De heerschappij van Gods zonen

  • ‘Denk erom: Ik heb u macht gegeven’ (Lucas 10:19).

Op aarde of in de hemel?

Toen God de mens naar zijn beeld schiep, gaf Hij hem ook de macht over zijn hele schepping. Tot twee keer toe vermeldt het scheppingsverhaal dat de mens de aarde onderwerpen zou en macht zou hebben over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen. Dit was dan ook zo. Nooit heeft hij dit koningschap verloren, alle dieren zijn aan zijn gezag onderworpen. De mens beheerst ook de aarde en hoe verder zijn ontwikkelingsgang voortgaat, hoe machtiger hij land en water dwingt zich te vormen en vrucht voort te brengen naar zijn wil.

Maar zelf werd de mens een slaaf, een ondergeschikte. Bij zijn val kwam hij met de duistere, onzienlijke wereld in contact en hij gehoorzaamde haar. Hoewel de mens de zienlijke wereld regeert, kent hij toch geen rust meer, heeft hij geen vrede en kent hij geen blijdschap. Hij is ook niet meer in staat om de aarde in gerechtigheid te regeren; daarom zucht de schepping en ziet hunkerend naar betere tijden uit. Wanneer God nu de mens de weg toont tot totale bevrijding en verlossing, die hij als slaaf dient, doet Hij dit door nieuwe mensen te scheppen, die Hij niet alleen heerschappij geeft over de zienlijke wereld, maar ook over de onzienlijke.

De Mensenzoon is representatief voor deze nieuwe schepping. God laat dus zijn oorspronkelijk plan met de mens niet los. Deze zal gezag uitoefenen, omdat hij naar het beeld van God geschapen is. Het volledig herstel van de schepping zal door de vernieuwde mens vanuit de overwinning in de onzienlijke wereld bewerkt worden. Opnieuw zal de mens het koningschap moeten aanvaarden, maar nu in de eerste plaats over de geestenwereld. Niet aan de heilige engelen heeft Hij deze toekomende wereld, waarvan wij spreken, onderworpen, maar aan de mens (Hebr. 2:5).

Terwijl de opnieuw geboren mens nog op deze aarde is, zal hij toch het rijk van de duisternis bestrijden en overwinnen op haar eigen terrein, dat zijn de hemelse gewesten. Jezus heeft als Mensenzoon tijdens zijn verblijf op aarde het voorbeeld gegeven en is gestorven en opgestaan, zodat Hij veel zonen tot heerlijkheid zou brengen. Deze zijn erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Jezus Christus. Zij zijn de koningen van de aarde, die in de hemelstad God alle eer geven (Openb.21:24).

Heerschappij eerst grondvesten 

Bij de eerste schepping schonk God de mens het koningschap over de aarde. De domeinen waren afgebakend: ‘De hemel is de hemel van de Heer, maar de aarde heeft Hij aan de mensen gegeven’ (Ps.115:16). Adam was de koning in de natuurlijke wereld, maar hij had geen hemelse roeping. Hij moest zijn koningschap op aarde echter nog vestigen. De Heer zei: ‘Bevolk de aarde en breng haar onder je gezag’. Ook technisch zou dit een ontwikkelingsproces worden. In de onzichtbare wereld had Adam echter geen taak. Wat zijn geest betrof, stond hij noch boven noch onder de engelen. Bij de zondeval werd hij echter naar de geest een dienaar van de duivel. Deze werd voortaan de overste van de wereld genoemd. Zo kwam de mens beneden de engelen.

Wanneer God hem uit de hof van Eden wegstuurt, blijkt dat de engelen meer zijn in kracht en macht (2 Petr.2:11), want zij versperren hem de weg naar de Levensboom. Satan heeft nu de macht over de aarde, maar ook deze moet die macht grondvesten, vastmaken. Hij moet elk mens opnieuw tot zonde verleiden of hem daartoe pressen en om de mens is de aarde vervloekt, dat wil zeggen overgegeven aan de macht van de satan. Ook Jezus werd vanwege het lijden tot in de dood, dus om zijn contact met de boze geesten, voor een korte tijd beneden de engelen gesteld (Hebr.2:9). Na de reiniging van de zonden tot stand gebracht te hebben, werd Hem bij zijn hemelvaart alle macht gegeven in hemel en op aarde. Maar ook Hij moet zijn heerschappij grondvesten. Hij begint dit te doen in de mens, in de ‘vrijgekochten van de aarde’ (Openb. 4:3), dat wil zeggen in hen die Hem volkomen toebehoren. Door opnieuw geboren te worden en de doop in Gods Heilige Geest worden dezen tot een nieuwe schepping die zonder slecht geweten is (Hebr.10:22).

