Toch zal ik juichen!

Dat ik in een gemeente ben terechtgekomen waar ze het eeuwig evangelie brengen, is heel bijzonder want ik kom uit een heel andere richting. Bij ons thuis waren ze christelijk gereformeerd; acht kinderen hadden mijn ouders, waar ik er dus één van was. Dat heeft voordelen, maar ook nadelen. Ik heb dan ook altijd de indruk gehad dat er te weinig aandacht besteed werd aan onze problemen als kinderen. Voorlichting op seksueel gebied bijvoorbeeld ontvingen we niet, net als onze ouders dit zelf ook niet gehad hebben. In zulke zware kringen wordt daar niet over gesproken, maar de problemen zijn er niet minder om. Ik heb tenminste op dit gebied nogal wat beschadigingen opgelopen.

Ik was anders wel een serieus zoekende jongen; vaak ging ik zondags drie keer naar de kerk en dat deed ik helemaal vrijwillig. Ik zocht God, ja ik wilde zelfs voor Hem leven. Toen ik ongeveer zeventien jaar was, werd ik door bepaalde situaties gedwongen om goed na te denken, ik zag dat ik de Heer Jezus moest aannemen. Ik beleed mijn zonden en vroeg Hem om vergeving; deze vergeving ontving ik. Nu ik bekeerd was zocht ik contact met medegelovigen die deze ervaring ook kenden. Zo kwam ik bij pinkstergroeperingen terecht. Toch bleef ik ook onze kerk bezoeken. Maar al gauw beviel het me beter in pinksterkringen dan in de kerk. Ik leerde meer van Gods wil te verstaan, ook wat betreft de doop in water. En ik heb me dan ook inderdaad laten dopen; ik wilde de Heer gehoorzaam zijn. Toen ik dit laatste thuis besprak, kreeg ik fel verweer. Met mijn ouders sprak ik er daarom bijna nooit over, omdat ik wist dat hier grote verwijdering door zou ontstaan en dat wilde ik niet.

Na die tijd verliet ik mijn ouderlijk huis en ging ik in een andere plaats wonen. Ook in deze omgeving bezocht ik pinkstergroepen. Verlangend als ik was om de Heer te dienen, heb ik aan veel evangelisatiewerk meegedaan; ik vond het erg fijn om andere mensen van Jezus te vertellen. Toen ik hoorde dat er een Bijbelschool opgericht zou worden, ben ik daar naartoe gegaan en heb ik mijn diensten aangeboden. Allereerst mocht ik meehelpen met de bouw en vervolgens ben ik twee jaar als student mee opgetrokken met de anderen. Naast de theoretische studie deden wij ook veel aan praktisch evangelisatiewerk en dat is erg leerzaam geweest. Vooral door het folderen kreeg je een grote vrijmoedigheid tegenover de mensen.

Van mijn gebondenheden werd ik jammer genoeg niet verlost. Met roken bijvoorbeeld heb ik erg veel strijd gehad en ook de onreine machten maakten het me vaak knap moeilijk. Men kende hier echter niet de strijd in de hemelse gewesten. Ook andere medestudenten zaten met dergelijke dingen, terwijl wij allen toch een groot verlangen hadden om zuiver te leven en de Heer te dienen. Er was geen inzicht in de onzienlijke wereld; men hield zich meer bezig met allerlei dwalingen, zoals bijvoorbeeld die van het aardse Israël. Toch heeft de Heer na veel strijd me van het roken verlost.

Wij hoorden van samenkomsten van Volle Evangelie Gemeenten. Daar gebeurden fijne wonderen van bevrijding, vervulling en genezing. Toch werden wij hiertegen gewaarschuwd; het was allemaal van de duivel wat daar gebeurde. Dus ging ik daar niet heen. Wel verhuisde ik nog een keer. Ook daar voegde ik me weer bij een pinkstergroepen deed ik volop mee aan alle activiteiten. We deden veel kinderwerk en ik vond het fijn om daar een actief aandeel in te hebben. Financieel heb ik het erg moeilijk gehad, omdat mij geleerd was om alles aan de Heer te geven. Dat heb ik inderdaad gedaan, maar het gaf vaak wel moeilijkheden. Achteraf kan ik zeggen dat de Heer ook hierin me nooit in de steek gelaten heeft.

