Geen vrome toestanden maar echte blijdschap!

  • Wij kwamen in contact met Herman en Mieke, die na veel omzwervingen de boodschap van het Koninkrijk van  hemelen hebben leren kennen en nu in hun gezin de bevrijdende macht van Jezus hebben ervaren. Zij willen hier graag getuigen van wat de Heer zoal in hun leven gedaan heeft.

Van jongs af aan ben ik grootgebracht bij het evangelie. Bij ons thuis waren wij baptist. Toen ik een jongen van 14 jaar was, zei ik ‘ja’ tegen de Heer Jezus; ik nam Hem als mijn Verlosser aan. En natuurlijk liet ik mij dopen in de eerstvolgende doopdienst in de gemeente. Tot mijn negentiende jaar wist ik het er vrij goed uit te houden, maar toen kwam ik in conflict met de leiding van onze kerk. Ik merkte een zekere onwaarachtigheid, toen men een gemeentelid, die in zonde leefde de hand boven het hoofd hield.

Ook ging ik me steeds meer bezighouden met het vraagstuk over de doop met Gods Geest. Door middel van grootouders van een nichtje van mij, die naar een pinkstergemeente gingen en hun ervaringen niet onder stoelen of banken staken, kwam ik ook een keer in die samenkomst. Maar ik had het al gauw in de gaten: dit was niets voor mij, veel te luidruchtig en te emotioneel. Een poosje later was er in de stad een openluchtbijeenkomst van een gemeente die het eeuwig evangelie verkondigde. Ik bleef staan om te luisteren. Het boeide me wat ik hoorde. Na afloop werd ik aangesproken door een medewerker van die samenkomst. Ik werd diep in mijn hart overtuigd, maar hield mij onverschillig.

Later ging ik weer eens naar die gemeente. Deze keer vond ik het er wel fijn; er ging blijdschap van die mensen uit. Maar voor een nagesprek hield ik me gesloten; ik was er huiverig voor. En bovendien: ik was helemaal geen prater. Toen ik verschillende keren bleef komen, werd ik toch weer aan de praat gehouden en zag ik het: ik had meer van de Heer nodig. Dus vond ik het goed dat de oudsten van de gemeente met me baden. En het werkte wel wat uit: er viel iets van me af. Toch was ik nog niet helemaal verlost. Er zat dan ook al heel wat bij mij; ik had last van mensenvrees, angst voor de dood en ik was grenzeloos verlegen; ook had ik een minderwaardigheidscomplex. Toch was de Heer met me bezig; dat merkte ik heel goed.

Ik kwam zover dat ik het lidmaatschap van de baptistengemeente opzegde, doordat ik geestelijk niet verder kwam. Ik begon diverse boekjes die gingen over het eeuwig evangelie te verslinden. En ik ben doorgegaan op de weg die de Heer me wees. Tijdens een jeugdweekend sprak een van de leiders na afloop met me over de noodzaak van de doop met Gods Geest. Hij bad met me en meteen begon ik in talen te spreken. Dat was een heerlijke ervaring! Daardoor ging ik geregeld naar samenkomsten van de gemeente; ik vond het er fijner dan in de pinkstergemeente. Toch werd ik er wel gewaarschuwd om niet te gaan zwerven. Maar ik vond het nu eenmaal geweldig; die blijdschap had ik nodig.

Op de Bijbelschool leerde ik Mieke kennen, die nu mijn vrouw is. Dit onderwerp komt straks nog wel verder ter sprake. Een keertje ben ik ook naar een conferentie gegaan, waar ik allemaal geweldige verhalen over hoorde. Er kwamen daar veel mensen tot bekering en velen werden er bevrijd van gebondenheden, vertelde men mij. Toch was het voor mij een teleurstelling; ik ergerde me aan de boodschap en ik vond verschillende van de bezoekers erg overdreven. Naar mijn idee hadden ze het alleen maar over ‘boze geesten’. En daar moest ik nu juist niets van hebben. Zo zwierf ik in feite toch nog geestelijk rond.

