Burgerschap in de hemel

  • ‘Ons burgerschap is echter in de hemelen’ (Filippenzen 3:20).
  • ‘Maar gaan we onze weg in het licht, zoals Hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden’ (1 Johannes 1:7).

Een evangelie van herstel

Het doel van het evangelie is om de zondaar – nadat hij gered en verlost is van zijn zonden – te herstellen van zijn wonden en beschadigingen, die de duivel in zijn leven aangebracht heeft. God geeft – door Jezus Christus – de mogelijkheid aan de mens om onberispelijk en heilig te leven. De herstelde zondaar wordt daarna opgeroepen om de boodschap van herstel aan anderen door te geven, want er staat: ‘U zult mijn getuigen zijn.’ Hij mag herstelwerkzaamheden verrichten, groter dan Hijzelf vroeger op aarde gedaan heeft. De wonderen en tekens, die ware christenen in zijn Naam mogen doen, zijn gericht op het opnieuw geboren worden en het behoud van de mens. In scherpe tegenstelling hiermee staan de ‘bedrieglijke’ wonderen en tekens van de antichrist, die niet het herstel, maar de wetteloosheid en ontbinding wil bevorderen.

Om het herstel van de mens te bewerken is een wandel in de hemelse gewesten noodzakelijk. Johannes noemt dit wandelen in het licht. Jezus getuigde in zijn hogepriesterlijk gebed dat opnieuw geborenen niet van de wereld zijn, zoals Hij niet van de wereld is. Wanneer zij niet van deze wereld zijn, horen zij bij een andere wereld. Zij zijn burgers van de hemel. Daarom maakt de Bijbel onderscheid tussen natuurlijke of vleselijke christenen en geestelijke christenen. Geestelijke mensen hebben hun wandel in de hemel. Zij bedenken de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn. Zij zien de realiteit van het waarachtige leven. Zij strijden niet tegen de zichtbare dingen of tegen vlees en bloed, maar steeds tegen de onzienlijke machten in de hemelse gewesten.

De oplossing van het zonde- en ziekteprobleem ligt niet op aarde, maar in de onzichtbare wereld. Zonde en ziekte worden door demonen veroorzaakt en de overwinning ligt niet op het natuurlijke, maar op het geestelijke vlak. Het evangelie van Jezus Christus voert de mens van de aarde naar de hemel, van de zichtbare naar de onzichtbare wereld. Er staat daarom geschreven:

  • ‘Gezegend is de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in de hemelse gewesten, in Christus, met talrijke geestelijke zegeningen heeft gezegend. In Christus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefde uitgekozen om voor hem heilig (afgescheiden van de satan en hersteld) en zuiver (naar lichaam, ziel en geest) te zijn’ (Efeze 1:3,4).

Geen kennis

Voor veel kerkmensen is het kruis het einde van het evangelie. Het kruis is echter de basis van de verzoening, maar niet het doel. De apostelen verkondigden niet alleen het kruis, maar ook de opstanding van de Heer. Van hen werd gezegd: ‘De apostelen bleven met grote kracht getuigen van de opstanding van de Heer Jezus’ (Hand.4:33). Dit is een enorm verschil met wat in deze tijd in de kerken verkondigd wordt.

De eerste christenen waren zich bewust van het feit een levende Heer te hebben. Zij brachten daarom geen leringen of beschouwingen, maar de realiteit van een wandel in de hemel waar ook Jezus is. Paulus getuigde: ‘Hij heeft ons samen met hem uit de dood opgewekt en ons een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus’ (Ef.2:6). Dit was geen kreet, maar levende werkelijkheid. Daarom werden zieken genezen en gebondenen bevrijd door de kracht van de levende Jezus, die vanuit de hemelse gewesten opereerde. De gelovigen predikten overal, terwijl de opgestane Heer meewerkte en het woord bevestigde door de tekens, die erop volgden (Marcus 16:20), want Jezus is gisteren en vandaag Dezelfde. Dit betekent dat Hij nog steeds dezelfde werken doet, maar nu vanuit de onzienlijke wereld door zijn volk heen.

Geestelijk zijn betekent leven en strijden vanuit het bovennatuurlijke niveau. Men weet dat de zorgen, de laster, de ziekten, de omstandigheden in verband staan met de boze geesten, de heilige engelen van God en vooral met Jezus de Hersteller. Daarom keert men zich bijvoorbeeld niet meer tegen het lastige kind en de moeilijke man, maar tegen de machten waardoor deze gebruikt worden. Men wordt niet langer geprikkeld, maar kan zijn geestelijke tegenpartij weerstand bieden. Men strijdt dan ook niet meer tegen zichzelf, maar weerstaat de satan, die probeert te verleiden, te beïnvloeden of in te dringen.