Eindelijk kreeg ik een normale baan. Dat moest ook wel, in die tijd kreeg ik verkering. Wij hadden allebei eenzelfde roeping: kinderwerk. Dat hebben we samen graag gedaan (in onze vrije tijd). Wat de Volle Evangelie Gemeente betreft kan ik zeggen dat zowel mijn vrouw als ik daar toch zijn terechtgekomen. Er is daar met mij gebeden voor bevrijding van onreinheid en dat is niet zonder resultaat gebleven. Deze demonen werden verdreven in de Naam van Jezus Christus, onze Heer. Ik merkte dat het allemaal laster geweest was wat men verteld had over deze gemeente. Door de toespraken in de gemeente ging ik begrijpen wat het Koninkrijk van God eigenlijk inhoudt; ook kreeg ik kijk op de realiteit van de onzienlijke wereld. Je moet niet vechten tegen jezelf of tegen je ‘eigen’ zonden, maar tegen de demonen van de duisternis in de hemelse gewesten. Toen ik dat eenmaal begon te zien, had ik een belangrijke sleutel in handen.

Jarenlang had ik niets begrepen van de dingen van de eindtijd; ik wachtte altijd maar op de terugkomst van de Heer op de wolken. Ik begrijp nu dat de Heer zit te wachten op zijn gemeente, tot deze zich gaat ontwikkelen als een gemeente zonder vlek of rimpel, een volmaakt geestelijk lichaam. In de gemeente waar wij nu komen wordt de leer van het Koninkrijk van de hemelen inderdaad gebracht en we proberen met elkaar om deze ook in de praktijk te realiseren. Dat is juist het mooie hiervan: je merkt in de dingen van alledag dat deze boodschap ‘werkt’. Vooral in ons gezin zien we vaak dat deze dingen reëel zijn.

We hebben bijvoorbeeld een tijd gehad dat de kinderen ‘s avonds en ‘s nachts vaak wakker waren en huilden. In het begin raakten we daardoor gestresst. Maar naarmate we deze dingen geestelijk gingen onderkennen en geestelijk gingen bestrijden, kwam hierin de overwinning. Ons oudste dochtertje had op school nogal wat moeite met taal en aardrijkskunde; wij wisten maar één oplossing: bidden en strijden om haar vrij te houden van elke verkeerde beïnvloeding van het rijk van de duisternis. Al heel gauw begonnen haar cijfers veel beter te worden.

Ons jongste dochtertje heeft een tijd gehad van verschrikkelijke hysterische buien; ons bidden hielp dan niet, later ging het dan soms weer wat beter. Ook in de gemeente hebben we er verschillende keren voor laten bidden, maar er kwam geen totale overwinning Totdat op een keer in een gesprek met ons voorgangersechtpaar de Heer opeens inzicht gaf waar de oorzaak lag. Nadat we deze boze macht met elkaar gebonden en uitgedreven hadden, kwam het kind in de vrijheid.

Zelf heb ik diverse keren met me laten bidden, omdat ik me altijd opgejaagd voelde en erg onrustig was; ik moest dan weer dit en dan weer dat; ik kon eigenlijk nooit mezelf zijn. Die rust die ik nodig had is gekomen. Veel last had ik van minderwaardigheid. Maar de Heer heeft mij vrijgemaakt van deze gebondenheid en het is fijn dit te ervaren dat je niet minder bent dan een ander, maar dat je mag leven zoals de Heer dat bedoeld heeft.

