Geen vroom gepraat meer

We maakten een samenkomst mee van een gemeente, waar het eeuwig evangelie gebracht werd. Waar dit in ons denken altijd verbonden was met het begrip ‘zwaar van leer’, was het voor ons een openbaring te zien hoe ook hier het echte evangelie geloofd en beleefd wordt. Terwijl op die zondagmorgen in dat dorp in de verschillende kerken de aloude psalmen op antieke wijze gezongen werden, maakten wij een zangdienst mee waar het heel anders toeging. Blijde lofliederen, blij gezongen met vrolijk handgeklap ondersteund, een Bijbels gegeven dat hier gepraktiseerd werd.

We zijn eens gaan praten met de voorganger en zijn vrouw, Henk en Els. Hoe zijn zij ertoe gekomen om in dit dorp de boodschap van het evangelie te gaan brengen? En vooral: hoe zijn zij zelf op deze weg gekomen? We hebben uitvoerig met elkaar hierover gesproken en laten een deel van dit gesprek hier volgen.

  • Allereerst een vraag voor Henk: bent u gelovig grootgebracht?
  • Ja, dat wel, nou ja ik kan beter zeggen dat ik kerkelijk groot gebracht ben. Ik was een van de tien kinderen van een gereformeerd gezin. We waren nogal flink ‘zwaar’; ik ging dan ook elke zondag tweemaal naar de kerk. Verplicht en nog lopen ook! Verder mochten we niks op zondag.
  • Het geloof was dus voor u geen zaak van blijheid?
  • Beslist niet. Ik probeerde me er zoveel mogelijk aan te onttrekken. Zo ging ik zomers vaak stiekem zwemmen op zondag. Vooral toen ik wat ouder werd, kreeg ik helemaal maling aan de kerk en haar geboden en verboden.
  • Hield u dan geen rekening met God? Geloofde u niet in Hem?
  • Ik had wel een bepaald godsbesef en geloofde ook nog wel in een leven na dit leven. Vandaar dat ik een enorme angst voor de dood had.
  • Hoe was verder uw leven in die tijd?
  • Ik was onbeheerst, vreselijk driftig, vloekte erop los en had soms woede­aanvallen dat ik niks meer zag.
  • Uw kerkelijke opvoeding heeft bij u dus niet veel positiefs opgeleverd?
  • Nee, ik wist alleen de vroomheid af en toe wel te gebruiken, wanneer het me van pas kwam. Dan kon ik heel mooi en vroom praten. En de mensen trapten er nog in ook. Maar in wezen bedroog ik mezelf.
  • Bent u ‘kerkelijk’ getrouwd?
  • Ja, in de gereformeerde kerk. Maar dat was dan ook alles, ondanks onze trouw tekst: ‘De Heer zegene u uit Sion’ (Psalm 128:5a). Want in ons huwelijk hielden we niet echt rekening met de Heer; we kenden Hem niet persoonlijk. Toen de problemen kwamen, wisten we dan ook geen uitweg. Ik was in die tijd chauffeur en zat in m’n vrije uren liever in het café te kaarten dan dat ik naar huis ging. Mijn vrouw en ik groeiden bij elkaar vandaan.
  • Was daar een duidelijke oorzaak voor aan te wijzen?
  • Ja, ons eerste kind werd normaal geboren, maar daarna begon de ellende. Mijn vrouw kan dat beter vertellen.

Els:

Dat grote probleem begon toen ons tweede kindje (na een zwangerschap van 8 maanden) dood geboren werd. En de volgende keer gebeurde hetzelfde; bij de achtste maand ging het weer mis. Ik was radeloos, werd overspannen. Ik kan dan ook best begrijpen dat mijn man het thuis niet meer gezellig vond. Toen kwam de volgende klap. Het enige kind dat we bezaten, werd heel erg ziek en kwam in het ziekenhuis terecht. Ze moest twee keer geopereerd worden en ook haar dreigden we te verliezen.