Christendom is geen leer of beschouwing, maar het beleven van de verlossing in de onzienlijke wereld. De voorvaders hebben ervaringen gezocht buiten de onzienlijke wereld en vielen daarom in sentimenten op het natuurlijke vlak. Zij schreven langdradige bekeringsverhalen, die berustten op zintuiglijk waarneembare reacties van het zielenleven. Men moest zwaar gezucht of gekermd hebben of vele tranen vergoten, men kon de boomstronk aanwijzen in het bos of het donkere plekje in de schuur waar men geworsteld had. Men kende geen wandel in de hemel, maar slechts enkele hoogtepunten in het godsdienstige leven, waarnaar men telkens in de herinnering teruggreep. Daarom kon Jezus zich aan deze mensen niet openbaren door wonderen en tekens van herstel. Zieken werden niet genezen en gebondenen niet bevrijd. Men had geen voortdurende gemeenschap met de Heer in de hemelse gewesten.

Eén zijn

Het volledige herstel van de mens is alleen mogelijk, wanneer deze geestelijk wordt en zijn plaats gaat innemen in de hemelse gewesten en wel in het Koninkrijk van God. Overwinning op de zonde is overwinnen op de boze geesten en heerschappij over het hele leger van de vijand (Lucas 10:19). In het licht wandelen betekent zich bevinden in de hemelse gewesten in het Koninkrijk van God en niet in dat van satan, het rijk van de duisternis. Dit zich verplaatsen naar de hemelse gewesten doet de mens bewust op grond van Gods Woord. In deze positie heeft hij gemeenschap met God door zijn verbondenheid aan Jezus Christus. De zondemachten moeten volgens de wetten van de Geest loslaten en uitgaan, terwijl Gods Heilige Geest kan binnenkomen en zijn werk in hem verrichten.

God is heilig, rein, de waarheid, liefde, gerechtigheid en vrede. In Hem is geen enkele vorm van onheiligheid, leugen, haat, ongerechtigheid of onvrede. Hij is één, want in Hem is geen enkele duisternis. Ook Jezus is één. Hij is het onbevlekte Lam. Hij zei: ‘Ik en de Vader zijn één!’ Beiden zijn dus volkomen heilig, rein, licht en trouw. Het gebed van de Heer was: ‘Opdat zij één zijn zoals Wij’ (Joh.17:22). De juiste eenheid onder de gelovigen ontstaat, wanneer zij stuk voor stuk één zijn, gereinigd van alle invloeden van de duivel. Het licht kan immers geen gemeenschap hebben met de duisternis, noch de gerechtigheid met de ongerechtigheid. Al het zoeken naar eenheid buiten deze basis is een schijnvertoning.

De bedoeling van het evangelie is niet om een aantal leerstukken en beschouwingen aan de mensen te geven, waarover deze het eens moeten zijn, maar een boodschap te verkondigen, waardoor een volk van God tot leven komt, stralend, zonder vlek of rimpel. Het Woord van God wordt immers gevolgd door de legers die in de hemelse gewesten zijn en die zich niet op aarde bevinden. Zij rijden allen op witte paarden en dragen een wit en smetteloos fijn linnen (Openb.19:14). Een gezonde of zuivere leer moet altijd tot gevolg hebben, dat de mens losraakt van de banden van de duisternis en meer gemeenschap met God krijgt, dat hij de zonde overwint en goede werken verricht. Merk op dat goede werken alleen díe werken zijn, die Jezus ook gedaan heeft. Hij gaf het voorbeeld en Hij trok het land door, goeddoende.

De strijd in de hemelse gewesten

Wanneer de christen zijn visie op de hemelse gewesten verliest, wordt hij in plaats van geestelijk, vleselijk. Paulus schreef aan de Corinthiërs:

  • ‘Maar, broers en zussen, ik kon tot u niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het geloof in Christus’ (1 Cor.3:1).

Veel Corinthiërs hadden de onzienlijke, geestelijke wereld losgelaten en leefden weer in de natuurlijke, zichtbare wereld. Zij streden niet tegen hun gemeenschappelijke vijanden, de boze geesten, maar tegen elkaar, tegen vlees en bloed. Daarom moest Paulus hen vermanen om naar de geestelijke gaven te streven en hij wilde niet, dat zij onkundig waren van de uitingen van de Geest (1 Cor.14:1 en 12:1). Ook verweet hij de Galaten: ‘Bent u werkelijk zo dwaas om weer op uw eigen kracht te vertrouwen, en niet langer op de Geest?’ Daarom wees hij erop, dat hun de Geest geschonken werd, die krachten onder hen werkte (Gal.3:3,5).

