3. De beslissing van Jim Vaus

Billy Graham

Via Mickey Cohen kwam ik in contact met Andy. Was Mickey nog een soort gentleman-gangster, Andy was misdadiger in hart en nieren. Oorspronkelijk was hij gokker op grote schaal, maar van lieverlee was Andy een topfiguur in de onderwereld geworden. Hij was klein, had een bruine huidskleur en opvallend zware wenkbrauwen. Andy sprak met een dusdanig zwaar accent, dat het vaak moeilijk was hem te verstaan. Op zekere dag kwam hij naar me toe. ‘Jij hebt voor Mickey een heel stel van die toffe luisterdingetjes gemaakt’, begon hij, ‘waarom maak je er niet eentje waarmee ik de Continentale Telegraafdienst met anderhalve minuut kan slaan?’ Ik gaf Andy niet dadelijk antwoord, maar mijn hersenen werkten koortsachtig snel. Ik probeerde me te realiseren wat Andy van me verlangde. De Continentale Telegraafdienst verbindt de belangrijkste steden van de Verenigde Staten met elkaar. De Continentale geeft bijvoorbeeld de uitslagen van de grote paardenrennen door. Wie deze maatschappij met anderhalve minuut kon slaan, zoals Andy zich dat voorstelde, verdiende met die anderhalve minuut wel anderhalf miljoen. En dat leek mij interessant. ‘Al wat jij te doen hebt’, beweerde Andy, ‘is er voor te zorgen dat de bookmakers die op de Continentale zijn aangesloten, de uitslagen anderhalve minuut later binnenkrijgen dan ik. In tussentijd zetten wij een groot bedrag op het winnende paard en de bookmakers zijn dan verplicht om ons uit te betalen. Die lui zullen dan gauw op de fles gaan, maar dat is mij een zorg. Per slot van rekening is gokken verboden, niet waar?’

Vier maanden had ik nodig om de benodigde apparaten samen te stellen. Het werd een combinatie van een telexapparaat en diverse elektronische onderdelen. Wij gingen er mee experimenteren in de staten Nevada en Arizona. Het werd een daverend succes. Wij werkten zo: Andy en ik werden ergens gestationeerd waar wij de lijn van de Continentale konden aftappen. Daar vertraagden wij het bewuste bericht over de uitslag van de paardenraces, zodat de telexmachines het bericht pas anderhalve minuut later ontvingen dan wij. Op een gegeven moment onderschepten wij een wedstrijdbericht dat luidde: ‘Ze zijn gestart en op weg naar de finish. Op een kwart van de baan liggen de paarden als volgt. Kalm-aan ligt aan de kop, Spring-in-het-veld zit er kort achter en Gert Galop volgt als derde.’ Dergelijke berichten werden tijdens de hele race doorgegeven. Op een gegeven moment, toen het winnende paard door de finish ging, seinde de telex de volgorde van de paarden door. Gelijktijdig boekte een van onze gangsters ergens op het winnende paard. De betreffende bookmaker nam die inzet zonder meer aan, omdat hij in de mening verkeerde dat de race pas begonnen was. Op die manier kwamen wij altijd als winnaar uit de bus. Vanzelfsprekend zochten wij juist die races uit, waar buitengewoon hoog gewed werd. Soms was dat 19 op 1. En wij waren toevallig altijd de geluksvogels …

Opgewonden door ons succes, besloten wij met ons apparaat naar St-Louis te gaan, om op die manier alle wedrennen die ten westen van St.-Louis gehouden werden ‘af te romen’. Op 5 november had ik een afspraak met Andy, ergens in een bar aan de Washington Boulevard om daar een definitieve afspraak te maken voor onze grote slag in St.- Louis. Vanzelfsprekend wist mijn vrouw Alice van dit alles niets af. Ik dacht dat zij er toch niets van zou begrijpen en per slot van rekening moest ik toch geld verdienen. Ergens moest ik toch het geld vandaan halen? Natuurlijk was ik me ervan bewust wat er met mij gebeuren zou als de politie mij in de kraag greep. Maar och, dacht ik, dat zou beslist niet gebeuren. De politie loert immers alleen op kleine kruimeldieven. Maar de koningen van de onderwereld lieten zij rustig hun gang gaan. In die dagen voelde ik me trouwens bijzonder op mijn gemak omdat de kranten vrijwel zwegen over misdaad en zedenschandalen. Alle voorpagina’s stonden vol over een zekere Billy Graham, die een serie opwekkingssamenkomsten hield in zijn zogenaamde canvas-kathedraal. Dat ding stond ergens aan de buitenkant van de zakenwijk van Los Angeles. Behalve godsdienstige bladen als ‘Moody Monthly’ en ‘Christian Life’ gaven ook neutrale tijdschriften als ‘Life’, ‘Look’ en ‘Time’ uitvoerige verslagen van wat er in die campagne allemaal voorviel.

