De oplossing van het zondeprobleem

Niet tegen zichzelf strijden

De apostel schrijft in Efeziërs 6 dat wij geen strijd hebben tegen vlees en bloed; dus ook niet tegen eigen vlees en bloed. Vrome geesten leren, dat niet alleen de duivel, maar ook de mens in wezen zondig is. Zij brengen de mens op een dwaalweg door hem te laten zingen: ‘O, van mijzelf verlost te zijn!’ Maar Jezus leert Zijn volgelingen bidden: ‘Verlos ons van de duivel!’ De Bijbel leert nergens, dat wij tegen onszelf moeten strijden en onszelf moeten verliezen. Dit laatste is het ergste wat de mens overkomen kan. Jezus zei: ‘Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?’ (Lucas 9:25).

Een mens van nature verdorven en gelijk aan satan?

Het gevolg van deze valse voorstelling is, dat de mens niet meer de satan en zijn demonen bestrijdt, maar zichzelf en daarmee zijn weerstand verkleint en de duivel in de kaart speelt. Er is er maar één die er belang bij heeft om de mens even verdorven voor te stellen als hijzelf. De belijdenis: ‘Zo ben ik nu eenmaal’ houdt in dat de mens naar eigen mening niet meer te verlossen of te redden is. Door identificatie met de satan wordt de verlossing onmogelijk, want de mens kan alleen maar verlost en bevrijd worden van iets wat niet bij hem hoort. Zichzelf verliezen doet men alleen, als men door de duivel wordt overweldigd. Als een mens zichzelf verliest, valt hij in de klauwen van de duivel, die hem overmeestert, van zijn vrijheid berooft en beschadigt. Een mens, die door de duivel gebruikt wordt, komt er nooit ongeschonden door.

Satans demonen gebruiken geweld en onderdrukking. Jezus is juist gekomen om de mens van overweldiging te bevrijden en de geschondene te herstellen, zodat hij echt mens wordt, zoals God het bedoeld heeft. Gods Geest wil in vrijheid een liefdesgemeenschap hebben met de herstelde geest van de mens, zodat de zuivere vrucht daarvan geopenbaard kan worden. Er staat in Ezechiël 36:26: ‘Ik zal u een nieuw hart en een nieuwe geest geven, ik zal uw versteende hart uit uw lichaam halen en u er een levend hart voor in de plaats geven.’ Met een nieuw hart en een nieuwe geest wordt een vernieuwd hart en een vernieuwde geest bedoeld, want de inwendige mens wordt vernieuwd, zoals er staat: ‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw’ (Openb.21:5). God maakt geen nieuwe dingen, maar Hij herstelt door zijn Zoon de hele schepping. Een nieuwe inwendige mens wordt ontvangen na bekering door bevrijding, verlossing en genezing, zodat het hart zich voortaan richt op de levende God. Deze vernieuwing gebeurt niet in één moment, maar de apostel schrijft: ‘Ons innerlijke bestaan wordt van dag tot dag vernieuwd’ (2 Cor.4:16).

Kastijden van zichzelf?

Eén van de vruchten van de Heilige Geest is de zelfbeheersing, dat betekent dat de wil van de mens zijn geest beheerst en richt. Zo zijn bijvoorbeeld ook de geesten van de profeten aan de profeten onderworpen. Raakt de mens zijn zelfbeheersing kwijt, verliest hij zichzelf, dan heeft hij niet meer de controle over zijn geest en wordt hij een gewillige prooi van de vijand. In veel kringen gelooft men, dat God de menselijke geest eerst wil verbreken en verbrijzelen. Dit geldt ook voor zijn wil en zijn hart. Ja, men zingt zelfs: ‘Verbreek mij maar geheel!’ Daar hoort dan het lichaam ook nog bij. Inderdaad denkt menige ‘vrome’ door kastijding van het lichaam God een plezier te doen. Zo redenerend komt men ertoe te belijden, dat ziekte een zegen is, die uit Gods vaderhand ons toekomt. Bij het gebed: ‘verbreek mij maar geheel’ wordt het werk van de boze geesten openlijk van God afgesmeekt, alsof God blij zou zijn met menselijke puinhopen en wrakken!

