mens, naar geest, ziel en lichaam, is juist bestemd voor de verheerlijking. Doordat de mens gezondigd heeft, zal zijn door zonde en dood vernederde lichaam daarom tot stof moeten terug keren. God spreekt met Adam en Eva over het komende einde van hun leven op aarde, over het sterven. En daarmee komt Hij terug op de waarschuwing uit Genesis 2:17 in verband met het eten van de boom van kennis van goed en kwaad: ‘Als je daarvan eet, zul je zeker sterven’. Met dit ‘sterven’ wordt het in (geestelijke) ballingschap raken bedoeld en de daarbij behorende ellende. Dit gebeurt door de macht  van de Dood in het leven van de mens. Het gaat direct na het zondigen werken. Adam en Eva hadden dit al ervaren. Zij waren al begonnen te sterven (Rom.7:9).

Het sterven van mensen is niet zozeer een eenmalig gebeuren aan het eind van een leven, maar veel meer een proces dat tijdens het leven al in gang is gezet. De mens krijgt al snel te maken met achteruitgang en verval. Dit negatieve proces is niet uit God en daarom ook niet van de mens. Door de zonde komt de mens in deze neergaande spiraal terecht. De mens is door God geschapen voor een leven in twee werelden: hij heeft een geestelijk en een natuurlijk lichaam. Het proces van sterven van mensen begint in de geestelijke wereld. Zodra Dood zijn intree doet in het leven van de mens, komt er een rem op alles wat God in het leven van mensen wil: ontwikkeling en groei naar volheid. Er wordt door Satans demonen een zekere scheiding en afstand aangebracht tussen de mens en zijn God. De mens kan echter nog altijd leven in het licht van het Koninkrijk van God. Pas als de mens werkelijk in de zonde gaat ‘leven’ en de duisternis liever heeft dan het licht (Joh.3:19), komt hij in de negatieve invloedssfeer van Satan en zijn demonen. Deze totale misvorming ontstaat niet direct, maar is het resultaat van een volharden in de zonden.

Het gevolg van de zondeval – De dood

De verandering in de geestelijke situatie van de mens is een duidelijke vernedering. In plaats van naar Gods bedoeling te kunnen heersen over alle dingen, wordt de mens vanaf dat moment overheerst door machten uit het dodenrijk. Hij heeft zijn leven daardoor niet meer in eigen hand en kan het dus ook niet meer tot een goed einde brengen. Het kan niet meer zonder ingrijpen van buitenaf tot zijn goddelijke bestemming komen. Deze vernedering werkt door in het hele leven van de mens. De Bijbel spreekt in dit verband over een vernederd lichaam (Fil.3:21). Daar wordt dus niet alleen het natuurlijke lichaam mee bedoeld. De mens is door de zonde naar geest, ziel en lichaam onderworpen aan een mens vijandige macht, die niets anders wil dan zijn ondergang. Die vernedering is overal terug te zien. Het menselijke denken en doen is er door beïnvloed. De hele wereld is erdoor veranderd:

  • Fouten en vergissingen zijn ‘menselijk’ geworden.
  • Onvolmaaktheid is norm geworden.
  • Het goede en geordende kan niet langer gewaarborgd worden.
  • De absolute veiligheid en geborgenheid evenmin.
  • Wantoestanden, geweld, en ongelukken zijn niet meer te voorkomen.
  • Het kwade wordt goed genoemd en het goede kwaad.
  • Mensen weten niet meer hoe het vanaf het begin is geweest; dat alles zeer goed was.
  • Door de macht van de dood wordt de mens in zijn leven innerlijk verdeeld.
  • De harmonie tussen het geestelijke en natuurlijke lichaam is er niet meer.
  • Het geestelijk lichaam kan niet langer in optima forma als levensgeest in het natuurlijke lichaam functioneren.
  • Ziektemachten kunnen toegang krijgen tot de hemel van de mens en allerlei ziekten geven.
  • Hierdoor wordt een verder uiteenvallen van het zo prachtig door God geschapen menselijk lichaam geforceerd.
  • En zo gaat het proces van sterven verder…

Het eindpunt van dit proces is de lichamelijke dood. Het verband tussen het geestelijke en natuurlijke lichaam kan dan niet meer worden vastgehouden. Het geestelijke lichaam kan het natuurlijke lichaam niet meer onderhouden. Er ontstaat een scheiding tussen wat door God was samengevoegd. Het geestelijke lichaam van de mens blijft in de geestelijke wereld bestaan in de situatie waarin het op dat moment verkeert. Het natuurlijk lichaam kan op zichzelf niet blijven bestaan. Het sterft af en valt uit elkaar. Het keert tot de aardbodem terug. Dit moment van overlijden wordt meestal het sterven genoemd. In wezen is dit moment dus het eindpunt van het’ stervensproces’. Het totale gebeuren van zondigen en sterven wordt in de Bijbel aangeduid met ‘de eerste dood’.