Jezus werd tot erfgenaam aangesteld van alle dingen, zowel de zienlijke als de onzienlijke. Het kind van God wordt mede-erfgenaam van Jezus Christus en ook aan hem worden alle dingen onderworpen. ‘Dat alles aan hem onderworpen is, zien wij echter nu nog niet’ (Hebr.2:8). In tegenstelling tot de oude schepping begint de heerschappij van de nieuwe schepping namelijk in de hemel en niet op de aarde. Net zoals Adam in het begin geen taak in de hemel had, zo heeft de nieuwe mens nu ook niet de opdracht om het Koninkrijk van Jezus op aarde in de zienlijke wereld te vestigen.

Als wij spreken over het koningschap en het priesterschap van de nieuwe mens, gaat dit over zijn heerschappij in de onzienlijke wereld. Het Koninkrijk van Jezus is niet van deze wereld. Hij vestigt eerst zijn macht in de hemel. Pas wanneer de gemeente in de onzienlijke wereld haar macht gevestigd heeft (waarvan ook de resultaten op de aarde nu al in het herstel van de mens zichtbaar zijn), keert het nieuwe Jeruzalem van de hemel naar de aarde om daar de heerschappij te grondvesten.

De opdracht

De onzienlijke wereld wordt vanuit de zienlijke, gekend en begrepen. Zoals Adam de opdracht had om over de dieren te heersen, zo ontvangt de nieuwe mens de macht om te heersen over de geesten in de hemelse gewesten en om deze te oordelen: ‘Weet u niet, dat wij over engelen oordelen zullen?’ (1 Cor.6:3). Adam gaf de dieren namen naar hun aard en wezen. Zo zien ook de zonen van God de geesten van God en de machten van de duisternis naar hun aard en wezen, want zij zijn getraind in het onderscheiden van goed en kwaad (Hebr.5:14). Zij ontvangen macht om het kwade te oordelen en uit te bannen. Zoals de mens scheiding maken moest tussen reine en onreine dieren, zo zal hij nu moeten oordelen tussen goede en kwade geesten. Zoals eenmaal Elia zijn profetenmantel op Eliza legde, zo legt de Heer zijn koningsmantel op zijn leerlingen en op allen, die door hun woord in Hem geloven zouden. Hij gaf hun allen de grote opdracht:

  • ‘Degenen die tot geloof zijn gekomen, zullen herkenbaar zijn aan de volgende tekens: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen spreken in talen, met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hun niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen’ (Marc.16:17,18). Ja, Hij profeteerde al van hen: ‘Wie op Mij vertrouwt zal hetzelfde doen als Ik, en zelfs meer dan dat’ (Joh.14:12).

Jezus Christus is gisteren en vandaag dezelfde! Zijn overwinning is geen hocus pocus, maar de aarde zal de openbaring van zijn kracht zien en Hem als koning erkennen, als wij zijn werken uitvoeren. Als kerkmensen eeuwenlang bidden: ‘laat uw koninkrijk komen, werp de troon van satan neer’ en dit tot nu toe niet gebeurd is, moet men zich toch serieus afvragen of de komst van het Koninkrijk niet is tegengehouden door ongehoorzaamheid en verblindheid. Jezus deed de troon van satan wankelen door de demonen uit te drijven, want Hij zei: ‘Maar als Ik door de Geest van God demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij jullie gekomen’ (Matth.12:28).

In de geschiedenis van de kerk is het Koninkrijk van God niet over haar kerkleden gekomen. De kerk heeft gefaald in de strijd tegen het rijk van de duisternis. De grote aanklacht tegen haar is, dat zij in de naam van Jezus geen macht uitgeoefend heeft, de boze geesten niet verdreven en de zieken niet genezen heeft. In geen enkel belijdenisgeschrift wordt dit geleerd en op geen enkele catechisatie wordt hier in positieve zin onderwijs over gegeven. Aan de gemeente van Jezus Christus wordt echter de verborgenheden, het mysterie, van het Koninkrijk der hemelen (Matth.13:11) te kennen gegeven. Door middel van de gemeente wordt aan de overheden en machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God bekend gemaakt (Ef.3:10).

Natuurlijk weet de duivel dat deze strijd zijn uiteindelijke nederlaag brengt. Hij is nooit benauwd geweest voor godsdienst, maar als het evangelie van Jezus Christus verkondigd wordt, raakt de hel in paniek. Opnieuw roepen de demonen als bij het begin van Jezus optreden uit: ‘Bent U gekomen om ons te vernietigen?’ De nieuwe schepping staat tegenover ‘de brullende leeuw’. Haar taak is om deze in de hemelse gewesten te overwinnen, te verjagen en de heerschappij van Jezus te grondvesten. Want samen met de oudste broer, Jezus Christus, zijn alle dingen, zowel de zienlijke als de onzienlijke, aan de zonen van God onderworpen. Zij zullen als overwinnaars op tronen naast de oudste broer zitten. In de strijd zijn de heilige engelen dienende geesten, uitgezonden om hen bij te staan die deel zullen krijgen aan de redding (Hebr.1:14).