Billy Graham stond in het middelpunt van de publieke belangstelling. Avond aan avond zaten er 8 tot 10.000 mensen naar hem te luisteren. Ja, soms stonden er zelfs buiten in de regen te luisteren als de tent helemaal vol was. Meer dan 5.000 waren al over de met zaagsel bestrooide paden naar voren gekomen, een teken dat zij voor Christus wilden kiezen. Elke dag stonden de kranten vol over mensen die zich bekeerden. Louis Zamperini was één van hen. Die Louis (voormalig Olympia-deelnemer) had tijdens de oorlog een noodlanding op zee gemaakt. Van de hele bemanning was hij de enige die in leven bleef. Niet minder dan 47 dagen dreef Zamperini op een vlot voor de Japanners hem oppikten en gevangen namen. Daarna bracht hij nog tweeëneenhalf jaar als krijgsgevangene door. Toen hij in levensgevaar verkeerde, had hij God allerlei beloften gedaan. Maar toen hij eenmaal veilig en wel in Amerika terug was, vergat hij zijn beloften. Als oorlogsheld was hij een gevierde persoonlijkheid en de helft van de tijd bracht hij in kroegen en nachtclubs door. Door het evangelie, gebracht door Billy Graham, kwam hij echter tot bekering en de kranten stonden er vol over.

Een merkwaardig radioprogramma

Vlak voor ik naar Andy ging, keek ik nog even de krant in. ‘Zanger Stuart Hamblen kwam naar voren bij Billy Graham’ las ik op de voorpagina. Nou nou, dacht ik bij mezelf, die knul heeft ook heel wat voor de reclame over! Net als ik was Stuart ook een domineeszoon en al deden wij onze vaders weinig eer aan, toch was er nog iets gemeenschappelijks tussen ons overgebleven. Terwijl ik met de gangsters grof geld verdiende aan het afluisteren van de uitslagen van paardenrennen, hield Stuart er een eigen renstal op na. El Lobo, zijn beste paard, had onlangs nog een halve ton voor hem verdiend in Santa Anita. En nu was die lekkere jongen godsdienstig geworden? Ja, ja. Daar tippelde ik niet in. Met een verveeld gezicht liet ik de krant op de grond vallen en leunde achterover in mijn luie stoel. Terwijl ik een ogenblik m’n ogen sloot, was het me alsof ik mijn vader weer op de kansel zag staan. Hij preekte over Johannes 12:24:

  • ‘Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf. Maar als zij sterft, brengt zij veel vrucht voort.’

Geïrriteerd sprong ik overeind. Weg met die akelige herinnering. ‘Ik zal wel weer laat thuis zijn’, mompelde ik tegen mijn vrouw toen ik naar mijn auto rende. Al snel zocht ik mijn weg door het drukke verkeer. Ik moest ongeveer een uur rijden en ik vond het fijn om door druk verkeer te rijden. Het was voor mij een sportief genoegen om zonder schrammen tussen al die wagens door te racen en te proberen de op rood springende stoplichten steeds nèt even voor te zijn. Het gaf mij het gevoel een wedstrijd te winnen. In die bar aan de Washington Boulevard zat Andy al op mij te wachten. Hij dronk pure whisky, terwijl ik een glas Martini door mijn keelgat liet glijden. ‘Jim, kan ik erop rekenen dat je op de tiende in St.-Louis bent?’, vroeg hij. ‘Oké, ik zal zorgen dat de spullen er op tijd zijn.’ – ‘Dan pak ik vanavond een vliegtuig en zal de jongens naar de plaatsen sturen waar we ze nodig hebben.’ Ik knikte instemmend. Daarop haalde Andy een pak bankbiljetten tevoorschijn en nam er een paar af voor mijn vliegticket en de lopende onkosten. Toen ik het geld in mijn zak had gestopt, namen we nog een drankje op de goede afloop.

