1. De appel viel ver van de stam

Mijn ouders hadden mij James Arthur Vaus jr. genoemd, omdat zij hoopten dat ik net als mijn vader zou worden. Mijn moeder was een tengere, bescheiden vrouw die altijd geneigd was voor mij in de bres te springen. Zij kon zich eenvoudig niet voorstellen dat haar jongen anders zou zijn dan haar door en door integere echtgenoot. Wanneer iemand mij op verkeerde dingen betrapte, zei mijn moeder vergoelijkend: ‘Jim is een jongen met een hart van goud, dus vergeef het hem maar.’ Zij hield zoveel van mij, dat zij er finaal door verblind werd. Hoewel mijn moeder de Bijbel van kaft tot kaft geloofde, verzuimde zij de waarschuwing uit Jeremia 17:9 van toepassing te brengen op het hart van mij:

  • ‘Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het. Wie kan het kennen?’

Omdat ik hetzelfde postuur als mijn vader had, was hij uitgesproken trots op mij. Toch ontging het hem niet, dat ik blijkbaar heel anders van aard en karakter was. Mijn vader hield van veel en hard werken. Jarenlang had hij op dezelfde kansel gestaan, in de zendingskerk van het Echo Park in Los Angeles. 25 jaar doceerde hij aan het bekende Biola (Bijbelinstituut van Los Angeles) en een tijdlang was hij er zelfs hoofd van een faculteit. Door zijn vele studie vergrijsde hij al vroeg. Vader was een voorbeeld voor allen die met hem omgingen. Ook thuis was hij altijd vriendelijk en geduldig. Vader was een kind van God en wilde natuurlijk niets liever dan dat ook zijn kinderen de Heer Jezus zouden gaan dienen. Het was vanzelfsprekend dat wij naar de zondagsschool en naar de kerk gingen. Ik vond het er stomvervelend en ik was ervan overtuigd dat mijn vader erg bekrompen was. Mijn zusje Betty vond dat ik hem helemaal verkeerd beoordeelde. Maar het verschil zal wel daarin gezeten hebben, dat zij de Verlosser wilde volgen en ik niet.

Hoewel het ons aan niets ontbrak, had ik alsmaar de indruk dat wij arm waren. Wij bewoonden een middenstandswoning op een van de vele heuvels van Los Angeles. Voor het huis bevond zich een groot grasveld en ik was natuurlijk altijd degene die dat maaien moest. Bij ons thuis lagen geen dikke tapijten en onze gordijnen waren niet van brokaat. Vandaar dat ik de indruk had dat wij arm waren. Nu is arm een zeer betrekkelijk woord. Er waren natuurlijk bosjes mensen in Los Angeles die het veel en veel minder hadden dan wij. Maar zolang ik me allerlei dingen moest ontzeggen die ik graag wilde hebben, bleef ik ervan overtuigd dat mijn ouders arm waren. Ik meende trouwens ook te weten waarom. Dat wij zo arm waren, kwam natuurlijk omdat wij christelijk waren! In werkelijkheid groeide ik echter op in de beruchte crisisjaren en in die tijd waren er ook miljoenen niet-christenen die armoede leden. Maar dat ontging mij natuurlijk.

Mijn eerste misdaad

Al op de middelbare school vertoonde ik enorme belangstelling voor alles wat met radio’s te maken had. Ik zat eeuwig en altijd aan ons toestel te prutsen om zo het geluid te verbeteren. Later specialiseerde ik me in elektronica. Ik ging er helemaal in op, maar natuurlijk kostte die hobby handen vol geld. En ik had nooit voldoende geld. Vandaar dat ik er steeds meer van overtuigd raakte dat mijn ouders het toch wel echt arm hadden … Hoewel mijn hobby mij volkomen beheerste, deed ik fatsoenshalve ook mee aan het evangelisatiewerk van mijn vader. Ik leidde soms de samenzang en ik was er dan ook van overtuigd dat ik een christen was.

Mijn vader was dolgelukkig toen ik, na mijn eindexamen, werd toegelaten tot het Bijbelinstituut waaraan hij verbonden was. Ik had het aanvraagformulier echter alleen ingevuld omdat ik hem een plezier wilde doen. Op het Bijbelinstituut maakte ik een begin met dat waarmee ik later een carrière in de onderwereld zou opbouwen: ik luisterde voor het eerst een telefoongesprek af. Eén van de vrouwelijke Bijbelschoolstudenten was tot over haar oren verliefd op een mannelijke collega en daarom plaatste ik toen een bandrecorder in haar kamer om op te vangen wat zij allemaal zei. Een paar dagen later liet ik haar horen wat ik op de bandrecorder opgenomen had. Het kind bloosde tot over haar oren, omdat zij zulke dwaze dingen gezegd had. Maar daarmee was de kous af. Ik had er geen flauw idee van dat ik mij later zou gaan specialiseren in het afluisteren van gesprekken.