Er was al heel wat aan mij gebeurd, maar ik stond beslist nog niet in de volle vrijheid. Ik heb een hele ontwikkelingsgang moeten doormaken (en die is nog niet ten einde). In mijn leven heeft God bewezen een God te zijn die geneest, bevrijdt en herstelt. Zo is waar geworden de tekst uit 1 Petrus 2:6b:

  • ‘En wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen’.

Mieke vertelt:

Ik ben in een christelijk-gereformeerd gezin opgevoed. Het was bij ons thuis een vrome boel. Elke zondag was voor mij een bezoeking; heel de dag kon je dan voor het raam zitten hunkeren. Je mocht helemaal niets. Ik heb nooit begrepen hoe God hier een plezier in kon hebben. Maar toch moest het.

We hadden bij ons thuis een groentezaak waar ik in mee moest helpen hoewel ik heel andere interesses had. Het ging niet zo best met de zaak en daarom werd er besloten om te verhuizen naar een andere plaats en daar opnieuw te beginnen. Ik zag in die zware kringen veel onwaarachtigheid; zondags heel erg vroom en door de weeks oneerlijk en gemeen. Geen wonder dat ik die vroomheid begon te haten. Elke dag stond ik op de markt en kwam zodoende geregeld in de cafés bij de markt. Biljarten en uitgaan waren het gevolg hiervan. Een erg christelijk leven was het nu niet bepaald.

Ik kreeg daar ook contact met Youth for Christ. Ik merkte dat die jonge mensen meer hadden dan ik bezat. Geregeld kwam ik bij hen terug en na een half jaar was ik zover dat ik me bekeerde. Ik werd erg blij, hoewel er thuis nog volop moeilijkheden waren. Vrienden uit deze groep adviseerden mij om eens naar zo’n door Herman genoemde conferentie te gaan. Dit deed ik en ik vond het er geweldig! Nog nooit eerder had ik over de doop met Gods Geest gehoord, maar hier werd er over gesproken. En hoe! Ik vond het er enorm fijn, die blijdschap en dat spontane handgeklap. Als er nog meer is, wil ik het ook, dacht ik en ging naar voren toen er een uitnodiging werd gedaan. Nadat er met mij gebeden was, wist ik het: Gods Geest heeft mij aangeraakt. Op die conferentie is ook met mij gebeden voor bevrijding van verschillende dingen. En de Heer heeft hier heerlijk in gewerkt.

Ik was intussen verpleegster geworden en woonde op kamers waar ik het erg gezellig had ingericht. Ik ging verder zoeken op de geestelijke weg en kwam bij Operatie Mobilisatie terecht, waar ik een keer mee op tournee ben gegaan. Ik had nu eenmaal een sterke zendingsdrang in mij. Eén van de medewerkers daar verliet OM, omdat hij het eeuwig evangelie niet meer mocht brengen. Zo begon hij zelf met samenkomsten bij ons in de buurt, waar ook ik naartoe ging. Hier ben ik ook verschillende keren geweest. En steeds weer werd ik opgebouwd door wat ik hoorde. Totdat er ouderlingen kwamen die zich tegen deze boodschap verzetten en mij hiervoor kopschuw begonnen te maken.

De strijd in de hemelse gewesten, het verweer tegen gebondenheden bij Gods kinderen waren vaak het discussiepunt. Toen ik op de Bijbelschool kwam, merkte ik dat daar dezelfde gedachte heerste. Ik kon het er op de duur niet uithouden en was blij dat er een nieuw ziekenhuis werd geopend, waar ik toen weer als verpleegster ben gaan werken. Tijdens de kerstvakantie ging ik naar de Bijbelschool waar ook Herman toen aanwezig was. We leerden elkaar er beter kennen en daarna wisten we dat we voor elkaar bestemd waren. Met Pasen zaten wij er weer en toen hield iemand een toespraak over zending. Dit sloeg bij ons aan; wij gingen dan ook gretig in op de oproep om naar voren te komen. Er werd met ons gebeden dat wij vruchtbaar zouden zijn in het werk van de Heer.

