Als God naar Zijn volk omziet

Bij een overzicht van de reddingsgeschiedenis valt het op, dat er telkens ‘tijden en gelegenheden’ zijn, waarin God zijn genade royaal wil openbaren. Er zijn seizoenen waarin Hij op een bijzondere manier omziet naar zijn volk. Dan breken er perioden van herstel en vernieuwing aan. In Lucas 19:44 merkt Jezus teleurgesteld op, dat Israël de tijd niet had opgemerkt, toen God naar zijn volk omzag: ‘het volk had het tijdstip waarop er naar hen werd omgezien, niet onderkend.’

Er zijn tijdvakken dat de Heer naar zijn gemeente omziet of ook wel dagen in iemands leven, dat God de mens op bijzondere wijze benadert. Tijdens zulke ‘gevoelige perioden’ geldt het: ‘Laat wie een oor heeft goed luisteren naar wat de Geest zegt’. Zo’n bezoek gaat steeds gepaard met afzondering van het volk van God. Zij worden dan als het ware afgescheiden van allen die geen goede vruchten voortbrengen. Voor zulke mensen ligt de bijl aan de wortel van de boom: ‘Iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen’ (Matth.3:10,11). Zij, die Hem wèl verwachten, brengen Hem echter alle eer en dank.

Het oude verbond

Mozes was een profeet die de stem van God hoorde. Hij kende ‘de tijd en gelegenheid, waarover de Vader de beschikking aan zich had gehouden’ (Hand.1:7). God had de ellende van zijn volk gezien en het gejammer over zijn slavendrijvers gehoord. Na 430 jaar verlieten de Hebreeën Egypte, omdat de Heer omgezien had naar zijn volk. In de geestelijke wereld trof de bijl de wortels van de Egyptische boom, toen de staf van Aäron de staven van de wijzen en tovenaars verslond. Farao en zijn volk werden slachtoffer van satans demonen die zij (net als de collaborateurs vandaag) hadden gediend en zich tegen hen keerden. Israël zong echter aan de behouden oever van de Rietzee het lied van Mozes:

  • ‘Wie onder de goden is aan u gelijk, Heer? Wie is uw gelijke, zo ontzagwekkend en heilig, wie dwingt zo veel eerbied af met roemrijke daden, wie anders verricht zulke wonderen? Wie is aan U gelijk?’ De profetes Mirjam, Aärons zus, pakte haar tamboerijn en alle vrouwen volgden haar, dansend en op de tamboerijn spelend’ (Ex.5:11,20).

Ongeveer 500 jaar later hoorde David ook de stem van God. Hij zou de aartsvijanden van Israël, de occulte Filistijnen, voor altijd verslaan. In de onzienlijke wereld hoorde de koning-profeet in de toppen van de moerbeibomen de stappen van God, die voor hem uittrok (2 Sam.5:24). God zag toen naar zijn volk om. Daarna werd de ark, beeld van de tegenwoordigheid van de Heer, binnen de muren van Jeruzalem gebracht: ‘Onder gejuich en stoten op de ramshoorn brachten David en de Israëlieten de ark van de Heer de berg op, terwijl David uit alle macht voor het aangezicht van de Heer danste, in een linnen priesterhemd’ (2 Sam.6:15-23). De bijl trof echter Michal, de dochter van Saul, de eerste vrouw van David. Zij merkte de tijd van haar bezoeking niet op, maar vond de vreugdetocht van haar man bespottelijk en ongepast. Zij bleef kinderloos en niemand van het nageslacht van Saul zou deel krijgen aan ‘de betrouwbare genadebewijzen van het huis van David’ (Jesaja 55:3).

Het grote omzien

Tijdens het leven van Jezus op aarde zuchtte het volk onder het harde juk van de wet, die veel nieuwe farao’s van de verdrukking hen oplegden. De dagen van het omzien waren echter aangebroken. Zij die de verlossing voor Jeruzalem verwachtten, hoorden de stem van Gods Geest. Zacharias kwam in vervoering en jubelde: ‘Lof zij de God van Israël’. Maria zong blij: ‘Mijn ziel maakt de Heer groot’. Een groot hemels leger ‘loofde God, zeggende: Eer aan God in de hoge’. Herders keerden terug van de voerbak ‘God lovend en prijzend om alles wat zij hadden gehoord en gezien’. Simeon nam het kind in de armen ‘en hij loofde God’. Anna, de oude profetes, ‘loofde God ook’ vanwege het hoge bezoek. Zelfs de occulte magiërs uit het Oosten aanbaden het Kind.

