Camouflage van satan

Verborgen vijand van God en mensen

Het was Augustinus die ooit schreef, dat het Oude Testament in het Nieuwe is geopend en het Nieuwe in het Oude was verborgen. Daarom zal degene, die het Oude Testament leest zonder de leer van het Koninkrijk der hemelen te kennen, vaak bij de aarde worden bepaald en zelden bij de onzienlijke wereld. Mozes – type van het Oudtestamentisch denken schreef: ‘Wat verborgen is, behoort de Heer, onze God, toe; wat openbaar is, komt ons toe. Wij en onze kinderen dienen ons altijd te richten naar alle bepalingen van deze wet’ (Deut.29:29). Alles wat men niet op een natuurlijke manier verklaren kon, schreef met toe aan Jahweh. Zo waren dood en leven zaken uit de onzichtbare wereld en daarom zei Hanna, de moeder van Samuël, in haar lofzang ‘De Heer doet sterven en doet leven, Hij zendt naar het dodenrijk en leidt eruit omhoog’ (1 Sam.2:6).

Het woord duivel, beschuldiger, aanklager, lasteraar en verleider, komt in het Oude Testament niet voor, omdat het van het Griekse woord diabolos afkomstig is, terwijl het Oude Testament in het Hebreeuws is geschreven. De seirum of veldgeesten uit Leviticus 17:7, 2 Kronieken 11:15, Jesaja 13:21 en 34:14 zijn de demonen of duivelen. Dit woord heeft te maken met ‘harig’ en komt bijvoorbeeld ook voor in Genesis 27:11 waar Jacob zegt: ‘Maar Ezau is toch helemaal behaard, terwijl ik juist een gladde huid heb!’ Bij ‘harig’ dacht men in het bijzonder aan geitenbokken. Bij de afgodsbeelden werden de demonen voorgesteld als half mens, half bok met horens op het hoofd van de man. Het lichaam is dan geheel behaard, en de poten en de staart lijken op die van een bok. Deze veldgeesten dansen in de puinhopen van Babel en bevinden zich tussen de restanten van de verwoeste steden in Edom (Jes.13:21;34:14). Het woord bok (harig) werd dus vertaald door veldgeesten.

In de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuaginta, wordt hiervoor het woord daimonia of demonen gebruikt. In Openbaring 18:2, waar uit de Septuaginta geciteerd wordt, staat dan niet veldgeesten, maar duivelen of demonen, die de grote stad Babylon bevolken. De Grieken spraken van Satyrs, veld- of bosgoden met bokspoten, symbool van de grof zinnelijke demonen. Ook de Egyptenaren dienden deze bokken, waarvan de dienst ervan overgenomen werd door de Israëlieten. Daarom staat er: ‘doe de goden weg die uw voorouders ten oosten van de Eufraat en in Egypte hebben gediend’ of ‘ontdoe je van de afschuwelijke goden die jullie aanbidden en verontreinig je niet langer met de afgoden van Egypte’ (Joz.24:14 en Ez.20:7). Daarom wordt een wereldbeheerser van deze duisternis, de vorst van Griekenland, in Daniël 10:20 als een harige geitenbok werd voorgesteld. Deze engelenvorst is daar identiek met de koning van Griekenland (Dan.8:21).

Gelet op deze associatie tussen bokken en demonen, zei de Heer dat Hij op de oordeelsdag de volken zal scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de stotende en woeste bokken (Matth. 25:32,33, vergelijk hiermee Ez.34:17). In Deuteronomium 32:17 en in Psalm 106:37 staan de ‘shedhim’, de onzichtbare ‘schimmen’ of ‘schaduwen’, achter de zichtbare afgoden waaraan men offerde. Paulus schreef over de heidenen: ‘dat zij aan demonen offeren en niet aan God’ (1 Cor.10:20). Begrijpelijk wordt nu wat in Jesaja 14:9,10 staat:

  • ‘Het rijk van de dood beneden raakte om u in beroering, om u tegemoet te gaan, wanneer u zou komen. Het schudt vanwege u de gestorvenen wakker, al de leiders van de aarde. Het laat van hun tronen opstaan  al de koningen van de volken. Zij zullen allemaal het woord nemen en zeggen tegen u: Ook u bent nu zo zwak geworden als wij, u bent aan ons gelijk geworden! Uw trots ligt neergeworpen in het graf, met de klank van uw luiten. Onder u is een bed van maden gespreid en wormen zijn uw deken.’