In die tijd woonde er een jonge vrouw bij mij in huis. Toen zij naar het buitenland zou gaan voor zendingswerk, vroeg ze mij of ik mee wilde om daar voor de Heer te gaan werken. Ik zag dat nog niet zo zitten en weigerde dus. ‘Je zit vast aan je mooie spulletjes’, kreeg ik als verwijt te horen. Ik was het daar helemaal niet mee eens. Maar een poosje later begon ik inderdaad te geloven dat ik m’n aardse bezit niet los kon laten. Ik besloot de Heer zonder voorwaarden te gaan dienen en afstand te doen van alles wat ik bezat. Dus zegde ik mijn baan op en hield ‘uitverkoop’ van al mijn spullen, voor een appel en een ei. Wie wat kon gebruiken, mocht het weg halen. Op mijn manier had ik schoon schip gemaakt en kon de Heer met mij verder gaan.

Ik kwam vervolgens op de opleidingsschool voor zendelingen terecht. Herman en ik zouden bij de eerste groep van studenten horen, die klaar zouden worden gemaakt voor een taak in Gods Koninkrijk. Voorlopig ging ik eerst op kantoor werken. De moeilijkheden en teleurstellingen die ik er opdeed, zal ik hier maar niet weergeven. Onze roeping liep hier in ieder geval vast; we gingen er vandaan. Ontnuchterd en een ervaring rijker. De zendingsdrang bleef bij ons bestaan. We zochten verder de leiding van de Heer en meenden een mogelijkheid te zien. We lazen namelijk in een evangelisatieblad dat op het hoofdkantoor daarvan medewerkers werden gevraagd. We zijn er gaan praten met een van de naaste medewerkers van de evangelist die deze organisatie leidt. We waren er van harte welkom. Negen dagen na onze trouwdag zijn we er allebei gaan werken.

Onze eerste teleurstelling kregen we meteen al: er was geen woonruimte voor ons beschikbaar. Vanaf de eerste dag werd ons voorgehouden dat we nederig moesten zijn. Dat betekende bijvoorbeeld dat we niet normaal loon naar werken kregen. Integendeel, voor de zending is veel geld nodig en dus offerden wij al ons spaargeld. Alles uit liefde voor de Heer, overtuigd zijnde dat Hij dit van ons vroeg. Het zou een moeilijke tijd voor ons worden. Toen we drie maanden getrouwd waren, raakte ik in verwachting. Wij zouden hier erg blij mee geweest zijn als we niet ‘in het evangelie’ hadden gewerkt, maar nu dreigde het kind een blok aan het been te worden. In stilte verwenste ik het al voordat het geboren was.

Met de dag voelde ik me ongelukkiger worden, temeer omdat ik ‘op kantoor’ weinig bemoedigingen ontving van de andere medewerk(st)ers. Ik kreeg de indruk dat ik daar een buitenbeentje was, als getrouwde en zwangere vrouw. Toen ik zes maanden in verwachting was, had ik nog steeds geen uitzet voor de baby; er was gewoon geen geld voor. Mijn man en ik hebben intens gebeden om uitkomst en de Heer liet ons niet in de steek! We kregen een uitzet van iemand die het zelf niet meer nodig had. En later kregen we van verschillende kanten nog meer kleertjes. Dit bemoedigde ons bijzonder. De Heer doet altijd naar zijn Woord en laat zijn kinderen nooit omkomen.

Vier weken na de geboorte van onze Mirjam was ik weer op mijn post op kantoor. We waren intussen terecht gekomen op een kamer, die we ergens huurden bij een vrouw die zwaar gebonden was en vaak ‘s nachts door het huis rondliep. Net als onze kleren waren de meubels en de rest van onze inrichting allemaal ‘krijgertjes’. Aan den lijve ondervonden we wat ‘nederigheid’ met zich mee kan brengen. Zo was ik weer iedere dag aanwezig op het kantoor, terwijl ik de kleine bij me had. Toen ze acht maanden was geworden, begon het toch wel moeilijk te worden. Moest er nu ook nog een box op het kantoor neergezet worden? We kwamen tot de overtuiging dat het zo wel genoeg was geweest: ik bleef thuis. Mijn man bleef er nog werken, zeven dagen per week! Vaak was hij ‘s nachts nog met de auto langs de weg, een enerverend leven. Ikzelf deed thuiswerk voor ‘het werk’, waardoor ik dacht op deze manier nog wat voor de Heer te kunnen doen.