Stuart Hamblen

Op weg naar huis zette ik mijn autoradio aan om op andere gedachten te komen. Hoe bestaat het: ik kreeg Stuart Hamblen te horen. Hij verzorgde in die dagen een radioprogramma dat betaald werd door Lucky Strike, het bekende sigarettenmerk. Maar ik klapperde met mijn oren toen ik hoorde wat Hamblen ten beste gaf. ‘Mensen, roken is helemaal niet gezond. Je zou er eigenlijk veel beter mee op kunnen houden. Maar och, als je nu toch nog rookt, koop dan het merk waardoor deze uitzending betaald wordt: Lucky Strike. Maar als je niet rookt, begin er dan alsjeblieft niet aan …’ Ik was stomverbaasd. Dus die Stuart Hamblen had het dus blijkbaar toch gemeend toen hij naar voren was gegaan. Nou, op die manier zouden ze hem er bij Lucky Strike een-twee-drie uitknikkeren. Tot overmaat van ramp kondigde Stuart Hamblen aan dat hij met zijn kwartet ‘De Lucky Stars’ ditmaal geen cowboyliedje. maar … een opwekkingslied zou gaan zingen. Tot dusver hadden die jongens altijd songs ten beste gegeven in de trant van ‘Ik ga vandaag niet met jou jagen, Jaap, want ik ga jagen op vrouwen.’ Wat ze nu zongen, bracht wel een heel andere boodschap: ‘Wat een machtige vreugde om te steunen op eeuwige armen.’ Toen het lied uit was, gaf Stuart Hamblen zijn persoonlijke getuigenis. Stuart Hamblen had niet alleen zijn hart maar ook zijn leven aan Christus gegeven. Ik had er geen flauw idee van dat ik zijn voorbeeld zou volgen. Hoewel ik van plan was naar St.-Louis te gaan, had God iets anders met mij voor.

Alice zou het natuurlijk vreselijk vinden als zij hoorde dat ik naar St. Louis moest, terwijl de baby elk moment kon komen. Daarom deed ik alles wat in mijn vermogen was om haar vriendelijk te stemmen. De zondag voor mijn vertrek brachten wij kleine Madeleine voor een paar dagen naar een kennis en reden daarop naar het strand. Dat werd echter een grote teleurstelling, want het was er mistig en onaangenaam. Bijzonder onprettig voor een vrouw die bijna moet bevallen. Daarna reed ik langs diverse vrienden, om Alice wat afwisseling te bezorgen, maar de een na de ander bleek niet thuis te zijn. In een trieste stemming reed ik naar een bar op de Washington Boulevard, waar ik vast en zeker een stel bekenden zou treffen. Maar toen ik er binnenstapte, was er alleen de buffetbediende die de tijd verdreef door bierglazen op te poetsen. ‘Zeg schat’, zei ik in een plotselinge opwelling tegen Alice, ‘zou je niet met me naar de evangelisatietent willen gaan om eens te kijken wat die Billy Graham voor een snuiter is?’ Alice hapte dadelijk toe en zo waren we even later op het circusterrein waar de tent stond opgesteld. Het was een enorm ding, wel zo groot als een heel huizenblok. Het comité had geen tent kunnen vinden die groot genoeg was en daarom had men 2 mammoettenten aan elkaar genaaid. Met heel veel moeite vonden Alice en ik een plaatsje op een van de achterste banken. In de tent bevonden zich meer dan 6.000 mensen!