De grote aanklacht van psalm 51

Als David in Psalm 51 over zijn zware misdaden spreekt, belijdt hij dat zijn geest verbroken is en zijn hart verbrijzeld. Dit was het werk van de zondemachten in zijn leven. In zijn benauwdheid en zijn angst, dat God Zich nu zou afwenden, roept hij uit:

  • ‘U veracht niet een verbroken geest en een verbrijzeld hart, o God’. Integendeel: ‘God geneest wie gebroken zijn en verzorgt hun diepe wonden’ (Ps.147:3). ‘De Heer is gebroken mensen nabij, Hij redt wie zwaar wordt getroffen’ (Ps.34:19).

God verbreekt de geest van de mens niet, maakt hem niet ziek en verbrijzelt zijn hart niet, maar geeft het ‘overvloed van eten en blijdschap’ (Hand.14:17). Jezus is gekomen om te herstellen, te redden, te verlossen en te genezen: ‘De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was’ (Lucas 19:10). Hij maakt de gevangenen vrij en verbreekt hun ketens. Daarom zegt de Schrift: ‘Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd!’ (Fil.4:4).

De oplossing

De oplossing van het zondeprobleem vereist allereerst een juist inzicht. Er is een mens (Jezus), die eerst de vijand, zijn wezen en zijn werk openbaar gemaakt en overwonnen heeft en hem nu in de onzienlijke wereld in de inwendige mens overwint. Van de Heer wordt gezegd: ‘Hij heeft zich ontdaan van de machten en krachten, hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en over hen getriomfeerd’ (Col.2:15). Zijn hele leven op aarde is Hij hiermee bezig geweest en Hij is nu dezelfde als gisteren, want door zijn dienstknechten doet Hij dezelfde werken. Hij ontwapent ze door hun intimidaties te weerstaan, hun beschuldigingen te weerleggen, hun bedreigingen te negeren en hun verzoekingen te overwinnen, alles met het zwaard van de Geest, het woord van God. Als de apostel uitroept:

  • ‘Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood (dat dus functioneert naar de wil van de zondemachten)?’, is het antwoord: ‘Dat doet God! Dank aan hem door Jezus Christus, onze Heer’ (Rom.7:24,25).

Afgerekend met de zonde

Alleen het systeem van oplossing, dat Jezus gebruikte, is adequaat. Hij werkte volgens de wetten van de Geest. De manier waarop Hij satan en zijn demonen aanviel, gaf de enige oplossing: ‘Waartoe de wet niet in staat was, machteloos als hij was door de menselijke natuur, dat heeft God tot stand gebracht. Vanwege de zonde heeft hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend’ (Rom.8:3).

Boze geesten zijn sterker dan de wetten van de Sinaï

Het vlees (dat is ons lichaam, maar ook ons denken, ons willen, ons gevoel en verstand) staan onder de heerschappij van de boze geesten in en om ons. Satans demonen en hun wetten zijn sterker dan de wet van de Sinaï en de geest van de mens, die haar moet vervullen. De boze machten winnen het steeds en de mens blijft zondaar.

Wat heeft Jezus nu gedaan?

Hij heeft deze machten veroordeeld in het vlees. Op grond van zijn lijden en sterven werd hun het recht ontzegd nog langer in het vlees te opereren. Jezus wierp de duivelen uit en Hij beval zijn volgelingen hetzelfde te doen. Hij zei: ‘Maar als ik door de Geest van God demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij u gekomen’ (Matth. 12:28). De mogelijkheid is zo geschapen dat de mens onttrokken wordt aan de heerschappij van de duivel. Dit moet ook, want de zondaar heeft immers geen erfdeel in het Koninkrijk van God (Gal.5:21).