God zag om naar zijn volk en Zijn Woord, Zijn Logos – Joh.1:1, werd vlees. Het kreeg gestalte in een mens van vlees en bloed, vol van genade en waarheid. Het legalisme, het strakke systeem van de wet, stelde zich echter vijandig tegen Christus op. De vraag of Jezus door alle joden gekruisigd werd en allen hieraan schuld hadden, is hiermee beantwoord. Een systeem werkt altijd door zijn leiders, net als vandaag. De rechtzinnige Farizeeën en de hogepriester Kajafas, met dezelfde naam als Kefas, dat is steen, de vertegenwoordiger van de tempelaristocratie, eisten de doodstraf volgens hun wet (Joh.19:7). De onvruchtbare vijgenboom, die zo prachtig in blad stond, een beeld van de huichelachtige vroomheid van de leiders, verdorde vanaf de onzichtbare wortel. De bijl trof de boom in de onzienlijke wereld. Jaren later zou dit in de natuurlijke wereld zichtbaar zijn.

Voordat Jezus de tempeldienst prijsgaf, ‘ensceneerde’ Hij nog een glorieuze intocht om een geheel nieuwe tijd in te luiden. De hele menigte van leerlingen vergezelde Hem, toen deze Zoon van David zijn residentie binnentrok. Zij namen palmtakken en riepen: ‘Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij die komt in de naam van de Heer; Hosanna in de hoogste hemelen’. Later begrepen de leerlingen dat zij dit met Hem gedaan hadden om uit te beelden hoe Jezus als Koning de poorten van het hemelse Jeruzalem zou binnengaan onder gejuich en aanbidding van de hemelingen. Voortaan zou Hij daar zijn volk verzamelen. Van het aardse Jeruzalem nam Hij huilend afscheid, want het had de dag van het omzien door God niet opgemerkt (Lucas 9:20-44).

De uitstorting van Gods Geest

Na de hemelvaart van Jezus bezocht God zijn volk opnieuw. Het was nu: ‘de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding’ (2 Cor.6:2). Er ontstond een gemeente die gelukkig was, omdat Gods Geest over haar was uitgestort. Men was eensgezind bij elkaar en loofde God. Toen de vonk van Gods genade oversloeg, bereikte de vreugde een hoogtepunt. De voormalige Farizeeër schreef: ‘Ik zal lofprijzen met mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand’. Hij getuigde zelfs: ‘Zijn we in extase, dan is het voor God; zijn we bij zinnen, dan is het voor U’ (2 Cor.5:13). De Statenvertaling heeft hier ‘uitzinnig’ en de vertaling Brouwer luidt ‘buiten zinnen’. Hield men Jezus ook niet zo nu en dan voor uitzinnig (Marc.3:21 en Joh.10:20)? Paulus werd zelfs een keer ‘weggevoerd tot in de derde hemel’. Of dit in of buiten het lichaam was gebeurd, kon hij zich niet meer herinneren (2 Cor.12:1-4). Op Patmos raakte de apostel Johannes in geestvervoering.

Paulus schreef vanuit zijn gevangenis aan de gemeente: ‘zing met elkaar psalmen, hymnen en liederen die de Geest u ingeeft. Zing en jubel met heel uw hart voor de Heer’ (Ef.5:19). Met zijn medewerker Silas zong hij lof aan God in de kerker te Filippi. Had Jezus ook niet gezegd: ‘Gelukkig bent u wanneer de mensen u vanwege de Mensenzoon haten en buitensluiten en beschimpen en uw naam door het slijk halen. Wees vrolijk als die dag komt en spring op van blijdschap, want jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel. Vergeet niet dat hun voorouders de profeten op dezelfde wijze hebben behandeld’ (Lucas 6:22,23)?

