12 beelden van de gemeente

  • ‘Ik zal vertellen wat sinds de grondvesting van de wereld verborgen gebleven is’ (Mattheüs 13:35).

Het Koninkrijk der hemelen werd door Jezus in gelijkenissen uitgebeeld. Het is daarom niet te verwonderen, dat ook de gemeente van het nieuwe verbond in beelden getekend wordt. Haar vele facetten en haar functie, haar plaats op aarde en in de hemel, haar wezen en de onderlinge verhouding tussen haar leden, worden door deze voorstellingen, die alle aan de natuurlijke wereld ontleend zijn, uitgedrukt. Van deze beelden moet men nooit de werkelijkheid zelf gaan maken. Het blijven slechts beelden van de gemeente, die het plan van God tonen in verband met haar opbouw en voltooiing. In de volgende beelden komen steeds drie belangrijke elementen terug, namelijk: de gemeente, Jezus Christus en Gods Heilige Geest.

1. Een lichaam

In Colossenzen 1:18 staat: ‘Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente’. In Efeze 4:12 wordt gezegd: ‘Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd’. Bij een lichaam is sprake van een organische samenhang, een verbondenheid in groei en in leven. De christen wordt niet individueel gelukkig, maar hij is een onderdeel van het geheel. Hij moet leren in het lichaam zijn plaats in te nemen. De kinderen van God zijn als cellen van het lichaam, een onverbrekelijke eenheid en de liefde voegt hen samen. Liefde bestaat niet in mooie, vaak misleidende woorden, maar uit de positieve houding, die de ene cel ten opzichte van de andere in de gemeente heeft. Wordt een cel ziek, dan zullen de omringende cellen (geen buitenstaanders, maar leden van de gemeente) de genezende kracht inbrengen.

Jezus is het hoofd van het lichaam. Uit Hem gaan alle impulsen en Hij leidt en bestuurt zijn gemeente. De Heilige Geest kan men in dit beeld vergelijken met de levensgeest. Deze is de kracht, die het lichaam intact houdt en die zich in elk lid afzonderlijk openbaart (Ef.4:16). Romeinen 8:2 spreekt van de levensgeest, die hen die in Christus Jezus zijn, vrijgemaakt heeft van de wet van de zonde en de dood. In elk lichaam vormt het bloed door de levensgeest op de ene plaats een nagel, op de andere een haartje, elders een huidcel, een papil, een spier of zenuw. Zo zijn er in de gemeente door de werking van de Heilige Geest apostelen en profeten, leraars, evangelisten, krachten, gaven van genezing, bekwaamheden om te helpen en te besturen, verscheidenheid van tongen. De Geest vormt ze en geeft ze allemaal hun plaats en hun kracht.

2. Een tempel

‘Weet u niet dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont?’ (1 Cor.3:16). ‘In wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door zijn Geest’ (Ef.2:22). Het beeld van de tempel geeft de heiligheid van de gemeente weer. Zij is afgezonderd van het kwaad en toegewijd aan de dienst van God. In haar wordt God groot gemaakt en aangebeden. Deze tempel is opgebouwd uit stenen, waarvan de apostel zegt: ‘Laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel’ (1 Petr.2:5). Iedere steen op zichzelf is dus eigenlijk weer een tempeltje, waar God in woont. Samen vormen zij de gemeente van de Heer. In dit gebouw is Jezus Christus ‘de uiterste hoeksteen’, het model en ook de grondslag. Naar Hem worden alle andere stenen gevormd, zodat zij ‘aan het beeld van de Zoon gelijk zullen gaan worden’.

3. Een koninkrijk van priesters

‘Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters’ (1 Petr.2:9). Dit beeld is ontleend aan de tempeldienst en wijst op de taak van de gemeente in het hemelse heiligdom. Waar priesters zijn, is ook een hogepriester. ‘Dat wij een Hogepriester hebben die in de hemel plaatsgenomen heeft aan de rechterzijde van de troon van Gods majesteit en die de dienst vervult in het ware heiligdom, de tent die door de Heer en niet door mensenhanden is opgericht’ (Hebr.8:1,2). Deze hogepriester is Jezus Christus. Hij heeft een exclusieve taak. Hij verzoende de schulden en reinigt van zonden. Het priesterdom van het nieuwe verbond brengt in de tempel van God zijn lof- en dankoffers en is met zijn gebed en bediening voor de gebonden, zieke en aangevallen broeder de bemiddelaar. Zo zijn gelovigen priesters naar de orde van Melchizédek, want net zoals de enige Hogepriester bezitten zij geen priesterschap, dat op natuurlijke afstamming berust. Tenslotte komt de vraag: wie maakt hen tot priesters? Het antwoord is, dat zij in de onzienlijke wereld hiervoor gezalfd zijn door Gods Heilige Geest.

