De volheid van de tijd

Toen de tijd gekomen was

Om duidelijk aan te tonen welke enorme verschuivingen bij de intree van het Woord van God in het vlees (Gods Logos, Joh.1:1) en bij het begin van het nieuwe verbond plaats gevonden hadden, schreef Paulus aan de Galaten:

  • ‘Maar toen de tijd gekomen was zond God zijn Zoon, geboren uit een vrouw en onderworpen aan de wet, maar gezonden om ons vrij te kopen van de wet opdat wij zijn zonen zouden worden’ (Galaten 4:4,5).

De apostel wees erop, dat deze grote ommekeer op een bepaalde en vastgestelde tijd gebeurde, namelijk toen de tijd gekomen was, ‘in de volheid des tijds’ (NGB 1951). In schepping en herschepping zijn bij God de dingen van eeuwigheid bekend. Het gaat als bij een groot bouwwerk, dat in verschillende fasen uitgevoerd wordt, maar waarvan de architect van tevoren het geheel in blauwdruk voor zich heeft. De tijdloze Vader knipt afgepaste stukjes van de eeuwigheid, die de tijdperken vormen, waarvan de duur alleen bij Hem bekend is. In dit verband spreekt Jezus over ‘wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen plaatsvinden’ (Hand.1:7).

Elke etappe heeft haar begin en voltooiing of volheid. Zo ging in een ogenblik het woord van God uit om de eerste schepping te laten ontstaan en tot ontwikkeling te brengen. Toen die tijd was gekomen, in die periode schiep Hij de mens naar zijn beeld en Hij verbond hem met zijn goddelijk wezen. Daarna kwam de val en een nieuw tijdperk begon. God liet eerst het kwaad opkomen, zodat de schepping bij haar herstel zijn barmhartigheid, ontferming en liefde zou leren kennen. De overste van deze wereld is eeuwenlang bezig geweest de mens en de schepping aan zich te onderwerpen. God stond dit toe, totdat zijn Zoon kwam om de mens te bevrijden en te verlossen.

Aan het einde van het eerste tijdperk na de zondeval bleek, dat de geest van de mens niet meer aan bod kwam: ‘Hij was vlees!’ (Gen.6:3). Hij kwam van het ene kwaad in het andere, zoals er staat: ‘Wie ook maar een beetje verstand heeft, doet zoiets niet’ (Mal.2:15). Bij de volheid van dit tijdperk, toen ‘de aarde vol was van geweld’ kwam de grote catastrofe, waarin ‘al wat leefde’ in de zondvloed omkwam.

Een ander tijdperk brak aan. Met het vermenigvuldigen van de mensheid werd opnieuw de ongerechtigheid meer en meer, zelfs in occultisme en afgoderij. De Heer koos toen Abraham: ‘Want Ik heb hem uitgekozen, hij moet zijn zonen en zijn verdere nakomelingen voorhouden de weg te volgen die Ik wijs, door rechtvaardig en goed te handelen’ (Gen.18:19). Aan zijn nageslacht probeerde God zijn reddingsplan duidelijk te maken en zijn naam, die verloren dreigde te gaan, te bewaren. Israël was in de zichtbare wereld de blauwdruk van wat God eenmaal in de onzienlijke wereld tot stand zou brengen. Door de tempeldienst, het priesterschap, de ceremoniën en de offers tot verzoening, kwamen ‘een afbeelding en schaduw van het hemelse’ tot stand (Hebr.8:5).

Zoals Israël zich in de natuurlijke wereld gedroeg, zo zou de kerk van het nieuwe verbond zich in de geestelijke wereld openbaren. Zoals dit volk overgezet werd uit Egypte in Kanaän, zo zou de gemeente uit de macht van de duisternis overgeplaatst worden in het Koninkrijk der hemelen. Zoals men in het oude verbond tegen de omringende vijanden streed, zo zou Gods volk de worsteling hebben tegen de verleidende en verleugenende machten in de hemelse gewesten.

Bij de geboorte van Jezus was de tijd aangebroken, dat de bedeling van de wet tot haar volheid kwam. Het einde van het natuurlijke, het zichtbare en het schaduwachtige was gekomen.

  • ‘Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen’ (Hebr.8:13).

Met de komst van Jezus begon God met de hemelse werkelijkheid. Het grote engelenleger in de landstreek van Bethlehem getuigde hiervan. Voortaan is sprake van het evangelie van Jezus Christus of dat van het Koninkrijk der hemelen.

Zoals steeds een ‘volheid des tijds’ en een nieuw begin slechts bij weinigen bekend was en aanvaard werd, zo ook nu. Alleen Noach en Abraham waren in hun tijd zich bewust van de afbraak van het oude en de komst van het nieuwe. Bij de geboorte van Jezus zijn het de enkelen, die hun tijd begrepen en die zich realiseerden dat God grote en nieuwe dingen ging doen. Het begon zo pril: een kind in doeken gewikkeld, maar ook in het leven van Jezus zien wij een ontwikkelingsproces. Zoals ieder kind in zijn gelovige ouder geheiligd is, zo stond zijn hemelse Vader voor Hem op de bres. Hij was door de Vader geheiligd (Joh.10:36). Zijn Vader bewaakte niet alleen het zo kwetsbare natuurlijke leven van zijn Zoon, zoals bij de kindermoord te Bethlehem, maar bewaarde Hem ook onbesmet naar de innerlijke mens in deze duistere wereld. Jezus werd door de Vader volmaakt geheiligd.