Op een dag stond ik bij de slager in de winkel en ontmoette er iemand die ik nog kende van de conferenties. Ze begon een gesprek met me en stond verbaasd dat wij bij die evangelist waren terechtgekomen. Zijzelf hoorde bij een gemeente, waar het eeuwig evangelie werd gebracht en nodigde mij uit om toch eens een keer te komen luisteren. Ik vertelde Herman over mijn ontmoeting en over die uitnodiging, maar hij voelde er niets voor. Al dat gepraat over ‘demonen’, dat was niks voor hem.

In onze ‘eigen’ samenkomsten kregen we met iets nieuws te maken: ‘zalvingsdiensten’. Er werd gezegd dat men hier een ‘dubbele zegen’ kon ontvangen. Veel van die samenkomsten hebben we meegemaakt en ook wij ontvingen die ‘dubbele zegen’. Net als anderen sloegen we achterover en kwamen plat op de grond te vallen. Wat voelde ik me ongelukkig; op handen en voeten ben ik het podium afgekropen, beschaamd en ontgoocheld. Ik kwam altijd met verschrikkelijke hoofdpijn uit die bijeenkomsten. Lachen in de geest – ook zoiets wat ik niet begrijpen kon. Mensen die een half uur lang onbedaarlijk zaten te lachen – vol van de Geest? We raakten erdoor in verwarring. Steeds minder zegen ontvingen we in de samenkomsten. Achteraf bezien waren we gewoon door occulte demonen overheerst. En christen die zich gehypnotiseerd op de grond laat vallen is overweldigd door een sterke kracht die niet uit God is, maar van occulte demonen uit de afgrond van het dodenrijk.  

Later kreeg ik contact met weer iemand anders van die ene gemeente. Ik besloot deze keer op de uitnodiging in te gaan, zonder mijn man, want die had zoals gewoonlijk geen tijd. In die samenkomsten kwam alles weer boven wat ik eerder geleerd had en dat mij blijdschap had gegeven. Voorlopig kwam ik echter nog niet verder. Toen ons tweede kind zich aankondigde, werd het hoog tijd dat wij een huis kregen. Maar we stonden nergens ingeschreven. We hadden immers geleerd dat de Heer overal voor zorgt! Misschien was het kleingelovig, maar we lieten ons toch alsnog inschrijven bij het gemeentehuis en de woningcorporatie. We waren natuurlijk veel te laat hiermee. God deed echter een wonder: binnen twee maanden kregen we een 3-kamerflat toegewezen. Dolgelukkig waren we ermee. Toen we met ons goede nieuws naar het kantoor gingen, werden we ontnuchterd met het antwoord: ‘Dit is geen huis voor jullie; bid de Heer maar voor een 4-kamerflat’. Veel hadden we over onze kant laten gaan, maar nu was het genoeg. We zetten ons plan door; niet voor niets had de Heer ons gebed verhoord!

Door alle teleurstellingen en moeilijkheden die zich herhaaldelijk voordeden, gingen onze ogen open voor de Waarheid die we zochten. Steeds meer lazen we artikelen, zoals op deze site staan en we begrepen dat we niet van twee wallen konden blijven eten, waardoor we de samenwerking met deze organisatie verbraken en geloofden dat de Heer andere wegen zou openen. Daardoor besloten we onze woonplaats te verlaten en vertrokken we naar een andere regio waar we werk voor mijn man en een huis hoopten te vinden. Gelukkig waren we zo verstandig de flat aan te houden. Na een half jaar waren we blij dat we dit gedaan hadden, want toen kwamen we net onverrichterzake terug. Opnieuw zochten we in onze oude woonplaats een baan. Dit lukte; na zes weken kon Herman aan de slag gaan en gingen we ons oude huis weer bewonen. Zo bezochten we weer de samenkomsten van de gemeente. Doordat ons huis te klein werd, kregen we een nieuwe flat in een ander gedeelte van de stad en mede door vol-continudiensten, ging mijn man ‘s avonds een kijkje nemen in de gemeente, waar we nu sinds een jaar komen.

