De hoge weg

  • Daar zal een gebaande weg zijn, die de heilige weg genoemd wordt; geen onreine zal die betreden; maar hij zal alleen voor hen zijn; reizigers noch dwazen zullen erop dolen. Daar zal geen leeuw zijn en geen verscheurend dier zal daarop komen; zij worden daar niet gevonden. Maar de verlosten wandelen daarop; de vrijgekochten van de Heer zullen terugkeren en met gejubel in Sion komen; eeuwige vreugde zal op hun hoofd zijn, blijdschap en vreugde zullen zij verkrijgen, maar kommer en zuchten zullen wegvluchten’ (Jesaja 35:8-10).

Eind goed, al goed zou men zo maar kunnen zeggen als men dit leest. Maar deze tekst moet in het juiste verband gezien worden, waarin Jesaja deze uitspraak doet: de strijd tussen enerzijds het volk van God dat afdwaalt en in de natuurlijke dingen zijn kracht vindt en anderzijds het volk van God dat de hoge weg gaat; de weg die door de hemelse gewesten leidt.

De strijd in hoofdstuk 34 en 35 gaat over de strijd tussen Jacob en Ezau. Hoofdstuk 34 beschrijft het gericht over Edom, het nageslacht van Ezau. Jacob en Ezau waren zonen van Izaäk, uit hen kwamen twee volken voort: de Edomieten (Ezau) en het volk Israël (Jacob). Het volk van Edom is een trots en sterk volk in de natuurlijke wereld. Obadja beschrijft Edom als een gier, die zijn nest hoog in de rotskloven heeft en alles wat nederig is, veracht (Obadja 1). Edom woont hoog in de natuurlijke wereld, in zijn uitspraken hoort men de vorst van de duisternis spreken: ‘Wie zal mij ter aarde neerwerpen?’ De arrogantie en trots zijn enorm bij dit volk, dat toch ook bij het zaad van Abraham hoort.

Dit volk vertegenwoordigt de valse kerk, de onderontwikkelde gelovigen die het alleen verwachten van hun daden, prestaties en godsdienstige oefeningen. Dit volk wijst het evangelie van het koninkrijk der hemelen van de hand, iets wat ook vandaag de dag volop gebeurt, in alle kerken en richtingen. Dit volk is wel sterk, mag meedoen in de media en zelfs haar politieke hobby’s bedrijven, maar moet het doen zonder de dauw van de hemel, zoals Izaäk op zijn sterfbed zei, toen Ezau hem om een zegen vroeg (Gen.27:39). God gaat een rechtsgeding aan met Edom (Jes.34:8), want het volk van God wat op de hoge weg wandelt moet strijden met dit volk, wat ook van Abraham afstamt, maar de aardse weg gaat. Daarover zegt Paulus: ‘Jacob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat’ (Rom.9:13).

In het eeuwige raadsplan van God is alleen plaats voor een geestelijk volk. Elke keer herhaalt zich in de geschiedenis het feit dat de één God dient en de ander zijn eigen weg gaat. Dit geldt voor de persoonlijke levens van Ezau en Jacob, van het volk Edom en het volk Israël en voor de afgevallen kerk, het grote Babylon en de gemeente van Jezus Christus. Maleachi 1 zegt dat Edom het volk is van Gods toorn, d.w.z. dat God het volk verstoot. God verstoot de demonen van de duisternis, de duivel en zijn engelen. Hij wil daar geen enkel contact mee hebben, ook niet met die mensen die met deze boze geesten verbonden zijn. God verstoot niet de mens die in Zijn wegen wil wandelen, maar Gods toorn komt op hem, die leven wil met de machten van de duisternis. Zodra men met die machten breekt, rust Gods toorn niet meer op de mens.

Prijsgegeven aan de demonen

Maleachi zegt over Edom: ‘Ik heb zijn bergen tot een woestenij gemaakt en zijn erfdeel aan de jakhalzen van de woestijn prijsgegeven’ (1:3). In de woestijn zijn struisvogels, hyena’s, wilde honden en veldgeesten. Daar is ook de pijlslang, de gieren, de één bij de ander. Johannes beschrijft Babylon als: ‘Gevallen, gevallen is de grote (stad) Babylon en zij is geworden een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein gevogelte’ (Openb.18:2). Dit is de kerk die van God is afgeweken en over of via de aarde haar doel wil bereiken. Zij is bezig met aardse zaken en bedenkt niet de dingen die van boven zijn.