4. Een kandelaar

Er is nog een beeld voor de gemeente, dat aan de tempeldienst ontleend is. Op Patmos zag Johannes ‘zeven gouden kandelaars en tussen de kandelaars iemand als een mens’. Tot hem werd gezegd: ‘En de kandelaars zijn de zeven gemeenten’ (Op.1:12,20). De gemeenten zijn kandelaars. Zij zijn het licht van de wereld, want ‘het leven is het licht voor de mensen’. Zij horen niet onder de tafel te staan, maar ieder te beschijnen, die het waarachtige licht zoekt. De Heer van de gemeenten wandelt tussen de kandelaars en hij verzorgt en reinigt hen, zodat zij meer licht verspreiden. Tenslotte is de olie het beeld van de Heilige Geest. Hij is in de gemeenten en voedt het licht, dat zij uitstralen.

5. Een kudde

‘Dan zal er zijn één kudde, met één herder (Joh.10:16). De verhouding tussen Christus en de gemeente is die als van de herder en zijn kudde. ‘De schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen’. Het is voor veel individuele gelovigen zeer moeilijk te aanvaarden, dat zij ‘kuddedieren’ moeten zijn. Zij zijn geen lid van een gemeente, maar zwerven hier en daar naartoe. Van de goede herder wordt gezegd, dat hij zijn kudde doet ‘rusten in groene weiden en brengt haar naar rustige wateren’. Jezus Christus voedt de gemeente door zijn Woord en doet haar drinken van het Levenswater, beeld van Gods Heilige Geest. De herder roept uit: ‘En wie dorst heeft, komt en wie wil, neemt het levenswaters voor niets’. De vijand probeert een schaap van de kudde te isoleren. Hij voert hem van de kudde af om zo zijn prooi gemakkelijker te kunnen overvallen en verslinden. In de gemeente vindt het kind van God onder toezicht van de goede Herder, tussen van zijn broers en zusters, zijn geestelijke bescherming. De ware christen is nooit een ‘Einzelgänger’ of alleenstaande.

6. De ranken

‘Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken’ (Joh.15:5). In dit beeld wordt opnieuw gewezen op de organische verbondenheid tussen Christus en de gemeente. Alles is uit Hem en: ‘wie in Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel vrucht’. De rank heeft geen vrucht uit zichzelf, maar door haar verbondenheid met de wijnstok stromen de levenssappen naar haar toe. Deze sappen zijn het beeld van Heilige Geest. Het volle accent ligt in deze gelijkenis op het vrucht dragen.

7. Een huisgezin

In 1 Timotheüs 3:15 staat een voorschrift, hoe bestuurders en oudsten van een groot gezin zich moeten bewegen en gedragen. ‘Het huis(gezin) van God, dat is de gemeente van de levende God’. Een gemeente moet een goed gezin vormen, want zij is een ‘pijler en fundament van de waarheid’ in deze wereld, zoals goede gezinnen in het natuurlijk leven een pijler en het fundament van de maatschappij vormen. Het huisgezin van God bestaat uit broers en zusters, waarvan Jezus de oudste is. Hij brengt veel zonen tot heerlijkheid (Hebr.2:10). ‘Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broers gelijk worden’ en: ‘Hij schaamt zich niet hun broers te noemen’. Jezus Christus is de eerste van veel broers. Hij gaf als oudste het voorbeeld, hoe zij zouden wandelen en zich in deze wereld gedragen. Zij vormen één gezin, omdat één Geest in hen woont en zij allen dezelfde Vader hebben. Gods Heilige Geest woont in Christus en woont ook in zijn broers en zusters. Door deze Geest kan Hij ze tot heerlijkheid voeren, dat wil zeggen volmaken van één Geest.

8. Een wolk

‘Toen zag ik dit: een witte wolk, en daarop zat iemand die eruitzag als een mens’ (Op.14:14). Een wolk bestaat uit veel waterdruppels, die bij elkaar gehouden worden door de kracht van cohesie. Zo is er een liefdesband, die allen in de gemeente verbindt. Deze wolk is ontstaan, doordat op onzichtbare wijze het water uit de zee opsteeg. De zee is beeld van het geestelijk leven van de natuurlijke mens. Door de kracht van Gods Heilige Geest worden allen die opnieuw geboren zijn, omhoog getrokken. De wolk wijst dus op de hoge en verheven positie van de gemeente in de hemelse gewesten. De gemeente hoort niet bij de aarde, maar bij de hemel. De witte kleur van de wolk beeldt de gerechtigheid uit, die de gemeente bezit. Met deze wolk is de Mensenzoon onafscheidelijk verbonden. Waar Hij zich bevindt, is de wolk. Als Hij weer terug komt, is dit niet met een verzameling individuen, maar met de wolken, met de gemeenten, met de zijnen.