Voortgaande inzichten

Opmerkelijk is dat de boze geesten in het Oude Testament wel gediend en geëerd werden, maar dat hun daden niet werden vermeld. De duivel en zijn demonen verschuilden zich in hun destructieve werk achter God of achter de mens. Daardoor werd zowel God als de mens beschouwd als de verwekkers van het kwade. De vijanden van de Heer waren daarom niet de boze geesten, maar de heidense volken, dus vlees en bloed. Zij moesten verdreven en uitgeroeid worden en ‘gelukkig hij die jouw kinderen grijpt en op de rotsen verplettert’ (Ps.137:9). Van koning Saul staat dat ‘de Heer hem een kwade geest stuurde, die hem kwelde’ (1 Sam.16:14,15). Bij Farao wordt er niet op gewezen dat de duivel hem verhardde, maar hijzelf was hiervan de oorzaak, of ook wel ‘maar de Heer zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren’. In het licht van het Nieuwe Testament kan men zeggen, dat een demon de inwendige mens van Farao ontoegankelijk maakte voor de woorden van Mozes. Liet deze boze geest hem een ogenblik los, dan kwam Farao weer tot zichzelf en was hij geneigd het volk te laten vertrekken. Greep de macht hem weer, dan trok hij zijn toestemming weer in.

Het woord satan is wél een Hebreeuws woord, dat in het Grieks satanas is. Het betekent tegenstander of opponent. In de eigenlijke betekenis wordt het bijvoorbeeld gebruikt in 1 Koningen 11:14, waar staat: ‘De Heer gaf Salomo een tegenstander: de Edomiet Hadad’. Van de engel van de Heer wordt gezegd, dat hij zich op de weg als de ‘satan’ van de valse profeet Bileam stelde (Num.22:22). In de Statenvertaling staat in 2 Samuel 19:22 dat de zonen van Zeruja David ten satan zijn. In de Nieuwe Vertaling wordt het woord tegenstanders gebruikt. In Psalm 109:6 staat in de Statenvertaling: ‘Stel een goddeloze over hem en de satan aan zijn rechterhand’. De Nieuwe Bijbel Vertaling heeft: ‘Wijs een gewetenloos man aan die hem aanklaagt bij de rechter’. Geen enkele overzetting in de ‘Zes Vertalingen’ heeft echter in Mattheüs 16:23 voor satan het woord tegenstander. Daar zegt de Heer tot Petrus: ‘Ga terug, achter mij, satan! Je zou me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen’. Jezus zag hoe de satan zijn leerling inspireerde.

In 2 Samuel 24:1 wordt verhaald dat Jahweh David tegen Israël opzette om het volk te tellen. Een latere auteur corrigeert in 1 Kronieken 21:1 deze voorstelling van zaken en schrijft dat satan dit deed. Hij ontmaskerde dus hier de aanstichter en uitvoerder van het kwaad. Zijn inzicht sloot zich aan bij de leer die Jezus later zou verkondigen. Dit is toch wel een duidelijk bewijs dat men in het algemeen het kwaad ook aan God toeschreef en hoe zelden de waarheid en realiteit in het Oude Verbond werden geopenbaard.

Opmerkelijk is de keuze die David moet maken bij het oordeel dat vanwege deze ongehoorzaamheid over het volk zal komen. Het gaat dan om zeven jaar hongersnood, drie maanden vluchten voor zijn tegenstanders of drie dagen pest in zijn land. Het antwoord van David is dat hij met zijn volk in de hand van de Heer wil vallen, want Zijn barmhartigheid is groot. De tegenstanders waren de zichtbare vijanden, de hongersnood vond zijn oorzaak in de natuurlijke omstandigheden, waarachter men slechts indirect het bestuur van God zag, maar de pestziekte werd als een rechtstreeks ingrijpen beschouwd van de slaande hand van God. In Zijn handen wilde de koning vallen. Sprak men in de middeleeuwen niet van de pest als ‘de gave van God’, omdat men uit bijgelovigheid deze gevreesde ziekte niet bij haar naam durfde te noemen, zoals velen dit tegenwoordig ook niet durven doen bij kanker? Tegelijkertijd dreunden echter de klokken de hele dag, omdat het klokgelui de boze geesten zou verjagen en het ook een voortdurend roepen en smeken tot God uitbeeldde.