Het Koninkrijk van God is bij ons gekomen. Jezus wacht af, totdat al zijn vijanden als een bank voor zijn voeten zullen zijn (Hebr.10:13). De uitvoerders van deze taak zijn niet de engelen, maar de zonen van God. Zij zijn geroepen om getuigen van Jezus Christus te zijn en door de verkondiging van het evangelie zijn rijk uit te breiden, de duivelen uit te werpen en de zieken te genezen, zodat de gemeente van Jezus Christus groeit, gereinigd en geheiligd wordt. Mag de gemeente dan naar de aardse kant een verzameling zijn van gewone mensen misschien zonder enig gezag, in de hemelse gewesten zijn zij een heilig volk, een verkregen volk en een koninklijk priesterdom, want Jezus heeft haar de heerlijkheid, die Hijzelf van de Vader ontvangen heeft, geschonken (Joh.17:22).

De smalle weg

De enige weg tot behoud is Jezus. Wat wordt daarmee bedoeld? In de eerste plaats heeft Jezus de zondeschuld van de wereld weggenomen en in de tweede plaats de methode gegeven, die het de mens mogelijk maakt de poort, die door Hem geopend werd, binnen te gaan en de smalle weg te bewandelen. Omdat Jezus het exclusieve voorbeeld gaf en de enige manier aanwees om behouden te worden, is Hij niet alleen de enge poort, maar ook de smalle weg.

Jezus sprak veel over duivelen. Hij dreef ze uit en verbrak hun werken. Wanneer men zegt dat dit niet meer nodig is, tast men zijn methode aan en weigert men dus de smalle weg te gaan. Dit is een geraffineerde listigheid van de duivel om het geluk van de mensen weg te houden. Jezus is één met zijn werken. Hij maakt ons tot zijn medewerkers, want Hij zegt:

  • ‘Bedenk wel: ik heb jullie de macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen en om de kracht van de vijand te breken, zodat niets jullie kan schaden’.

Deze woorden golden niet voor een korte periode en zij zijn niet alleen voor het duizendjarige rijk, maar ze zijn fundamenteel voor het evangelie van alle tijden, het eeuwige evangelie. De werken van Jezus zijn met zijn wezen als Heiland verbonden. Na zijn verhoging openbaart Hij zich in en door zijn volk op dezelfde manier, als Hij dit eenmaal in het verleden deed, toen Hij rondging om allen te genezen, die door de duivel overweldigd waren. Wat Jezus deed, was het begin en de duizenden die Hij verloste en genas, zouden in aantal onbetekenend zijn bij de bevrijdingen die zouden volgen. Ja, deze zouden ook in kracht meer zijn (Joh.14:12).

Men moet niet denken dat het Koninkrijk van God zich in de levens van de mensen openbaren kan, als zij deze waarheden minachten, met voeten treden en de werken van Jezus verloochenen. Het Koninkrijk van God komt langs de weg, die Jezus getoond en afgebakend heeft! Wanneer men geen rekening houdt met de tegenstander, die Gods plan tegenwerkt, ontvangt men geen geluk en komt men nooit tot de volmaaktheid. Men moet zich dan als einddoel hier op aarde tevreden stellen met een surrogaat, met wat vroom en dierbaar gezwets over ‘vallen en opstaan’, over ‘een zondaar blijven tot de dood’ en een droom van ‘bevrijding in het hiernamaals’.

Jezus sprak echter niet alleen over het uitwerpen van duivelen, maar ook over het voltooien van genezingen (Luc. 13:32). Wanneer een macht van de duisternis een mens aanrandt en macht krijgt over zijn geest, ziel of lichaam, volgen daarop altijd beschadigingen. Wanneer iemand een kind van God geworden is, gedoopt in Heilige Geest en verlost van de boze geesten, moet hij nog genezen van al zijn wonden en letsels. Daarom staat in de grote opdracht: ‘Op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden’. Na de bediening zal na korte of langere tijd herstel optreden. Pas wanneer geest, ziel en lichaam hersteld (geheeld) zijn, kan het waarachtige leven in een mens volkomen doorwerken. Pas dan kan een kind van God zich helemaal ontplooien.

Men moet niet denken dat dan de machten van de duisternis van de strijd afzien. Petrus waarschuwde dat de satan onder Gods kinderen rondgaat als een brullende leeuw. Blijf waken, blijf alert is dan de telkens terugkerende vermaning. Waarvoor? Dat de satan u in de strik laat vallen (dus bindt!) door verleiding, door omstandigheden of door druk uit te oefenen. Hij kan dit rechtstreeks doen vanuit de onzienlijke wereld, maar kan hiervoor ook mensen of andere zintuiglijk waarneembare dingen gebruiken. De gemeente wordt voorgehouden om te volharden, om de bewaren wat zij heeft en haar leden om op elkaar toe te zien. Dit alles om de satan buiten de deur te houden van hen, die Jezus bezig is klaar te maken als een bruid, die zich mooi heeft gemaakt voor haar man.