‘Het is voor de mensen vastgesteld één enkele maal te sterven’

De mens zal één maal sterven (Hebr.9:27). De Canisiusvertaling is op dit punt duidelijker: ‘Het is voor de mensen vastgesteld één enkele maal te sterven’. Met andere woorden: God wil voor geen enkele zondaar de tweede dood, de vuurpoel. Geen mens zal ooit door Jezus Christus of door God in de vuurpoel gebracht worden die in feite door de Satan en zijn demonen wordt gemaakt. God kan immers geen enkel kwaad scheppen, laat staan een vuurpoel. Als er bij het laatste oordeel mensen in deze poel ‘geworpen’ worden (Openb.20:15), is dat op grond van hun eigen keus – zij hebben tijdens hun leven de duisternis liever gehad dan het licht. Zij zullen op dat moment zélf – samen met de machten van de duisternis – naar deze afschuwelijke situatie vluchten.

Het dodenrijk met zijn afgrond

Met het overlijden van de mens is dit proces van zondigen en sterven voltooid. Er kunnen geen nieuwe zonden meer bij komen. De Dood krijgt dus ook geen extra macht meer over de mens. Het bestaan van de mens houdt echter niet op. In de geestelijke wereld blijft hij – in zijn geestelijk lichaam zijnde – voortbestaan. Zijn situatie in het dodenrijk wordt bepaald door wat hij in zijn leven heeft gedaan, hetzij goed, hetzij kwaad (2 Cor.5:10). Dit heeft al voor zijn overlijden geleid tot een positie aan de lichtzijde van het dodenrijk of in de duistere kant daarvan, de afgrond (Op.20:15). In deze situatie verandert na het lichamelijk sterven niets meer. Er treedt een ‘status quo’ in. De mens blijft ‘bewaard’ tot het laatste oordeel voor de rechterstoel van Christus. Het bovenstaande geldt voor allen die niet opnieuw geboren zijn. In hun leven is namelijk geen verandering gekomen door het werk van Jezus Christus. Het hele proces van sterven heeft zich daardoor in hun aardse bestaan geopenbaard.

Gods bedoeling?

Het hele proces van zonde en dood is uit de duivel en niet uit God. God heeft de mens niet uit stof genomen om hem in een later stadium weer tot stof te laten terug keren. Integendeel, de mens is van oorsprong bestemd om deel te hebben aan de goddelijke natuur en om van daaruit te delen in Gods heerlijkheid. Hij zou door middel van een proces van ontwikkeling in twee werelden, komen tot volwassenheid. Dit zien we al gerealiseerd in het leven van Jezus. Hij zegt:

  • ‘Verheerlijk Mij nu, Vader en bekleed Mij met de heerlijkheid die Ik bij U bezat voordat de wereld bestond’ (Joh.17:5).

Géén drie-eenheid

Deze tekst doelt niet op een bestaan van Jezus bij God vóór de wereld was zoals de katholieken en protestanten leren, maar op het bestaan van de heerlijkheid bij God, voor Hem en voor alle mensen. Dat is wat God voor mensen bedoelde. Dat ligt van voor de grondvesting van de wereld besloten in zijn plan, zijn Logos (Joh.1:1). En daar refereert Jezus op dat moment aan. Deze heerlijkheid ligt bij God voor elk mens persoonlijk klaar. Dat is zijn bestemming. Daar wordt ieder mens ook persoonlijk toe opgeroepen. Om tot dit einde te komen had God zich in zijn oneindige wijsheid voorgenomen om alles wat in de hemelen en op de aarde is, onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten.

Dit door God bedoelde proces van groei is door het proces van zonde en dood onderbroken. Zonder Gods ingrijpen zou dit voorbereidingsproces ook nooit meer opgenomen kunnen worden en dus ook niet meer kunnen worden voltooid. Maar God heeft wèl ingegrepen. In zijn zoon Jezus is de voorbereiding op de grote volheid van alle tijden weer in gang gezet. Hem heeft God nu, én tot Heer én tot Christus gemaakt (Hand.2:36). In Hem – Jezus Christus – zal nu alles worden samengevat. Hij is nu als Hoofd gegeven aan de gemeente. Hij zal alles in allen volmaken. Hij zal in deze voorbereidingsfase alles uitvoeren wat God heeft bedoeld.

Alle tranen zullen worden afgewist

Jezus zal – door zijn werk – ook alle gevolgen van het proces van zonde en dood in het menselijk bestaan uitwissen. Er zal geen dood, geen rouw en geen moeite meer zijn. Alle tranen zullen worden afgewist van hen die het goede willen en het kwaad haten. Ja, zelfs zo volledig, dat er nooit meer teruggedacht wordt aan wat vroeger eens was. Niemand zal er meer aan denken (Jes.65:17). De eerste dingen en dus ook de eerste dood, zullen dan voorbijgegaan zijn (Op.21:4). De heerlijkheid van God zal dan voor eeuwig bij en in de mensen zijn (vers 3). Zij zullen geheel naar Gods wil, als koningen heersen tot in alle eeuwigheden! (Op.22:5).

>>>>>