Gaandeweg begonnen we geestelijk wijzer te worden. We zagen nu ook de invloed van de machten uit het voorgeslacht die mijn man al zo lang hadden gekweld. Naast zijn mentale zwakheden, werd hij lichamelijk door een afschuwelijke vorm van allergie dwarsgezeten. Sinds jaren was hij snipverkouden en liep het water zonder ophouden zijn neus uit. Dikke koortslippen had hij dan en hij voelde zich doodongelukkig. Ik ergerde me wel eens aan hem als hij dat had, terwijl hij er toch zelf niets aan kon doen. Ook wisten we onze kinderen niet in toom te houden. Naast die allergie had Herman ook veel last van pijn in handen en armen, alsof het reuma was. Herman kreeg het er steeds moeilijker mee.

Doordat we het niet meer zagen, zochten we onze redding bij de dokter. Zo kwam Herman bij een specialist terecht die hem ongeveer veertig injecties gaf om de oorzaak van zijn allergie te testen. Hij kon geen enkele bijzondere gevoeligheid voor welke stof dan ook vaststellen. Voor de reumatische pijnen ging mijn man naar een arts die we kennen uit de gemeente. Deze reumatoloog stelde na een intensief onderzoek vast dat er geen sprake was van reuma, maar dat we hier te maken hadden met demonen van allergie die vanuit de voorgeslachten doorwerken. Op een zondagavond na de samenkomst is er in de gemeente met mijn man gebeden en werd hij vrijgemaakt van veel banden uit zijn voorgeslacht.

Nog nooit eerder is mijn man zo blij en ontspannen geweest als sinds die dag. Een duidelijk voorbeeld: terwijl hij vroeger in gezelschap niet spraakzaam was, weet hij zich nu heel goed te uiten. De rem is er af! Op velerlei gebied is hij veranderd. Trouwens ook zelf kan ik getuigen dat ik innerlijk heel anders ben dan vroeger. We zijn beiden rijker geworden en wijzer geworden. Dit laatste door schade en schande, maar nu toch ook door de juiste boodschap van de woorden van God te ontvangen. Wat zijn we destijds met vroom klinkend gezwam er onder gehouden! Juist doordat we de Heer van harte wilden dienen en er alles voor over hadden, hebben we jarenlang in grote armoede geleefd. En wat het ergste is: niet alleen materiele, maar ook geestelijke armoe!

Onze twee kinderen zien nu ook dat we op de goede weg zijn. De Heer heeft ze bevrijd van verschillende boze geesten die hen belaagden. Zo werd onze Hetty steeds ziek op de dag dat we naar de bidstond moesten. Aanvankelijk gingen we naar de dokter. Maar toen we wat meer inzicht kregen deden we dit niet meer. Nu bestraffen wij in zo’n geval de koorts in Jezus’ naam en dan wijkt die boze geest. Hetty werd ook vaak overweldigd door drift, zo erg dat ze in elkaar zakte. Ze is er nu van bevrijd. Twee maanden voor ze naar school zou gaan, begon ze zich te isoleren; ze ging steeds liggen en werd depressief. Ze wilde graag naar school, maar kon niet. Met onze voorganger hebben we voor haar de strijd aangebonden en nu gaat het beter met haar. Het is een realiteit om je kinderen te heiligen en voor hen op de bres te staan. Zo is er in dit ene jaar dat wij nu in de gemeente komen waar de boodschap van het Koninkrijk van de hemelen geloofd en gepraktiseerd wordt, enorm veel bij ons veranderd.

Er is leven, licht en vrijheid gekomen. Zowel in het geestelijke als het natuurlijke leven floreert het nu allemaal. We zitten nu voor het eerst op onze eigen stoelen en bank; het ziet er allemaal gezellig uit. Maar vooral zijn we innerlijk tot rust gekomen en we hebben vertrouwen dat de Heer bezig is ons geestelijk sterk te maken en ons doet opgroeien tot het volwassen zoonschap van God. Zodat ook wij de zegen van God door kunnen geven aan anderen. God is enkel goed, dat geloven wij en ervaren wij. Alle eer voor Hem!