Een dubbel deel

In het Nieuwe Testament klinkt de waarschuwing om niet de genade van God te verspelen of onverschillig te worden, zoals Ezau deed. Ezau verkocht zijn eerstgeboorterecht voor een bord linzen. Dat recht hield in, dat de oudste een dubbel deel zou krijgen (Deut.21:17). In Jesaja 40 spreekt Jesaja ook over een dubbel deel, wat men uit de hand van de Heer ontvangt. Het eerste deel is de vergeving van zonden, iets wat kerkmensen over het algemeen allemaal geloven. Maar er is ook nog een tweede deel: de doop en vervulling met Gods geest en de wandel in de hemelse gewesten, wat volgt op de bekering en het opnieuw geboren zijn. Dat tweede deel hoefde Ezau niet, zoals ook nu veel mensen weigeren.

Ezau ging later – toen hij merkte dat zijn vader hem niet zou zegenen – geweldig tekeer, zoals vrome geesten altijd doen. Ezau vond geen mogelijkheid om de gezindheid van zijn vader te veranderen (Hebr.12:16,17 Can. Vert.). Hij ging de natuurlijke weg en kwam daar niet van terug. Iedereen, die net zoals Ezau leeft, zal uiteindelijk het doel missen. De zegen van Jacob is eerst aan de joden gegeven en slechts een klein deel daarvan gaf dit weer door aan de heidenen, zodat Geestvervulde christenen de belofte van en de vervulling met Gods Geest zouden ontvangen.

Wat doet u?

De vraag is daarom: Vindt u het voldoende om het eerste deel te ontvangen of wilt u ook het tweede deel? Vindt u de vergeving van zonden voldoende of wilt u ook uw gedachten laten leiden door de Geest van God? Wilt u op de hoge weg wandelen? Bent u op zoek naar de schatkamer van Gods Woord? Er is zoveel moois te vinden in de Bijbel, de redding en de kracht en rijkdommen in de geestelijke wereld, maar ziet u het ook? Wilt u een geestelijk mens zijn, zoals Jezus was? Als u dat niet wilt, wordt u overgeleverd aan de machten van de duisternis. U zult zich moeten wapenen met de wapens uit het arsenaal van Jezus Christus, omdat de machten van de duisternis steeds sterker worden, zeker wanneer uiteindelijk dè antichrist tevoorschijn komt.

In Jes.34:16 klinkt de oproep om het na te zoeken in het boek van de Heer, want geen van die machten zal ontbreken, ze zijn er allemaal. Wie de aardse, de natuurlijke weg gaat, wordt een prooi van deze demonen. Wij willen daarom de hoge weg gaan en de berg Sion beklimmen. Jesaja ziet dat het volk, verbonden met de naam Ezau, vijandig staat tegenover God. Zo komt later Herodes, een afstammeling van Ezau, tegenover Jezus Christus te staan. Jesaja beschrijft in hoofdstuk 35 in beelden wat er met het volk van God gaat gebeuren:

  • ‘De woestijn en het dorre land zullen zich verblijden, de steppe zal juichen en bloeien als een narcis; zij zal welig bloeien en juichen, ja, juichen en jubelen. De heerlijkheid van de Libanon is haar gegeven, de luister van de Karmel en van Saron; zij zullen de heerlijkheid van de Heer zien, de luister van onze God’ (vers 1,2). 

Vanuit de duisternis heeft het volk zich losgemaakt en de woestijn gaat weer bloeien. De nieuwe tijd breekt aan, de verlossing en redding worden weer geopenbaard. Mensen, die niet geloven in de leer van het koninkrijk der hemelen, verwijten ons dat wij de term ‘hoge weg’ bezigen i.p.v. de gebaande weg. Die term zou niet in de Bijbel voorkomen. Op onze beurt kunnen wij hen verwijten dat zij de term ‘erfzonde’ bezigen, iets wat zeker niet in de Bijbel staat. De gebaande weg wordt in andere vertalingen een hoge weg genoemd, als tegenstelling tot de lage weg. Het mooie is dat deze hoge weg in het Engels the high-way genoemd wordt…

Nederland kent in sommige plaatsen de benedenweg en de bovenweg. In Israël kent men dit ook, zoals de grote vlakte aan de zeekust, de Sjefela. Het werkwoord ‘sjefel’ komt voor in Jes.40:4: ‘Alle dalen zullen verhoogd worden en alle bergen en heuvels zullen vernederd worden’. Dit is terug te vinden in het taalgebruik, als er gesproken wordt over ‘sjofel’. Zo kun je de sjofele weg gaan, een armoedige weg die niets te bieden heeft. Wat een verschil met de verheven baan uit vers 8, je hoeft je schoenen op die weg niet uit te trekken. Over de lage weg staat geschreven dat je die het best op je sandalen kunt gaan. Je gaat dan door moerassen en drassige gebieden. Maar op de hoge weg, die goed onderhouden is, hoef je niet bang te zijn voor de modder die opspat. Zo gaan wij een pad dat boven het omliggende land ligt. Door dat pad te gaan, vervreemden we ons van het omliggende land.