Wanneer wordt de eenheid van Gods volk verbroken? Als de zichtbare dingen weer belangrijk worden. Als men terugvalt in een wereld waar men niet bij hoort. Dan strijdt men niet om de eerste plaats in de hemelse gewesten, maar om die in de organisatie. Men krijgt ruzie, omdat men een ander cultuurpatroon heeft. Men ziet op elkaar neer of heeft een minderwaardigheidsgevoel op basis van de natuurlijke gaven en niet op die van de geestelijke. Men valt over uitwendigheden, zoals: kleding, kapsel, voedsel en levenswijze. Men veroordeelt elkaar om leringen, die van geen belang zijn in de hemelse gewesten.

Wanneer de Heer zegt: ‘Zoek eerst het Koninkrijk van God’ zal men bij het brengen van de leer er steeds rekening mee moeten houden of deze van belang zijn voor de vrede, de gerechtigheid en de blijdschap van de kinderen van het Koninkrijk. Waar in de gemeente de visie op de wandel en de strijd in de hemelse gewesten gemist wordt, komen verdeeldheid en ruzie. Het geestelijke leven ebt dan weg. Waar men terugkeert tot deze Bijbelse boodschap, ziet men de gemeente groeien in blijdschap, rust en vrede, allen strevend naar het doel dat Christus voorgesteld heeft. Dan wordt men één van hart en van ziel. Geestelijk zijn en vleselijk zijn duiden niet op vage begrippen, maar op scherp omlijnde situaties, die voor Gods volk van levensbelang zijn.

Gemeenschap

De gemeente van Jezus Christus streeft er naar om te leven als hemelburgers. Waar in een samenkomst geen hechte verbondenheid is, heeft men geen wandel in de hemelse gewesten en wordt ook geen geestelijke strijd gestreden. Dan moet de eenheid geforceerd worden door uiterlijkheden en zichtbaar ingrijpen. Men heeft dan leiders en topfiguren nodig, die het alleen voor het zeggen hebben en die stipt gehoorzaamd moeten worden, omdat zij menen alles zelf te moeten doen. De gemeente is echter een huisgezin van God, waar ieder zijn taak en functie heeft.

Het is ook mogelijk dat men steeds over eenheid spreekt, terwijl men telkens van medewerkers veranderen moet, omdat er voortdurend conflicten zijn. Het is daarom niet vreemd dat zoveel leiders een geïsoleerde plaats innemen. De gemeente blijft onmondig en de leiders komen in de greep van hoogmoed en de dwang om te willen heersen. Zij kunnen niet met anderen op voet van gelijkheid samenwerken en weigeren zich ook door deze te laten corrigeren. Zij noemen zichzelf apostelen of gezalfden van de Heer, maar men vraagt zich af wie hen hiertoe aanstelde en waarmee zij gezalfd werden.

Geïsoleerd leven is altijd van de duivel. God zet zijn dienstknechten nooit in de eenzaamheid op een hoge post. Jezus omringde Zich door twaalf apostelen en stelde deze aan ‘zodat zij Hem zouden vergezellen’ (Marc. 3:14). Ook zond Hij zijn leerlingen niet alleen uit, maar twee aan twee. Paulus was steeds omringd door medewerkers. Wie als dienstknecht van God alleen staat, groeit scheef. God wil niet dat men apart staat.

  • ‘Gaan we onze weg in het licht, zoals Hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden.’

In de gemeente wordt samengewerkt. Men zoekt contact met elkaar en bouwt samen aan de tempel van God, een geestelijk huis in de hemelse gewesten, terwijl toch ieder de vrijheid houdt om organisatorisch een eigen weg te gaan. Door onderlinge gesprekken, door de band van de liefde en door de eenheid van de Geest leert de mens zien wat hij nog tekort komt en wat nog veranderd moet worden. De Heer gaat verder en de gemeente zonder vlek of rimpel zal geopenbaard worden en dit gebeurt door de prediking en de beleving van het eeuwig evangelie.

De gemeente wil heilig en rein voor de Heer leven en ook geen zonde in de gemeente tolereren. Een voorganger moet voorgaan in een christelijke levenswandel. Hij moet tot zijn volgelingen kunnen zeggen: ‘Volg mij na, zoals ik Christus navolg’ (1 Cor.11:1). ‘Kies daarom, broers en zussen, uit uw midden zeven wijze mannen die goed bekendstaan en vervuld zijn van de heilige Geest’ (Hand.6:3). Eenheid ontstaat niet door een gesprek, maar door een wandel in de hemel, geleid door de Heilige Geest.