De toorn van God

  • ‘En vanuit de hemel openbaart Gods toorn zich over al het kwaad en onrecht van hen die met hun onrechtvaardigheid de waarheid geweld aandoen’ (Romeinen 1:18).

Bijbelteksten

Wat wordt onder ‘toorn’ verstaan? Een woordenboek omschrijft dit woord met de synoniemen: gramschap, driftvervoering en boosheid. Toorn is dus een gemoedsbeweging en geen bestraffing. Die bestraffing kan wel het gevolg ervan zijn. Hierin kan de toorn zich openbaren. Het Griekse woord ‘orgè’ dat in Romeinen 1:18 gebruikt wordt, betekende oorspronkelijk een natuurlijke impuls, een verlangen, een gemoedstoestand. Later gebruikte men dit woord voor de krachtigste emoties van de mens, nl. de gramschap en de drift. In Romeinen 13:4 wordt letterlijk gezegd, dat het gezag van de overheid wreker is van toorn. Hier betekent ‘toorn’ het ongenoegen of mishagen van menselijke autoriteiten (Vine’s expository dictionary). Romeinen 1:18 zou dus – in verband met de hoogste autoriteit in hemel en op aarde – zo gelezen kunnen worden:

  • ‘Want het ongenoegen of mishagen van God openbaart zich van de hemel’.

Waarom dit ongenoegen? Het antwoord is vanwege ‘alle kwaad en onrecht van mensen’. Zij hebben immers gemeenschap met boze geesten. Zondemachten maken een scheiding tussen God en de mens (Jesaja 59:2). Wat is het gevolg van dit ongenoegen? Dat Gods (vriendelijk) gezicht door deze scheiding verborgen wordt. In Deuteronomium staat: ‘Dan zal Ik in toorn tegen hen ontsteken, Ik zal hen aan hun lot overlaten en me van hen afkeren’. Het gevolg ervan is: ‘zodat zij kwetsbaar zijn geworden en ze ten prooi zullen vallen aan allerlei ellende en tegenspoed’.

God wendt zijn gezicht af

Wanneer God zijn gezicht verbergt, wanneer Hij toornt, omdat de mens gemeenschap heeft met boze geesten, worden zij door die demonen helemaal overweldigd. Wanneer zij zich dan tot God bekeren, dus tot God naderen, zal Hij tot hen naderen (Jacobus 4:8). In ditzelfde vers vermaant Jacobus de zondaar om weerstand te bieden aan de duivel. God blijft immers altijd dezelfde: wie tot Hem nadert, zal zijn gezicht weer zien. Dan zal God hem weer bijstaan en helpen om de opdringende machten van het rijk van de duisternis te overwinnen. Wanneer de zondaars echter blijven volharden, dan lezen we in Romeinen 1:24 het vervolg:

  • ‘Daarom heeft God hen in hun lage begeerten uitgeleverd aan zedeloosheid, waarmee ze hun lichaam onteren’.

In het boek ‘Bijbelse woorden en hun geheim’ staat deze opmerking:

  • ‘Wat de toorn van God is, kan blijken uit de synonieme, parallelle uitdrukkingen. Wij vinden deze onder andere in 2 Kronieken 30:9: ‘God wendt zijn aangezicht af’ en in Psalm 13:2: ‘Hij verbergt zijn aangezicht’. Dat houdt in dat Hij naar zijn volk niet meer omziet en ophoudt erover te waken (aangezicht afwenden). Het aangezicht verbergen is een beeld aan het licht van de zon ontleend. Gods aangezicht is het licht van Israël: ‘De Heer doe zijn aangezicht over u lichten’ (Numeri 6:25). Als Hij zijn vriendelijk aangezicht laat schijnen, is het leven zonder angst en zorg. Maar als Hij het verbergt, valt er duisternis over land en volk. Dan gaan de machten van de duisternis heersen: ziekte, plagen, dood (Psalm 104:29). De toorn van God is het tegenovergestelde van zijn goedheid of gunst.’

Een goede raad

Wanneer een vader op zijn kind toornig wordt, omdat het hem mishaagt, wordt zijn vriendelijk vaderhart versluierd. Hij moet dan wel toezien dat hij zelf niet door de duivel wordt gepakt en op een verkeerde manier naar het kind reageert. De Schrift zegt tot zo’n vader: ‘Als u boos wordt, zondig dan niet’ (Efeze 4:26). Het kind moet geholpen worden en dit kan alleen, wanneer de vader scheiding maakt tussen het kind en de macht door wie het wordt overweldigd. In het onderwijsblad ‘De Vacature’ lazen we enkele opmerkingen over straffen, die ook voor vaders en moeders gelden:

  • ‘Daarom hier een goede raad, ook tegelijk een heel moeilijke: oefen je erin, het uitspreken van een straf uit te stellen. Liefst een paar uur. Je voorkomt er ook mee domme, overdreven dingen te zeggen. Leerlingen te beledigen (en dat is erg). Straf uit te delen die, achteraf bezien, toch niet redelijk is… enzovoort. Gebruik dan dat uitstel om rustig met jezelf te rade te gaan, of, als het meer betreft dan een gewone schoolovertreding, met een ervaren collega, wiens raad je op prijs stelt. Of in de middagpauze, thuis met je vrouw… Een goede raad maar een moeilijke. Deze: geen straf opleggen ‘à bout portant.’ Ik weet het. Je moet jaren vechten tegen de zeer menselijke neiging kort recht toe te passen. Maar het leert wel aan. Je voorkomt ermee ‘s avonds voor jezelf te erkennen dat je het te bont hebt gemaakt met je (te) heet opgediende straf. Dat zal dan lang een onplezierig gevoel geven. Of: als je de volgende dag je fout herstellen wilt… Het boetekleed mag een man dan al niet ontsieren, het zit nooit erg gemakkelijk en elegant’. Daarom hier de Oudhollandse spreuk: ‘Het is geen schande te vallen, ‘t is schande om niet op te staan’. Telkens weer opkrabbelen en weer beginnen. En wie in wanhoop denkt: ik leer het nooit, ik ben niet geschikt voor dit werk, deze ervaring: als je doorzet, kóm je er’.

Gelden de woorden van Jezus hier ook niet:

  • ‘Want de kinderen van deze eeuw zijn verstandiger dan de kinderen van het licht, in de omgang met hun gelijken en met hun kinderen!’  (Lucas 16:8)?