In het Oude Testament verschijnt de satan nooit als de eigenlijke tegenstander van God. Hoewel hij bepaalde voornemens en doelstellingen heeft, wordt hij voorgesteld als dienstknecht van God om te straffen en te verzoeken. Hij is dan de uitvoerder van de negatieve zijde van de goddelijke gerechtigheid. In het paradijs werd de mens als God gelijk gesteld ‘kennende’ het goede en het kwade, maar in de theologie is God als de mens ‘doende’ het goede en het kwade. Als actief deelnemer in het zondeproces wordt hij in het Oude Testament niet genoemd. Schoof ook niet Eva alle schuld op de natuurlijke slang, terwijl de duivel zelf buiten schot bleef? Wanneer de duivel buiten schot blijft, kan hij des te beter de mens aanklagen!

Job en de satan

In het verhaal over Job mengt de satan zich onder de zonen van God. Bij Job wordt tijdelijk de bescherming weggenomen en hij wordt overgeleverd in de handen van de tegenstander, waarmee Job type wordt van Christus, op wie alle machten van de duisternis losstormden. Job was in zijn tijd een man van wie werd gezegd, dat hij rechtschapen en onberispelijk was, hij had ontzag voor God en meed het kwaad. Jezus was echter de absolute rechtvaardige en Hij werd geacht ‘een verstoteling, door God geslagen en vernederd te zijn’ (Jes.53:4). Job was onbekend met datgene wat in het begin van zijn boek was beschreven. Hij hield geen rekening met het werk van de satan in zijn leven, maar zei: ‘De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen’. Zijn innerlijk conflict was dat hij toch aan God niets ongerijmds kon toeschrijven. Daarom begreep hij de zin van zijn lijden niet (Job 1:21,22). Aan het einde van zijn beproeving maakte de Heer hem echter duidelijk dat hij niet in staat was een strijd met de Leviathan of draak aan te gaan.

  • ‘Kunt u de Leviathan met de angel trekken, kunt u met hem spelen zoals met een vogeltje? (Job 40:20-28 ). Probeer eens de hand op hem te leggen. Maar denk aan de strijd; gij doet het zeker niet weer’ (Can. Vert.).

Pas nadat de Heer Jezus Christus de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen ontsluierde, weet men dat de mens van God, die gedoopt en vervuld is met Gods Geest, de worsteling met de satan kan winnen. Vanaf de grondvesting van de wereld ligt het vast dat niet God de vijand zal vernederen en weg doen, maar de mens van God wordt verhoogd en hij behaalt de overwinning. Hij ontvangt de autoriteit om het hele leger van de vijand te onderwerpen en door openbaring van de zonen van God wordt realiteit: ‘Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen’ (Luc.10:17-20).

In Zacharia 3:1 wordt er tenslotte melding van gemaakt dat de satan de persoonlijke tegenstander van de mens is. Na de ballingschap wilde hij het herstel van de eredienst in de tempel tegen gaan door te beweren, dat door het rechtvaardig oordeel van God, Israël niet waardig was het priesterschap te herstellen. De vuile kleren van de hogepriester Jozua werden echter verwisseld voor een feestgewaad. De verklaring werd er bijgevoegd, dat de ongerechtigheden waren weggenomen. God is immers goed en genadig. Ook Zacharias profeteerde hier ‘van de voor ons bestemde genade’ in Christus Jezus geschonken (1 Petr.1:10). Toen Mozes bij Meriba zondigde en zijn mond en handen instrumenten van de satan werden en hij de Heer in het bijzijn van de Israëlieten niet geheiligd had, was daar ook de satan aanwezig.

In de brief van Judas krijgt men een doorkijkje in de hemelse gewesten van wat in Numeri gebeurde. Michaël, de Engel van de Heer, had met de duivel ruzie over het lichaam van Mozes. In wiens dienst stond Mozes op dit ogenblik? Dan spreekt de engel dezelfde woorden als hij later doet bij de hogepriester Jozua, namelijk: ‘Dat de Heer u mag straffen’. Dan blijkt dat God alleen goed is, want Hij werkte mee aan het plan van zijn Zoon om de zondeschuld van de totale mensheid aan het kruis van Golgotha weg te nemen. Dit is dan het glorieuze begin van de strijd van het zaad van de vrouw tegen dat van de slang. De straf over de duivel wordt eigenlijk voltrokken als zijn kop wordt vermorzeld en hij voor eeuwig aan de vuurpoel wordt prijsgegeven.