Terwijl ik me zo goed en zo kwaad als het ging op het puntje van een bank installeerde, begon de menigte te zingen. Intussen keek ik heel kritisch om mij heen. Hier ontdekte ik iemand die hoognodig naar de kapper moest en daar zag ik iemand wiens kostuum slecht paste. Natuurlijk waren er ook heel wat goed geklede mensen in de tent, maar daar lette ik natuurlijk niet op … In het midden vooraan bevond zich een groot platform waarop alle medewerkers hadden plaatsgenomen. Cliff Barrows leidde de samenzang. Hij was groot van postuur, had krullend haar en zag er goed uit. Soms speelde hij op zijn trombone, soms zwaaide hij ermee om de maat te slaan. Hij deed dat heel enthousiast, maar vroeger op de Bijbelschool was ik ook vaak zangleider geweest en wat dat betreft meende ik Cliff Barrows nog wel een lesje te kunnen geven. In ieder geval boeide hij mij niet met zijn speciale muziek. Toen Billy Graham naar voren kwam, bekeek ik hem heel kritisch. Maar hoe ik ook loerde, ik kon werkelijks niets op hem aanmerken. Hij was één meter negentig lang, had golvend blond haar en diepliggende blauwe ogen. Hij bewoog zich met een dusdanig gemak over het podium, en uit zijn stem klonk zoveel overtuiging, dat hij mij van begin af aan boeide. Toch was de boodschap die hij bracht allesbehalve nieuw voor mij. Ik had het evangelie immers al vaak genoeg gehoord. Billy vertelde wat er in de Bijbel stond en diep in mijn hart wist ik dat het wáár was wat hij zei.

De beslissing

Na de prediking stond iedereen op. ‘Bijna bewogen een christen te zijn’ werd er gezongen. Nu, ik wist best wat mij ervan weerhield om een christen te worden: het geld. Bovendien wist ik maar al te goed wat het mij zou kosten wanneer ik een christen werd. Legio mensen had ik bedrogen door clandestien hun telefoongesprekken af te luisteren. Er waren grote bedrijven die ik had opgelicht door middel van valse kooporders. En dan was er de stunt in St. Louis, waarmee ik over enkele dagen vele duizenden in één klap hoopte te verdienen. Trouwens, Andy en de andere gangsters zouden het beslist niet slikken als ik me terugtrok. En bij die jongens zat de revolver héél los in de holster. Nee, ik zat te diep in de puree om nu de beslissing te nemen. Daarom balde ik mijn vuisten en nam mij voor: ‘Nee, vanavond niet’.

Intussen hoorde ik Graham zeggen: ‘Alle hoofden zijn nu gebogen en alle ogen gesloten. Niemand beweegt zich meer en niemand verlaat de tent’. Tussen mijn oogharen door zag ik hoe een enthousiaste christen iemand anders aanmoedigde om naar voren te gaan. Nu, als er iets was wat mij kwaad maakte, dan was het wel zulke ongepaste bemoeizucht. Godsdienst was immers een privézaak. Niemand had zich te bemoeien met de gevoelens van een ander! Zó woest was ik, dat ik me voornam om de eerste de beste die mij lastig viel, pardoes tegen de grond te slaan. Maar juist op dat ogenblik kwam er iemand op mij af. Het was een magere man met spaarzame haren maar ijzeren spieren. Later hoorde ik dat hij Billy Scholfield heette. Billy greep mij bij de arm en zei: ‘Zeg, broer, zijn…’ Ik zocht al naar een plekje waar die lastpost het best kon liggen. Maar toen zag ik dat die Scholfield stond te bidden. En je kunt nu eenmaal niet iemand tegen de grond slaan als hij staat te bidden. Dus beet ik op mijn lippen en wachtte af.

‘Weet je,’ klonk de stem van Billy Graham door de luidsprekers, ‘er is vanavond iemand in de tent die het evangelie al vaak gehoord heeft en die weet dat hij de beslissing moet nemen. Maar net als in het verleden, zegt hij ook vanavond nee tot God. Hij verhardt zijn hart en wil straks de tent weer verlaten zonder voor Christus te hebben gekozen. Toch zou dit de laatste kans kunnen zijn die hij krijgt.’ Och, dacht ik bij mezelf, dat heb ik al vaker gehoord. Ik zal heus nog wel eens meer een kans krijgen. Later, als ik oud ben en mijn schaapjes op het droge heb, dan zal ik mijn leven wel in orde gaan maken. Alsof Billy mijn gedachten geraden had, ging hij voort: ‘Nee, je kunt niet de beslissing voor Christus nemen wanneer het jou uitkomt. De enige gelegenheid waarop iemand Christus kan aannemen, is het moment dat Gods Geest hem heeft overtuigd. Vrienden, als God vanavond tot je hart gesproken heeft, blijf niet langer nee zeggen. Het is nu het ogenblik van de beslissing.’ Op dat ogenblik had ik het gevoel alsof er iets brak bij mij van binnen. ‘Ik zal gaan’, hoorde ik mezelf mompelen. Broeder Scholfield straalde van oor tot oor en begeleidde me naar de gebedstent.