9. Een leger

‘Het hemelse leger, gekleed in zuiver, wit linnen, volgde Hem op witte paarden’ (Op.19:14). De gemeente is een leger bestaande uit ‘heren’. De aanvoerder heet: ‘Hoogste Heer’, of Jezus Christus, het Woord van God. Het leger wordt gevormd door een volk van heiligen, van dappere ridders. Zij zijn een ‘Herenvolk’, allen van top tot teen gewapend en strijd voerend in de hemelse gewesten. Zij bezitten een ‘helm van de redding’, die hun gedachteleven beschermt, zodat zij alleen bezig zijn met het heil of de heling en niet met de werken van de Satan. De gemeente leeft niet uit het besef: het wordt toch niets en het zal zo gemakkelijk niet gaan, maar haar leden hanteren allen het zwaard van de Geest, dat is het woord van God. Dit beeld legt de nadruk op de strijdbaarheid van de gemeente. Ze zijn allen bezield door één Geest, namelijk om te overwinnen, want ook voor hen geldt: zij trekken uit, overwinnende en om te overwinnen!

10. Een volk

De gemeente wordt met het volk Israël vergeleken. Zij heet het Israël van God. Dit volk bestaat uit louter koningen. Jezus Christus wordt daarom genoemd: ‘Koning van de koningen’. Op aarde heeft de gemeente niets te zeggen en ondervindt zij tegenstand, verdrukking en vervolging, maar in de hemelse gewesten is zij een koninklijk priesterdom. Zij heeft daar macht en autoriteit in de naam van Jezus. Ook hier mag men van het beeld zelf geen werkelijkheid meer maken. Israël was het uitverkoren volk in de schaduw en het Israël van God, de gemeente, is het uitverkoren volk in de hemelse gewesten. In ons beeld is dus Christus de koning van zijn volk en door de Heilige Geest zijn wij gezalfd tot koningen.

11. Een tuin

De gemeente wordt met een tuin vergeleken. ‘U bent Zijn akker’ (1 Cor.3:9). Wij stonden als planten in het rijk van de duisternis, maar wij zijn overgeplant en nu ‘geworteld en gegrond in de liefde’ (Ef.3:17). Jezus was de eerste boom in de tuin van God, zoals de Levensboom de belangrijkste was in het aardse paradijs. ‘Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus’ (Ef.4:15). Deze groei, om aan Hem gelijk te worden, mag niet belemmerd worden. Daarom is het nodig dat het onkruid (de dwaling) gewied en het ongedierte (de demonen) vernietigd wordt. Van verkeerde planten wordt gezegd: ‘Elke plant, die mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden’ (Matth.15:13). De tuin ontwikkelt zich: er zijn lage en hoge planten met tal van kleuren en geuren.

De ‘wijsheid van God in al haar schakeringen’ openbaart zich alleen ‘door middel van de gemeente’ als een hemels paradijs. In het midden van de hof bevindt zich de Levensboom, beeld van Christus en om Hem ontwikkelt zich de bladeren van de Boom. Het werk van de Heilige Geest wordt in deze allegorie voorgesteld door ‘een rivier van het Levenswater, helder als kristal’ (Op.22:1). Paulus zag in visioenen de voltooide gemeente, toen hij opgetrokken werd tot in het paradijs. Vol verwondering zag hij wat zijn evangelie in mensen tot stand zou brengen: ‘Zusje, bruid, een besloten hof ben jij, een gesloten tuin, een verzegelde bron. Aan jou ontspruit een boomgaard vol granaatappels, met een overvloed aan vruchten, hennabloemen, nardusplanten, nardus en saffraan, kalmoes en kaneel, wierookbomen, allerlei soorten, mirre, aloë, balsems, allerfijnst. Je bent een bron omringd door tuinen, een put met helder water, een bergbeek van de Libanon!’ (Hoogl.4:12-15).

12. Een vrouw

In Openbaring 21:9 is sprake van ‘de vrouw van het Lam’: ‘Zijn bruid staat klaar’ (Op.19:7). Paulus schrijft: ‘Of weet u niet dat wie zich met een hoer verenigt samen met haar één lichaam wordt? Want de Schrift zegt: ‘Zij zullen één lichaam zijn.’ Maar wie zich met de Heer verenigt wordt met hem één geest’ (1 Cor.6:16,17). ‘Want een man is het hoofd van zijn vrouw, zoals Christus het hoofd is van de gemeente’ (Ef.5:23). Dit beeld wijst op de gemeenschap, die de gemeente heeft met Jezus Christus door de Heilige Geest. Zoals in het natuurlijk leven een huwelijk ongebroken en niet te scheiden moet zijn, zo wil Christus in de geestelijke wereld in trouw en liefde een onverbrekelijke band met zijn volk hebben. Ieder contact dat een christen in de geestelijke wereld buiten Christus zoekt, wordt als overspel gekwalificeerd. Van de kant van de Heer wordt de band nooit verbroken, want er staat: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? (Rom.8:35). Het antwoord is, dat niets in de hemel of op de aarde Hem van gedachten kan doen veranderen. Daarom vermaant Hij:

  • ‘Blijf in mijn liefde’ en ‘Wees trouw tot de dood’ (Joh.15:9; Op.2:10).