Dit is een tijd van grote geestelijke worsteling geweest voor m’n man en mij. Maar niet zonder nut. De Heer wist ondanks de aanvallen van de satan, iets goeds geboren te doen worden. Het werd namelijk de aanleiding tot onze bekering. Onafhankelijk van elkaar zagen mijn man en ik dat we Jezus nodig hadden. Zonder Hem ging ons leven eraan. We hadden de steun van het geloof hard nodig; we wilden onze kracht en sterkte bij Hem zoeken. Zo gaven wij beiden ons hart aan de Heer en gingen wij met heel ons hart de Heer dienen.

Nu gingen we graag naar de kerk, hoewel vooral ikzelf er toch niet vond wat ik zocht. Mijn man werd zelfs actief voor het evangelisatiewerk. Ons kind kwam na 12 weken genezen thuis. Ik raakte opnieuw in verwachting. Maar nu was de medische wetenschap er tijdig bij. Voordat de beruchte tijd aanbrak, werd het kind door de dokter ‘gehaald’. Dit ging goed en toen ons derde kind moest komen, werd het op dezelfde manier gedaan.

  • U zat dus als bekeerde mensen in de kerk, vond u daar voldoende voedsel voor uw ziel?

Henk: Nee, eigenlijk niet. We keken daarom wel om ons heen. Zo kwamen wij in aanraking met een pinkstergemeente, waar ik na verloop van tijd als oudste werd aangesteld. We lieten er ons dopen IN water en ontvingen ook de doop met Gods Geest nadat we ons daar gelovig en verlangend naar hadden uitgestrekt.

  • Merkte u dat u toen verder was gekomen?

Ja, vooral door de doop met Gods Geest begonnen wij meer van Gods Woord te verstaan en werden wij meer dan ooit verlangend om de Heer te dienen. Maar de moeilijkheden werden ons opnieuw niet bespaard. We kregen in die bewuste gemeente grote desillusies te verwerken en verlieten die kring. Onze weg leidde naar een andere plaats, waar ik weer in een pinkstergemeente terechtkwam. Ik werd er fulltime evangelist. Ook hier was het al gauw weer hetzelfde liedje: de ene teleurstelling na de andere.

  • U was toch niet teleurgesteld in de Heer?

Nee, ik zag teveel naar de mensen en naar de omstandigheden. Toch besef ik nu dat ikzelf in die tijd ook fout ben geweest in mijn reacties. Ik stelde me verkeerd op, streed tegen vlees en bloed en gaf zodoende de duivel alle gelegenheid om zijn vernietigend werk te doen. Ik reageerde vleselijk. Later begon ik de geestelijke achtergrond van al deze ervaringen te onderkennen; toen koos ik voor de wandel en de strijd in de hemelse gewesten. En daarmee torpedeerde ik m’n bediening. Want deze visie deelde men daar niet met mij. Ik kwam op straat te staan, zonder werk en zonder financiële steun. Bovendien was er steeds de dreiging dat we ons huis zouden worden uitgezet. Ik probeerde van alles om aan de slag te komen, maar het lukte niet. Het was weer een tijd van grote beproeving. Maar nu kenden we de Heer en wisten we hoe we dit geestelijk moesten aanpakken.

Het was anders wel wat: voor iedere cent moesten we bidden; we waren straatarm. Toch zorgde de Heer steeds voor uitkomst. En uitgerekend in die moeilijke periode moest onze jongste dochter geboren worden. Dat zou een extra krachttoer worden, want we kwamen met onze huisarts in conflict. Hij wilde namelijk ook dit kind vroegtijdig bij de moeder weghalen, om het van een zekere dood te redden. Begrijpelijk, maar wij sputterden tegen. We voelden er niets voor.

Ons denken was veranderd; we hadden begrepen dat een zwangerschap van 9 maanden normaal is en door de Schepper ingesteld. We wilden daar niet met menselijke middelen inbreuk op maken. We zagen nu dat we dit probleem geestelijk moesten benaderen. En daar begreep de dokter natuurlijk niks van. Hij vond ons dom en eigenwijs. Het kwam zover dat hij alle hulp, ook voor controle, van de hand wees als wij niet naar zijn raad wilden luisteren. De vroedvrouw dacht er ook zo over.