Op zekere dag kwam iemand op het idee om mij penningmeester te maken van de redactie van ‘The Biolan’, het jaarboekje van ons Bijbelinstituut. Toen bond men de kat op het spek, met alle gevolgen van dien. Korte tijd later ging ik er met de kas vandoor. Ik vloog naar Florida, waar ik op mijn rug in de zon ging liggen. Het bleek echter geen onverdeeld genoegen, omdat ik ontzettend last kreeg van mijn geweten. Het gebed van mijn ouders zal overigens ook hebben bijgedragen aan de onrust die mij overviel. Zelfs de heerlijke Florida-sinaasappels smaakten me op den duur als citroenen! Nog voor ik al het gestolen geld er doorheen had gedraaid, belde ik naar huis om te vragen of ik terug mocht komen. ‘Ja, mijn jongen, ja!’ antwoordde vader met zijn hese stem. Toen keerde de verloren zoon naar huis terug. Alleen het oprechte berouw ontbrak mij. Met alle gevolgen van dien.

Een jaar lang achter de tralies

Thuisgekomen leende ik geld om het gestolen bedrag terug te kunnen geven. Begrijpelijkerwijs mocht ik niet meer op Biola terugkomen. Maar ik had snel een baan gevonden. Het enige vervelende was dat ik iedere week zoveel geld moest afstaan om mijn schuld af te betalen. Daarom probeerde ik op andere manier geld binnen te krijgen. Ik was nu al zo ver van God afgedwaald, dat het me niet erg leek om een overval te plegen. Zonder mijn vader om toestemming te vragen, stapte ik in zijn auto en reed ermee naar Beverly Hills, een villawijk waar allemaal rijkelui wonen. In mijn zak droeg ik een met nikkel beslagen Harrison-Richards revolver. Met het ding zou ik niemand om zeep kunnen brengen, maar het was uitstekend geschikt om er iemand bang mee te maken. Ergens in een stille straat zag ik een man lopen. Dat was mijn kans! Ik parkeerde en liep hem achterop. Terwijl ik mijn revolver vanuit mijn broekzak op hem richtte, tikte ik hem op de schouder en snauwde hem toe: ‘Dit is een overval. Je geld of je leven!’ De man schrok zich een ongeluk en overhandigde mij prompt zijn portefeuille. Ik voelde me reuze opgelucht, want het ging allemaal veel gemakkelijker dan ik gedacht had. Vlak voordat ik wilde wegrijden, kwam de beroofde man mij achterop. ‘Mag ik misschien mijn rijbewijs terug hebben?’ vroeg hij. Och, ik voelde me helemaal geen slechte hond, dus gaf ik die man zijn rijbewijs terug. Daar had ik toch niets aan. Overigens viel de buit ontzettend tegen. Veertien miserabele dollars zaten er in de portefeuille. Ik voelde me ontzettend teleurgesteld en down. Om een beetje op te vrolijken, reed ik naar een vriendinnetje toe, maar tot overmaat van ramp was dat kind niet thuis. Een ongeluk komt zelden alleen …

Thuis verzon ik een smoesje om mijn vader een verklaring te geven van het feit dat ik er met zijn auto vandoor was geweest. De andere morgen melde ik me nog helemaal down toen ik naar mijn werk ging. Lang hoefde ik echter niet te werken, want al snel kwam de politie me ophalen. Toen ik die man zijn rijbewijs teruggaf, was er blijkbaar een kaartje met mijn naam en die van mijn werkgever uit mijn zak gevallen. Zodra ik was weggereden, had mijn slachtoffer dat kaartje opgeraapt en had de politie ingeschakeld. Voor de sterke arm van de wet was het toen een koud kunstje om mij in de kraag te grijpen. De volgende dag kon men op de voorpagina van de boulevardpers met vette koppen lezen:

OVERVALLER PRESENTEERDE VISITEKAARTJE!