De hoge weg wordt gebruikt voor talrijke doeleinden. De koning gaat er over, het is een koninklijke weg. Voordat hij erover gaat, wordt de weg gerepareerd: ‘Bereid de weg van de Heer, maak in de wildernis een effen pad voor onze God’. In Israël had men voor de doodslager (die per ongeluk iemand gedood had) een vrijstad. De weg naar de vrijstad moest een hoge weg zijn, een geëffende baan, zodat de doodslager naar die stad kon vluchten, zonder te struikelen of in de modder te zakken (Deut.19:3 St. Vert.). Die vrijstad is Jezus Christus, Hij is ook de hoge weg. De mens, die schuldig is, kan een vrijplaats vinden in Jezus Christus door dè weg te gaan. Ook Israël kiest voor de koninklijke weg bij het binnentrekken van Kanaän. Als Edom het volk niet toestaat om door hun gebied te trekken, gaan zij er niet door maar er omheen (Num.20:21). Als de ark bij de Filistijnen is en daar zoveel onheil veroorzaakt, wordt de ark op een nieuwe wagen over de gebaande weg naar Bet-Semes terug gestuurd (1 Sam.6).

Een gebaande weg op aarde?

Jesaja noemt de gebaande weg de geestelijke weg. Het is niet, zoals o.a. in de bedelingenleer wordt verkondigd, een spoorlijn tussen Tel Aviv en Jeruzalem. Volgens hen durven er geen leeuwen op die weg te komen (die zijn daar vandaag niet meer). In die trein zitten geen onreine, maar alleen geestelijk besneden mensen. Maar men moet die gebaande weg niet letterlijk nemen. Over de heilige weg gaat geen onreine, omdat deze weg voor onreine mensen niet attractief is. Op de weg die wij prediken, vinden ze niets wat hen boeit. De heiligen beklimmen de weg naar de top van de berg Sion. De hoge weg is een oplopende weg, de weg loopt omhoog. Paulus schrijft dan ook in Hebr.12:22, nadat hij zegt dat Edom het doel niet zal bereiken:

  • ‘Maar u bent genaderd tot de berg Sion’. 

Dat is geen hersenschim najagen, zoals in veel kerken geleerd wordt, het is een doel wat bereikt kan worden. Het is een weg, die omhoog loopt, die uit delen bestaat, waarop men telkens een eind verder komt. Men gaat zo van plateau naar plateau. Johannes zag op Patmos ‘een deur geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, alsof een bazuin met mij sprak, zei: Klim hierheen op’ (Openb.4:1). Toen Johannes dat deed, raakte hij in geestvervoering. Hij wist dat er iets in hem moest gebeuren om hoger op te komen.

Opnieuw geboren en met Gods Geest gedoopte christenen lopen op de hoge weg, maar hoe ver komt men op die weg? Dat is iets wat ieder voor zichzelf moet bepalen. Zij gaan die weg, uitgerust met de gaven en krachten van de Heilige Geest om de vijanden van de duisternis doeltreffend te kunnen bestrijden. Ze hebben het vermogen tot gezondmaking en herstel. Paulus heeft het over een weg, die nog verder omhoog voert. Daar heeft men de liefde van God voor nodig:

  • ‘Ik wijs u een weg, die nog veel verder omhoog voert’ (1 Cor.12:31). 

De liefde van God is de geweldige liefde van God voor alle mensen, zonder uitzondering. Als je de liefde van God in je hart hebt, heb je dezelfde goddelijke liefde voor de naaste. Het begin van dit alles is de wetenschap dat God, de Schepper van hemel en aarde, mij liefheeft. En Jezus Christus heeft mij ook lief.

Veel mensen zijn er zich niet van bewust van dat God hen liefheeft. Maar als je beseft dat Gods liefde je omringt, ben je een ander mens geworden. Vergelijk het met het besef dat je bemint wordt door je man of vrouw. Zo zijn opnieuw geboren christenen zich ervan bewust dat zij leven vanuit en omringd met Gods liefde voor hen. Vanuit dat besef ga je anders leven en ga je omhoog op die gebaande weg, uitgerust met de geestelijke gaven en Gods Heilige Geest: ‘Gelukkig de man, in wiens hart de gebaande wegen zijn’ (Ps.1).

Er wordt gesproken in meervoud, er zijn wegen, omdat de weg bestaat uit meerdere trajecten met meerdere mijlpalen. Als ware christenen deze wegen gaan, gaan zij met Jezus. Zij nemen Hem als voorbeeld en zijn bezig met de woorden die Hij gesproken heeft. Zo komen zij op de hoge weg, waar Jezus de demonen tentoon heeft gesteld. Hoe hoger men komt, hoe meer vijanden. Maar men is niet meer kwetsbaar voor die vijanden, men wandelt in geloof, men is bezig met de dingen van God en zo overwint men de onreine geesten en de verscheurende dieren. Men weerstaat de vijanden door de kracht van de Heilige Geest en de kennis van het Woord van God.