  • Dat betekende dus een stuk geloofsstrijd wat jullie naar je toe haalden. Waren jullie het daar samen volledig over eens?

Ja, geen van ons beiden twijfelde over deze zaak. Het was voor ons dan ook niet een kwestie van in angstige spanning afwachten. We waren helemaal op de Heer aangewezen en dat was ons voldoende. Wij zijn in Zijn rust ingegaan en bij ons was alleen zekerheid en rust. Psalm 128:5a was nu onze verwachting. Wij hadden beiden een tekst waardoor we ons mochten verkwikken. M’n vrouw had deze: ‘Wentel uw weg op de Heer en vertrouw op Hem, Hij zal het maken’. En voor mij was de inhoud van de tekst : ‘Abraham geloofde God’, een machtige openbaring om samen voort te gaan in de Heer (Rom.4:3).

En nu de wonderlijke leiding van de Heer. Juist op de dag dat de baby scheen te zullen komen, stond opeens de huisarts bij ons voor de deur. Hij kwam toch maar eens kijken. Vooral de bloeddruk van mijn vrouw interesseerde hem. Hij mocht deze gerust opnemen, met als resultaat dat we te horen kregen dat deze wel wat te hoog was. Of mijn vrouw bereid was om er een enkel pilletje voor te slikken, al was het alleen maar voor de gemoedsrust van de dokter. Mijn vrouw zei ‘ja’. En zo werd ik erop uit gestuurd. ‘s Middags kwam de medicus opnieuw, nam weer de bloeddruk op en constateerde verheugd dat het pilletje dan toch maar goed gewerkt had: de bloeddruk was precies goed. We hielpen hem uit de droom: ik was pas thuisgekomen en mijn vrouw had nog niet de gelegenheid gehad om dat medicijn in te nemen. De Heer had het gedaan! In ieder geval zegde hij verder alle hulp toe bij de bevalling.

Diezelfde avond had ik een spreekbeurt en ik kon deze niet afzeggen, omdat ik geen vervanger wist te vinden. Als het door zou zetten, zou ik er niet bij zijn, maar de Heer was er wel. En dat was voor ons het voornaamste; we hadden het al die maanden daar al op aan gedaan. Dus ging ik naar die betreffende gemeente toe. Ik was wel benieuwd over wat ik thuis achterliet, maar niet benauwd. Toen ik ‘s avonds naar huis wou rijden, belde ik eerst mijn vrouw even op. Wat ik toen hoorde, ontlokte mij een hartgrondig: ‘Prijs de Heer, halleluja!’ We hadden een gezonde dochter gekregen en alles was goed gegaan.

Mijn hart was vol dank en lof aan de Heer. En ik kon daar niet mee wachten tot ik thuis was. Ik ben de auto uitgegaan en heb een rustig plekje gezocht en heb daar een hele tijd de naam van de Heer grootgemaakt. Onder een open hemel heb ik de Heer geloofd en geprezen. Hij had ons geloof niet beschaamd gemaakt. Hij gaf de overwinning. Diep in de nacht kwam ik thuis. Wat waren we blij, mijn vrouw en ik. Destijds had de dokter gezegd dat er maar 3 procent kans was dat moeder en kind erdoor zouden komen als er niet tijdig ingegrepen zou worden. Die 3 procent werd 100 procent. Glorie voor Jezus!

Nu kwamen ook de verdere zegeningen. We werden overstelpt met vele goede gaven. Financieel en in natura. We konden het heel goed gebruiken. Ook vond ik weer een werkkring. En nog wel een baan waar me de mogelijkheid gegeven werd om het werk voor de Heer te blijven doen. Deze werkgever is voor mij een geschenk van God geweest. We kregen nu ook weer een huis (van de zaak) en hoefden niet langer op een schopstoel te zitten.

  • Nu nog even over de gemeente, hoe bent u ertoe gekomen om juist daar het evangelie te gaan brengen?