Ruim anderhalf jaar geleden begon bij ons een vreselijk moeilijke periode. Ons zoontje kreeg buikklachten. In het begin besteedden we er niet zoveel aandacht aan; we baden ervoor en geloofden dat het wel weer over zou gaan. Toen na verschillende keren van bidden en strijden er geen overwinning kwam, besloten we om de dokter te raadplegen. Deze verwees na onderzoek meteen naar het ziekenhuis, waar hij acuut werd opgenomen. Het eerste onderzoek wees uit dat hij een tumor had; het kind bleef daar ter observatie. Diezelfde avond kwam het grootste deel van de gemeente bij ons thuis voor een bidstond, speciaal voor onze zoon. Moest een kind van acht jaar een dodelijke kwaal hebben? Dat konden we niet geloven, met elkaar gingen we voor hem op de bres staan. We zouden dat in de loop van de tijd nog heel wat keren moeten doen, want het bleek inderdaad een kwaadaardig gezwel te zijn. Ons kind was dus een kankerpatiënt! Dit feit smeedde ons als gemeenteleden meer dan ooit aaneen; we voelden het als een gemeenschappelijke nood. Door die bidstonden werden wij als ouders altijd bijzonder versterkt.

Na een aanvankelijke verbetering werd de toestand ernstiger als ooit; het werd een lijdensweg. Tweemaal werd het kind geopereerd, tweemaal heb ik bloed afgestaan, maar het mocht allemaal niet helpen. Uiteindelijk hebben we hem thuis laten komen, toen er toch niets meer aan te doen was. Zo hebben we nog bijna één week met hem opgetrokken en hem met liefde omringd. Toen kwam op een avond het onherroepelijke einde. Hoewel we ons er op voorbereid hadden, kwam het toch nog te plotseling. Opstandig waren we niet, maar er bleven natuurlijk wel vragen.

Samen met onze voorganger en zijn vrouw en in bijzijn van de dokter die snel ter plaatse was hebben wij gebeden. Een wonderlijke rust was er onder ons, geen gejammer en geweeklaag. Als het wel zo was geweest had niemand ons dat kwalijk kunnen nemen, want het is heel wat om een kind te verliezen en helemaal door deze vreselijke ziekte. Geen moment hebben we God de schuld gegeven; wij geven de duivel de schuld van alle ellende die er is, ook van het leed dat ons nu trof. Vijf maanden had de strijd geduurd, een tijd waarin we veel geleerd hebben en geestelijk sterker zijn geworden. We weten dat we de hoge weg bewandelen, maar zien ook dat wij nog niet op die hoogte zijn waar we moeten zijn.

In heel die moeilijke tijd hebben mijn vrouw en ik kunnen getuigen van de kracht die de Heer geeft en dat willen we ook hier doorgeven. Zelfs op de begrafenis gaf de Heer mij kracht om een woord van getuigenis te spreken. Met Habakuk kon ook ik zeggen, dat al zou de vijgenboom niet bloeien en er geen opbrengst aan de wijnstok zijn, ‘toch zal ik juichen in de Heer’. Het is wonderlijk om in zulke vreselijk moeilijke situaties de rust en de blijdschap van de Heer te mogen ervaren Zoiets heb je beslist niet van jezelf. Mijn vrouw en ik en ook de andere twee kinderen zijn er goed doorheen gekomen, al had onze oudste er aanvankelijk veel moeite mee.

Veel steun hebben we ondervonden van de gemeente en dit is nog steeds het geval. Misschien juist omdat onze gemeente niet groot is zijn wij enorm met elkaar verbonden. Bovenal is het de Heer die ons steeds heeft vastgehouden. We zijn blij dat we over een maand of vier nog een kleine erbij zullen krijgen; daar verheugen we ons allemaal erg op. We hebben het volle vertrouwen dat de Heer alles goed zal maken. God is alleen maar goed, we weten het en we geloven het. Hij zal ons verder doen groeien totdat wij als zonen van God openbaar zullen worden. Dan zullen ook die demonen die nu nog sterker blijken te zijn, onder onze voeten vertrapt worden. Zo gaan wij dan van overwinning tot overwinning. Geprezen zij de naam van Jezus!