Toen kwam de doop in Heilige Geest, waarna Hij een voorbeeld werd van de mens, die in volmaaktheid door de Heilige Geest geleid wordt. Vanaf het ogenblik dat zijn menselijk verstand in Hem functioneerde, wist Jezus dat God zijn Vader was en dat Hij Deze gehoorzamen moest. Als twaalfjarig kind zei Hij: ‘Wist u niet, dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ Door zijn grote Schriftkennis en inzicht kon Hij zich als Messias identificeren. Hij was de eerste die de wet en de profeten geestelijk interpreteerde. Men las immers wat er stond, maar Jezus maakte de profetieën los uit de natuurlijke wereld en zette ze over in de onzienlijke wereld.

Daarom stonden de schrift- en wetgeleerden in zijn jeugd al versteld over zijn Bijbelse exegese en later verwonderde de menigte zich over zijn leer. Met woord en daad verkondigde Hij het evangelie en opende het verstand van zijn leerlingen, zodat zij de wet en de profeten op geestelijke wijze zouden leren begrijpen. Door zijn wonderen en tekens toonde Hij aan, dat het Koninkrijk van God op het herstel van de mens naar lichaam, ziel en geest gericht is. Dit betekende voor de geredde en herstelde zondaar of zieke ‘vrede op aarde’.

Dan breekt voor Jezus de periode van dit tijdelijke leven aan. Hij zei:

  • ‘Ik heb op aarde uw grootheid getoond door het werk te volbrengen dat u mij opgedragen hebt’ (Joh.17:4).

Hij had de hemelse realiteit in deze wereld geopenbaard. Nog één werk moest Hij doen: Hij moest de weg openen, zodat velen tot deze heerlijkheid zouden kunnen komen. Hij nam aan het kruis in de onzienlijke wereld de zondeschuld weg, die de scheiding was tussen God en de mens. Na zijn heengaan schonk Hij Gods Heilige Geest aan allen, die erom baden. Door deze doop in de Geest zouden ook zijn volgelingen het ‘recht van zonen’ kunnen uitoefenen.

Zo komt er telkens een nieuwe periode. Er ontwikkelde zich een valse kerk, die haar kracht en heerlijkheid in de natuurlijke dingen zoekt. Dit onkruid in de bossen van de eenheidkerk wordt gebundeld. De openbaring van de zonen van God, die door de Heilige Geest voor Jezus op aarde het werk voltooien, gaat ook plaatsvinden, zodat de ‘vrouw van het Lam’ ‘stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks’ zijn zal.

Telkens wanneer een tijd gekomen is en er een periode afgesloten wordt, heeft er een scheiding plaats: een deel gaat onder en een rest, hetzij groot of klein, wordt behouden om haar taak in de volgende periode te beginnen. Dit gebeurde bij Noach, maar ook bij Abraham, die apart gezet werd, terwijl God de anderen overgaf aan hun afgoderijen en hartstochten, zodat ze als heidenen van het heil verstoken waren (Rom.1:18-32). Dit gebeurde ook bij de geboorte van Jezus. Met Hem begon een nieuw verbond met allen, die de Vader Hem uit de wereld schonk, terwijl het natuurlijke en hardnekkige volk Israël met stad en tempel prijs gegeven werd.

Aan het einde van het tijdperk van het christendom wordt nogmaals een scheiding voltrokken, wanneer de zonen van God weggenomen worden om in een nieuwe tijdsbedéling ingezet te worden. Als die tijd komt ‘in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk wanneer de bazuin het einde inluidt’ wordt de gemeente getransformeerd voor een nieuwe taak (1 Cor.15:52). De achtergebleven verbasterde kerk, het grote Babylon, gaat dan onder in een zondvloed van vuur, dat zijn de vernietigende boze machten.

In het volgende tijdperk van ‘duizend jaren’ wordt de hele schepping door de zonen van God hersteld (Rom.8:19). In het vuur van de beproeving aan het einde van dit vrederijk komt weer een scheiding. Wat onstandvastig en ondeugdelijk blijkt, wordt geoordeeld. Met de tweede opstanding, waarin de definitieve scheiding tussen de doden tot stand gebracht wordt, wordt deze ‘volheid des tijds’ afgesloten. Dan volgt de laatste ‘eeuw’ van herstel. De rechtvaardigen uit het oude verbond, in wie nooit Gods Heilige Geest gewoond had, worden dan door de gemeente van Jezus Christus naar de innerlijke mens tot de volkomenheid gebracht.

  • ‘De bladeren van de levensboom (de gemeente) brachten de volken genezing’, zoals geschreven staat: ‘zodat Hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken’ (22:2 en Hebr.11:40).

Dan is de stad van God voltooid en beantwoordt zij aan de blauwdruk van de grote ‘ontwerper en bouwmeester’ (Hebr.11:10). Dan is ‘God alles in allen’ (1 Cor.15:28), want zijn Geest vervult het nieuwe Jeruzalem en er is niets in de hemel en op de aarde, dat niet aan zijn wet en zijn wil gehoorzaamt en niet aan het doel beantwoordt.