Hoe vaak zal onze Heer dit opspringen van vreugde in eigen leven gepraktiseerd hebben? Hoe groter de tegenstand, hoe meer vreugde in God. Wie Jezus, ondanks tegenspoed en aanvechtingen van de satan, zo navolgt, ondergaat een metamorfose. Toen God naar zijn volk omzag en zijn kracht neerdaalde, zei ‘het verkeerde geslacht’ minachtend: ‘Zij hebben te veel zoete wijn gehad’, want de leerlingen waren veel te enthousiast.

Kerkgeschiedenis

Uit Israël was de ark weggenomen en in de kerken van vandaag is ook de aanwezigheid van Gods Geest verdwenen. In de dagen van koning Josia was het wetboek verdwenen en in bepaalde kerken is de Bijbel tot een verboden boek voor de leken verklaard. In andere kerken zijn de woorden van God zo verminkt dat er geen enkel leven meer kan ontstaan. Israël diende allerlei afgoden en in de afgevallen kerken worden de doden net als de beelden van heiligen geadoreerd.

Tijdens de reformatie zag God opnieuw om naar zijn volk. De Bijbel werd weer gelezen en de beelden verdwenen, maar de dopers van de derde reformatie werden tot bloedens toe door alle officiële kerken vervolgd, omdat zij weigerden hun baby’s te laten besprenkelen. Overal ontstonden volkskerken en later familiekerken op oudtestamentische grondslag. Iedere zondag was er een wetsvoorlezing en het resultaat ervan was te vergelijken met dat van het oude verbondsvolk. Het werd ‘een bediening van de dood’. De rechtzinnigen zongen in hun samenkomsten alleen psalmen, waarin de naam van Jezus niet voorkomt, terwijl Jezus had gezegd dat men de Zoon zou eren net als de Vader. In plaats van het evangelie van bevrijding en herstel te verkondigen, leerde men dat ziekte een zegen en ellende een gunst van God was.

Het eigen ‘ik’ doden

De mens werd tot een nietig wezen verklaard, die toch naar de volmaaktheid moest streven, want ‘de eis van de wet bleef’. In talrijke nieuwe groeperingen zong men, dat het eigen ‘ik’ gedood moest worden en ‘neem mij, breek mij geheel’. De gelovige werd een vijand van zichzelf en toch moest hij de naaste liefhebben als zichzelf. In het begin van de vorige eeuw bezocht God zijn volk opnieuw. In een kleurlingenkerk te Los Angeles viel de late regen. Men begon daar, net als de eerste christenen in talen te bidden en in de geest de Heer te loven en te prijzen. Het gevoelsleven, dat eeuwenlang een verwaarloosde factor in de kerken en kringen geweest was, kreeg de volle aandacht. Het Woord dat door formulieren, belijdenisgeschriften en leringen van mensen tot dode ‘leer’ geworden was, werd weer vlees. De uitingen van het emotionele leven in de herboren mens werden tot een grote kracht in de pinksterbeweging. Men klapte in de handen of hief ze getuigend omhoog. Men profeteerde en kreeg visioenen als in tijden van ouds. Dankzij het accepteren van de emotionaliteit in het geloofsleven bestaat de helft van alle christenen in Afrika en Zuid Amerika uit pinkstergelovigen.

Ook nu ligt de bijl aan de wortels van de bomen. Een gereformeerd weekblad schreef dat een godsverduistering, die met de handen te tasten is, over de kerken is gekomen. Dit gemis aan Goddelijk leven bedreigt de mens ook nu, als men de tijd van het omzien niet opmerkt en wanneer het Woord een steen of een leersysteem wordt. Het woord wordt pas vlees, als het menselijke, het vreugdevolle, maar ook het zuivere en onberispelijke wordt geopenbaard. Wanneer er weer liefde is voor de enige Waarheid en gebondenen worden bevrijd en zieken worden genezen. Wanneer de Heer meewerkt door tekens en wonderen. Paulus schreef ter waarschuwing: ‘Maar ik zal spoedig naar u toe komen, als de Heer het wil en dan zal ik wel te weten komen of die opscheppers het bij woorden laten of dat ze werkelijk kracht bezitten’ (1 Cor.4:19,20). Ieder zal geoordeeld worden naar de vruchten die hij opbrengt, die van gerechtigheid, liefde, geduld, goedheid, trouw en zelfverloochening. Daarom stellen opnieuw geboren christenen zich bescheiden op, hoewel zij het evangelie van de heerlijkheid van Christus duidelijk zien.