Mijn ouders vonden dit alles natuurlijk vreselijk. Vader weigerde een borgsom voor mij te betalen. Het gevolg was dat ik een jaar onvoorwaardelijk kreeg met de bepaling dat ik daarna nog twee jaar proeftijd zou krijgen. Gevangenis – ik vind het een vreselijk woord. Niet dat de gewestelijke gevangenis waar ik werd opgeborgen nu zo’n oord van verschrikking was. Maar je vrijheid ben je er toch kwijt. Ik woog in die tijd 200 pond, maar mijn ontbijt bestond uit taptemelk en droge toast. De warme maaltijden die wij kregen waren vrijwel altijd bonengerechten of stamppot. De gevangenis was een ontzettende straf voor mij. Niet vanwege het eten of vanwege de tralies en het sleutelgerammel van de bewakers. Maar het feit dat er dag en nacht op je gelet wordt, vond ik vreselijk. Ik voelde me als een gekooid dier en daarbij leek het wel alsof de dagen slakachtig traag voorbij kropen. Waar gevangenissen ook goed voor mogen zijn – ze zijn beslist ongeschikt om mensen te verbeteren. Dat heb ik aan den lijve ondervonden. Tijdens mijn gevangenschap had ik mij (on)heilig voorgenomen om uit het leven te gaan halen wat eruit te halen viel.

Pearl Harbour

Ik was nog geen maand op vrije voeten of er brak voor het Amerikaanse volk een bijzonder zwarte dag aan: Pearl Harbour. In volle vrede vielen de Japanners onze oorlogsvloot aan en vernielden niet minder dan acht slagschepen. Dat gebeurde op 7 december 1941 en door die daad van agressie werden de Verenigde Staten in de tweede wereldoorlog betrokken. Ook ik werd opgeroepen om in het leger te gaan. Door een administratieve fout werd mijn allesbehalve blanco strafregister over het hoofd gezien en ik was daar bepaald niet rouwig om. De opwinding van de oorlog kreeg me in haar greep en ik nam mij voor een keurige soldaat te worden. Daarbij verloor ik uit het oog dat de weg naar de hel geplaveid is met goede voornemens… In Camp Callan in Californië kreeg ik in 3 maanden mijn eerste opleiding. Vrienden van mij waarschuwden me dat ik vooral niet moest laten merken dat ik aanleg voor elektronica had, want dan zou ik vast en zeker de hele oorlog niets anders dan een seinsleutel in mijn hand mogen houden. Dus hield ik mijn kiezen op elkaar.

Bij het psychotechnisch onderzoek kwam mijn knobbel echter toch aan het licht. Ik had nu eenmaal aanleg voor wiskunde en dat kon moeilijk verborgen blijven. Al snel werd mij gevraagd of ik de officiersopleiding wilde volgen. Ik antwoordde bevestigend, maar met oog op mijn strafregister maakte ik me absoluut geen illusies. Maar het zou anders lopen dan ik gedacht had. Mijn strafregister bleef zoek en na betrekkelijk korte tijd was ik tweede luitenant bij de luchtafweer. Daar gebruikte men radar, maar in die tijd had men daar nog bar weinig ervaring mee. Er waren nota bene 3 mensen nodig om met behulp van radar zuiver te kunnen richten. Dan pas kon men een kanon afschieten. In mijn vrije tijd ontwierp ik daarom een mechanisme dat zowel kon rekenen als richten. In plaats van een complimentje, kreeg ik echter van de kapitein op mijn kop. Hij beweerde dat ik een rijkseigendom had beschadigd… Toevallig was een generaal getuige van deze uitbrander. Mijn zelfontworpen mechanisme werd door hem onderzocht en het eind van het liedje was, dat ik officier-seiner werd en een functie moest bekleden die normaal door een luitenant-kolonel werd uitgeoefend. Ik had meteen een heel stel officieren onder me. Ziezo, had Jim Vaus nu bewezen wat hij waard was, of niet? Binnen 3 jaar was ik kapitein!

Prostitutie en corruptie

Maar al was ik aan de buitenkant een heel stuk opgeknapt, van binnen was ik nog geen zier verbeterd. Omdat ik een sleutelpositie bekleedde, had ik de mogelijkheid om regeringsprioriteiten te verlenen. Daar maakte ik dan ook gebruik van en streek spelenderwijs aardig wat steekpenningen op. Dat neemt echter niet weg dat ik tegelijkertijd toetrad tot de Presbyteriaanse kerk. Dat is namelijk een grote kerk en alles wat groot was, vond ik prachtig. In die tijd verbeeldde ik me werkelijk dat ik een christen was. Ik was immers lid van een gerenommeerde kerk? Vroeger had mijn moeder mij vaak gewaarschuwd dat je nooit vrijblijvend kon zondigen.

  • ‘U zult gewaar worden dat de zonde u vinden zal’ (Num.32:23).