Christus, hogepriester van een beter verbond

Er is een wet van zonde en ziekte. Het woord wet wijst op de systematische en wetmatige werkzaamheden van het rijk van de duisternis, waardoor deze de mens in slavernij brengen en hem erin houden. Maar er is ook een andere wet, namelijk die van de Heilige Geest. ‘De wet van de Geest die in Christus Jezus leven brengt, heeft u bevrijd van de wet van de zonde en de dood’ (Rom.8:2). Deze uitspraak doet de apostel pas, als de vraag beantwoord is: ‘Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?’ De nieuwe wet werkt dus ook pas in de inwendige mens. Het kenmerk van het nieuwe verbond is immers, dat God zijn wetten in het verstand zal leggen en in de harten schrijven. Men wordt dus niet meer ‘bij de hand genomen’, zoals Israël in de woestijn, maar men wandelt zelf naar de wetten van God door impulsen van binnen uit (Hebr.8:9,10).

Jezus, ons voorbeeld

Het is mogelijk om naar de wil van God te leven. Jezus heeft dit bewezen, omdat Hij een vlees had ‘aan dat van de zonde gelijk’. Hij had hetzelfde vlees, dezelfde menselijke natuur, hetzelfde menselijk lichaam, dezelfde menselijke geest, waarin bij alle andere mensen de machten van de duisternis werkzaam waren. Hij gehoorzaamde echter met geest, ziel en lichaam aan de Heilige Geest; omdat Hij vrij was van elke zondemacht. Zijn Vader had Hem geheiligd vanaf zijn geboorte tot aan Zijn doop in Heilige Geest bij de Jordaan (Joh. 10:36). Hierin werd Hij een voorbeeld voor allen, die door de Geest verlost, bevrijd en geheeld zijn. Voor dezen geldt: ‘Want allen, die door de Geest van God geleid worden, zijn zonen van God’ (Rom.8:14). 

Een kind van God kan niet gebonden zijn?

Velen zeggen ook dat een kind van God niet gebonden kan zijn. De wens is hier de vader van de gedachte. Het moest wel zo zijn, dat een kind van God niet gebonden is, maar dit kan alleen door de wetten van de Geest. Paulus bevrijdde allen, die tot het geloof kwamen. Hij schreef aan de Corinthiërs waarvan velen verschrikkelijke zonden gedaan hadden: ‘Maar u bent gereinigd, u bent geheiligd, u bent rechtvaardig verklaard in de naam van de Heer Jezus Christus en door de Geest van onze God’ (1 Cor.6:11). Eerst hadden de Corinthiërs de schuldvergeving aangenomen. Zij waren gewassen in het bloed van het Lam. Toen werden zij geheiligd, dat wil zeggen afgezonderd van de boze geesten en geheeld. Door de Geest van God waren zij vrijgemaakt en heel gemaakt. Duivelen waren uitgeworpen, zieken met olie gezalfd, handen waren opgelegd en de geestelijke gaven waren werkzaam. Daardoor waren zij gerechtvaardigd, dat wil zeggen zo gemaakt, dat zij naar de wetten van God konden leven:

  • ‘Door hem bent u in elk opzicht rijk geworden .. en hierdoor ontbreekt het u terwijl u op de komst van onze Heer Jezus Christus wacht, aan geen enkele gave van de Geest .. Hij is het ook die u tot het einde toe de zekerheid geeft dat u geen blaam zal treffen op de dag van onze Heer Jezus Christus’ (1 Cor.1:5-8).

De wet van de Geest leidt de kinderen van God van de schuldvergeving door het lijden van Jezus naar het kindschap van God en via de verlossing, de genezing en de doop in Gods Geest tot het staan in de wapenuitrusting, toegerust tot dienstbetoon. Opgroeiend naar de volkomen volwassenheid en ernaar strevend om in dit leven het doel te bereiken, dat Christus zich voorgesteld heeft.

Want de wil van God is wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is (Romeinen 12:2).