Op een dag was ik op pad, toen ik duidelijk de stem van de Heer hoorde. ‘Ga naar dit dorp’, klonk het. Ik vond dit wel vreemd, maar kwam er niet van los. Ik ben erheen gegaan en kwam er meteen in aanraking met iemand die kennelijk door de Heer op mijn weg gebracht werd. Nu twijfelde ik niet meer hierover. Al gauw konden we er verspreide samenkomsten gaan houden. En nu hebben we daar sinds een jaar of 8 iedere zondagmorgen onze samenkomst, waar we met ongeveer 50 mensen bij elkaar komen. Plus dan nog een kindersamenkomst.

  • Heeft het evangelie gemakkelijk ingang gevonden op de Veluwe?

Nee, zeker niet. En nog is het heel moeilijk om het hart van de mensen hier te bereiken. De leer van de voorvaders zit er goed ingeheid. Maar wanneer iemand eenmaal de volle boodschap gaat zien, heb je hem hier ook helemaal. Het betekent een volledig breken met de kerk en met familie en vrienden. En dat is heel wat. Maar ze doen het; we hebben het gezien. Het is voor ons allen een vreugde, hoe krachtig en sterk het Woord van God beleefd wordt. Voor de zegen uit Sion moet alles wijken en dan ontvang je veelvoudig weer. Broers, zussen, leven en overvloed.

  • U hebt afgelopen zaterdag een doopdienst gehouden, kwamen daar nu ook veel buitenstaanders bij kijken?

Er zijn inderdaad heel wat belangstellenden geweest. Ze zijn het helemaal niet met ons eens, maar tonen toch een zekere mate van respect. Van openlijke vijandschap is dan ook meestal geen sprake. Je ziet trouwens dat de meeste van die mensen niet kunnen geloven in de volle redding, ze zitten gewoon vastgespijkerd aan zware, eeuwenoude vrome leergeesten.

  • Hebt u nog geloof in verdere uitbreiding van de gemeente hier?

Zeker. We geloven dat er ook hier nog veel oprechte zoekers zijn en de Heer heeft beloofd dat voor de oprechten het Licht zal opgaan. We gaan vol vertrouwen door. Ondanks de slechte naam die ‘pinksteren’ hier geniet, doordat er van bepaalde zijde meer onheil dan de vrede van het Godsrijk gepredikt is. Men wint nu eenmaal de mens niet met onheilsprofetieën, maar wel met het goede woord van God, het woord van de waarheid. Het Woord zelf verandert de mens, niet de stok achter de deur.

  • U hebt heel wat wonderen meegemaakt, kunt u daar nog eens een voorbeeld van geven?

Een kenmerkend geval was de ziekte van een van onze kinderen, die destijds leed aan kroep. Het kind kon haast niet ademen, stervensbenauwd had ze het. Dat duurde zo 10 dagen. Toen was het zo erg geworden dat we het niet langer konden aanzien. Ik nam het kind in mijn armen, hief het op voor Gods aangezicht en bad, met mijn vrouw samen: ‘Heer, doe nu een wonder en verlos ons kind uit haar lijden’. Na al ons bidden en strijden kwam nu de overwinning: het kind gaf een diepe zucht en toen was plotseling alle benauwdheid verdwenen. De kleine was genezen, demonen van ziekte waren weg. Wat hebben we toch een machtige Heer! Ik zou heel wat pagina’s op de site in beslag kunnen nemen om de vele wonderen en uitreddingen te vermelden, maar de grootheid van dit alles is niet onder woorden te brengen.

Ook in de gemeente hebben we grote dingen meegemaakt. Bij een zuster bijvoorbeeld, die aan ongeneeslijke kanker leed. Ze zit tegenwoordig gezond en wel in de samenkomst van de gemeente! Maar het heeft wel veel strijd gekost; het gaat niet altijd zomaar volgens een boekje. We hebben er als gemeente lange tijd eendrachtig voor op de bres moeten staan. Zo’n eenheid is een machtig wapen. We hebben ervaren dat de volle boodschap van het evangelie redding en verlossing brengt voor de totale mens, naar geest, ziel en lichaam. Daarom ben ik persoonlijk enorm blij dat ik deze heerlijke boodschap mag brengen, omdat ik het in de afgelopen jaren zelf beleefd heb, in strijd én overwinning!