God zoekt aanbidders

Ook nu wil God nog steeds naar Zijn volk omzien. Helaas zien maar weinig mensen dit. Enerzijds is er in de antichristelijke kerk een aanbidding van boze geesten en van het beest (Op.13:1), dat uit de afgrond opkomt, anderzijds zullen vertegenwoordigers van de ware gemeente neerknielen voor de troon om God te aanbidden. De gemeente, de tempel van God in het geestelijk Jeruzalem, wordt gemeten naar het aantal van hen die aanbidden (Op.11:1). Bij de tweede exodus trekt de eindtijdgemeente onbeschadigd door de zee van glas en vuur, beeld van een demonische verdrukking, om aan de overzijde het lied van Mozes te zingen en het lied van het Lam. Aan de overkant juichen zij: ‘Wie zou U niet vrezen en uw naam niet verheerlijken?’ (Op.15:1-4).

Eeuwenlang heeft men zich verwijderd van de hemelse berg Sion en in zijn afvallige tijd zelfs de aardse berg Sion als eerste doel gesteld. In de eindtijd breekt echter de tijd aan dat een massale stoet, een menigte die niemand tellen kan uit alle volken, deze berg gaat bestijgen met overwinningsliederen en gejuich: ‘Wie door de Heer zijn bevrijd, keren terug. Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige vreugde. Gejuich en vreugde trekken de stad binnen, gejammer en verdriet vluchten eruit weg’ (Jes.51:11).

Aan het einde zal God omzien naar alle volken van de wereld. Als deze volheid van de heidenen binnengaat, zal ook ‘heel Israël (aldus – door persoonlijke bekering!) behouden worden’ (Rom.11:25,26). Johannes deelt mee dat de grote menigte palmtakken in de handen heeft. Hij herinnert hierbij aan de vreugdevolle, symbolische intocht van Jezus in het aardse Jeruzalem. Op de top van de berg, het tempelplein, omringen de 144.000 apostelen van de eindtijd (symbool van 1000 x 12 x 12) het Lam van God. Als trouwe herders leidden zij de grote menigte het hemelse Jeruzalem binnen.

Deze zonen van God zingen een overwinningslied. Hun lied kan niemand leren, want de melodie ervan ontbreekt in ieder zangboek. Zij zingen in nieuwe talen. Daarom klinken hun stemmen als geruis van veel samenstromende en door elkaar vloeiende wateren. Zo wordt deze geestelijke gave bij hen tot ontwikkeling gebracht om in het einde op volmaakte wijze op te klinken voor God en het Lam (Openb.7:9-12 en 14:1-5). Het Griekse woord voor aanbidden is pros-kuneo. Het betekent letterlijk: naar iets of iemand toegaan om het als voorwerp van verering te kussen. Zo was er sprake van het kussen van Baäl en het kussen van de kalveren (1 Kon.19:18; Hos.13:2). De psalmist zegt echter: ‘Kus de Zoon’. Zoek een intiem contact met Hem te krijgen en huldig Hem als voorwerp van uw verering. 

Beste lezer, misschien hebt u ook een nieuwe visie nodig in deze moeilijke tijd. God ziet naar zijn volk om, Hij ziet ook om naar u. Open uw hart voor dit omzien. Waar echter ook gesproken wordt van aanbidding van het beest, neem dan ook de vermaning van de apostel ter harte:

  • ‘Doof de Geest niet uit en veracht de profetieën niet (dus wat de Geest ons in deze tijd toont ), die Hij u ingeeft. Onderzoek alles, behoud het goede’ (1 Thess.5:18).