De grond was bestrooid met zaagsel. Overal om mij heen zag ik nazorgers die spraken en baden met hen die naar voren waren gekomen. Ik herinner me niet meer wie er met mij gebeden heeft. Wel weet ik dat ik daar, in het zaagsel, mijn knieën voor Jezus Christus gebogen heb. Sinds jaar en dag wist ik verstandelijk dat Jezus Christus de Zoon van God was en dat Hij gestorven was voor de zondaren. Maar plotseling werd zijn offer heel persoonlijk voor mij. Daarom wilde ik Hem nu gaan gehoorzamen met mijn hele hart. ‘Heer’, bad ik, ‘ditmaal geloof ik vanuit het diepst van mijn hart. Het is mij ernst met U, maar daarom moet U nu ook ernst maken met mij, want er staat mij heel wat te wachten. Het zal bijna onmogelijk zijn om alle knopen van mijn verwilderde leven te ontwarren. Maar als U die chaos in orde wilt maken, geef ik mijn leven aan U over – helemaal.’

Toen ik opstond van mijn knieën en het zaagsel van mijn broek afsloeg, ontdekte ik dat Alice naast mij lag geknield. Zij was óók naar voren gekomen. Alice had gezien dat kerkgang niet voldoende was. Moeizaam kwam zij overeind. Ik klopte haar bemoedigend op de schouder en gaf haar een arm. Zo liepen wij samen naar de uitgang van de gebedstent en ondertussen bad ik tot God dat Hij Alice de kracht mocht geven om alles te doorstaan wat haar nu te wachten stond. Nauwelijks waren wij buiten of een persfotograaf rende op ons af. ‘Hallo Vaus’ zei hij tegen me, ‘jouw foto heeft wel eens in verband met andere dingen in de krant gestaan. Mag ik even wat plaatjes schieten?’ O nee dacht ik, onder geen voorwaarde wil ik mijn foto in de krant hebben. Daar kan ik alleen maar narigheid door krijgen. Maar toen herinnerde ik me wat ik de Heer zojuist beloofd had. Hier kreeg ik de eerste kans om de wereld (Andy en z’n gangsters incluis) te vertellen dat ik een nieuw leven was begonnen. Daarom lachte ik tegen die fotojournalist en zei tegen hem: ‘Ga je gang maar, makker.’ Zodoende stond mijn portret de volgende morgen op de voorpagina en een vette kop vermeldde:

‘Jim Vaus op het zaagselpad.’

Het is echter geen wonder dat heel wat krantenlezers zich afvroegen of ik het echt meende …

Toen ik die avond mijn auto in de garage zette, liet ik mijn vingers even liefkozend over het glimmende spatbord glijden. Het was de beste wagen die ik ooit van mijn leven bezeten had. Ik had er heel wat plezier aan beleefd, maar wilde ik schoon schip gaan maken, dan zou deze als eerste moeten worden opgeruimd. In huis liep ik alle kamers eens door. Het was een zeer aantrekkelijke villa die wij bewoonden en wij hadden heel veel mooie meubels. Ook onze woning zou er aan moeten geloven als ik schoon schip ging maken … In de slaapkamer ontmoette ik Alice. ‘Jij hebt gezien hoe ik vanavond de beslissing genomen heb. Hou er rekening mee dat ik nu een veranderd mens ben,’ zei ik tegen haar. ‘O Jim,’ zei ze stralend, ‘ik ben óók veranderd. Ik heb er trouwens al heel lang naar verlangd om helemaal met God in het reine te komen.’ Alice kon elk moment de baby verwachten, dus ik moest erg voorzichtig zijn om haar niet op te winden. Maar toch moest zij worden ingelicht. ‘Lieveling, je hebt er geen flauw idee van wat het kan betekenen om werkelijk in het reine te komen,’ zei ik haar. Wanneer ik alle gestolen goederen teruggaf, zou ik voor vele tienduizenden in de schuld raken. Al mijn bezit zou ik moeten verkopen. Maar waar ik hem nog het meest voor kneep, was de wraak van de gangsters. En vandaag moest ik Andy opbellen om hem te vertellen dat ik niet naar St. Louis kwam. Naar de mens gesproken tekende ik daarmee mijn eigen doodvonnis. Tenzij God een wonder deed. En dat zou Hij doen.