Nu, daar ben ik achter gekomen. Een mede-officier, die blijkbaar jaloers op mij was, bracht mij aan bij de legerleiding. Tijdens het onderzoek over mij, ontdekte men ook dat ik mij een projectieapparaat van het leger had toegeëigend had. Och ja hoe ging dat. Het leger had er genoeg en ik had er wel belang bij en stelen was voor mij helemaal geen probleem. Maar de straf was heftig, ik kreeg de volle laag: 10 jaar. Toen ik dat hoorde, trok alle kleur uit mijn gezicht weg. Dat kon niet waar zijn. Maar … het was wel waar. Diep ongelukkig strompelde ik de zaal uit. Later werd mijn vonnis gewijzigd in 5 jaar. Intussen had ik Alice, een meisje dat erg veel indruk op mij had gemaakt, niet vergeten. Natuurlijk wilde ik voor haar niet weten dat ik in de gevangenis zat. Vandaar dat ik aan gevangenen die ontslagen werden, altijd een brief aan haar meegaf. Zodoende kreeg Alice steeds uit verschillende staten post van mij. Ik hoopte dat het haar de indruk zou geven dat ik toch wel een heel belangrijke figuur moest zijn! Hoewel ik mij niets van God aantrok, was Hij mij toch genadig. Al na een half jaar kreeg ik gratie. Ik heb in mijn leven heel wat dure maatkostuums gedragen, maar nog nooit heb ik me in een kostuum zó gelukkig gevoeld als in de slechtpassende ‘battledress’ die ik na mijn gratie mocht aantrekken.

Nadat ik uit militaire dienst ontslagen was, begon ik in Hollywood een eigen zaak. ‘Elektrotechnisch Adviesbureau’ stond er op mijn briefpapier. Dat klonk heel degelijk, maar al heel gauw zou ik tot over mijn oren in de misdaad zitten. Merkwaardigerwijs liep mijn weg naar de onderwereld via … de politie. Dat kwam zo. Ergens in een keurige flat in Hollywood woonde een meisje dat veel mannen op bezoek kreeg. Te veel. De zedenpolitie slaagde er niet in haar op heterdaad te betrappen en zo kreeg ik met die zaak te maken. Nu interesseerde het mij absoluut niet of die vrouw prostituee was of niet. Maar mijn eerzucht dreef mij ertoe een apparaat te maken waarmee de zedenpolitie haar telefoongesprekken zou kunnen afluisteren. Dagenlang was ik aan het prutsen, tot het me uiteindelijk lukte. De rechercheurs waren zo gelukkig als kinderen, toen zij met behulp van mijn apparaat konden horen hoe deze publieke vrouw een telefonische afspraak maakte met een van haar cliënten. Zij arresteerden haar prompt en voor mij was de zaak daarmee afgelopen.

Maar mijn contact met de politie bleef aanhouden. Steeds vaker maakten de rechercheurs van mijn diensten gebruik en helaas ontdekte ik dat het ook bij de politie niet alles goud is wat er blinkt. Dat iemand een politie-uniform draagt, betekent heus niet dat hij een fatsoenlijke kerel is. Politiemannen verlangen ook naar geld om hun vrouwen bontmantels te geven. En ik merkte dat sommigen van hen ontzettend corrupt waren. Mijn apparatuur werd o.a. gebruikt om Brenda Allen, een beruchte bordeelhoudster te ontmaskeren. Bij haar arrestatie ontstond er een enorme paniek, want toen bleek dat gangsters en politie gelijktijdig van haar diensten gebruik hadden gemaakt. Leden van de zedenpolitie werden er bijv. openlijk van beschuldigd twee tot vierhonderd dollar per week als steekpenningen te hebben aangenomen voor ieder(!) meisje dat voor Brenda tippelde. De bedragen liepen op tot $ 1.000,- per week! Als de politie het niet zo nauw nam met de eerlijkheid, waarom zou ik het dan wél doen?

Met een gangster getrouwd

Intussen was ik getrouwd met Alice. Ik had het altijd een prettig tijdverdrijf gevonden om met meisjes uit te gaan. Grote en kleine, dikke en dunne meisjes waren de revue gepasseerd. Maar op een gegeven ogenblik wist ik dat slechts één vrouw mij werkelijk gelukkig zou kunnen maken en dát was Alice. Hoe wist ik dat eigenlijk? Omdat haar blonde haar zo leuk krulde of omdat zij zo goed een lekkere lunch kon maken als we een dagje naar het strand gingen? Och, liefde is niet zo beredeneerbaar als techniek. Daarom weet ik nog steeds het antwoord niet. Wel weet ik dat wij een fijne trouwdag hadden, met bloemen, taarten en veel vrienden. Het was alleen zo jammer dat Alice zich zwaar in mij vergiste. Maar dat zou ze gauw genoeg merken. Heel snel zou ze ontdekken dat ze een gangster getrouwd had.