Jesaja zegt dat de weg alleen voor ‘hen’ zal zijn (vers 8). Wie zijn die ‘hen’? De mensen van de weg, van de hoge weg. Denk aan wat er staat in Handelingen 9:1,2:

  • ‘En Saulus, nog dreiging en moord blazende tegen de leerlingen van de Heer, ging naar de hogepriester, en vroeg van hem brieven naar Damascus voor de synagogen, om, als hij mannen en vrouwen, die van die weg waren, zou vinden, hen naar Jeruzalem te brengen’. En in Hand.19:9: ‘Maar toen sommigen verhard en ongehoorzaam bleven en ten aanhoren van de menigte kwaad bleven spreken van de weg, maakte hij zich van hen los’.

Die weg wordt door Jesaja aangewezen, de weg van het Bijbelse patroon, alleen voor hen die rein van hart zijn, is de weg. Deze weg zuivert je hart, je denkwereld wordt erdoor verlegd, je richt je op de hemelse gewesten en op de gedachten van God. De verlosten en vrijgekochten (en niet de z.g. ‘vrijgemaakten’ met hun kerkelijke tucht) wandelen er op. Zij zullen terug keren en met gejubel in Sion komen. Terug keren? Zijn ze er dan al eens geweest? Zij keren weer terug naar de tijd van de apostelen. De hoge weg die zij bewandeld hebben, was eeuwenlang niet te zien doordat de weg in duisternis was gehuld (Openb.6:5,6). Nu zien zij de hoge weg weer en ze keren terug naar Sion. Ze zijn vrijgekocht uit de slavernij van de duivel:

  • ‘Dan zal er een gebaande weg zijn voor de rest van zijn volk, die in Assur overblijven zal, zoals er voor Israël geweest is in de tijd toen het optrok uit het land Egypte’ (Jes.11:16).

God heeft voor het volk Israël ook een weg gebaand door de Rode Zee, zo heeft Israël een pad gekend door de zee waar zij rustig over heen liepen. Ze waren omringd door vijanden, maar ze konden niets beginnen vanwege de wolk- en vuurkolom, de Heilige Geest die krachtig aanwezig was. Zo wandelen ook Geestvervulde christenen op de weg, waar de vijand hen niet kan hinderen. Alleen als zij van de weg afwijken, als zij weer gaan luisteren naar aardse zaken, kan hij hen kwetsen en hen minderwaardig maken.

Het is een weg van geloof, dan ‘zullen we met gejubel in Sion komen; eeuwige vreugde zal op ons hoofd zijn’. Vreugde op het hoofd: ‘Wij krijgen een hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest’ (Jes.61:3). Hoofdsieraad, hier wordt het denken mee bedoeld. Je hebt de helm van de redding op je hoofd, dat herstel en verlossing brengt, je gedachten worden anders (Ef.6:17). Men is blij en jubelt en zingt, men heft vreugdekreten aan, er wordt uiting gegeven, niet aan ‘gepaste’, maar aan grote blijdschap. Mensen, die daar afwerend tegenover staan, zitten nog vast aan de machten uit het verleden, die hen klein houden. Zij doen hun mond niet open alsof dat niet zo zou horen. Juichen en jubelen is echter Bijbels. Door gejubel en gejuich banen ware gelovigen dè weg en vervelende gedachten verdwijnen naar de achtergrond.

De taak

De opdracht is een weg te bereiden, wij hebben vreugde in de Heer te hebben. Er wordt een hoge baan in de wildernis gemaakt, een rechte baan voor God. Het is de taak van ware christenen om mensen te wijzen op deze weg. Jezus had die taak ook, Hij preekte het evangelie van het koninkrijk der hemelen, later bracht Paulus dat evangelie ook. Wat dat betreft zijn er goede voorgangers geweest! Wij willen ook het evangelie van het koninkrijk der hemelen verkondigen, zodat we ons kunnen verblijden omdat de dorre woestijn gaat bloeien als een roos:

  • ‘Trekt, trekt door de poorten, bereidt de weg voor het volk, baant, baant de weg, zuivert hem van stenen, heft een banier omhoog boven de volken. Want de Heer doet het horen tot het einde van de aarde: Zegt tot de dochter van Sion: zie, uw redding komt; zie, zijn loon is bij Hem en zijn vergelding gaat voor Hem uit’ (Jesaja 62:10,11).

We hebben nog heel veel werk te doen, we zijn blij dat we onze tijd kunnen besteden aan de dienst van de Heer. Het loon in de hemel is groot en het zal ons – ook op aarde – aan niets ontbreken. Dat is het grote wonder dat God ons geeft.